U heeft er wellicht nog nooit aan gedacht, wanneer u met uw Engelse damesfiets boodschappen doet, maar het kàn. Recht op het zadel gaan staan b.v. en dan de handen loslaten van het stuur. Of ineens door uw armen over uw stuur wippen en zo trappen. En wanneer u een vriendin tegenkomt, dan begroet u die natuurlijk door vrolijk het voorwiel in de lucht te gooien, mekaar de hand te geven en dan lustig een pirouetje te draaien.

Neen, u heeft er nog nooit aan gedacht, maar er bestaan mensen die het doen. Al bestaan er ook fietsen die voor dergelijke capriolen speciaal zijn uitgerust, wat natuurlijk mooi meegenomen is. Kunstrijden heet deze sporttak en in Vlaanderen is-ie nog zo goed als onbekend. Onbekend genoeg alleszins om hem even aan u voor te stellen. We doen dat met André Pieters, voorzitter van de afdeling kunstrijden van Sport na Arbeid-Gent; Raymond Van Landegem, secretaris en vader van kunstwielrenster Sandra; André Van de Velde, BWB-commissaris voor deze sporttak en vader van Christine, ex-kampioene van België en ook deelneemster aan het gesprek en ook de kleine Geert Bondue, negen jaar en toch reeds vier jaar kunstwielrijder.
VEEL TRAINING, WEINIG ROEM
Christine is amper zestien en toch stelt ze zich reeds voor als de oudste kunstwielrenster van de ploeg, een eerste vraag dringt zich dus al meteen op : is dit geen sport voor « volwassenen » ?
André Pieters : Er zijn er inderdaad veel die stoppen als ze de juniorsreeks verlaten op achttien jaar. Wellicht omwille van de training die enorm zwaar is, zeker in verhouding tot de weinige roem die je in deze sporttak maar kunt vergaren. Dat is wel erg jammer want op die manier haal je er nooit echt uit wat erin zit. De kracht komt immers pas ten volle tot ontplooiing in het achttiende levensjaar, dus…
— Weinig roem, dat is dan zéker het geval in België, waar deze sport nog van zeer jonge datum is ?
André Pieters
: Inderdaad, wij zijn daarmee begonnen in 1973 met Karin Buysse die nu trainster is. Sedertdien is dat geëvolueerd met hoogten en laagten tot wat we nu toch wel min of meer een hoogtepunt mogen noemen. Daarvóór zo rond 1947 deed men hier wel reeds aan kunstrijden, maar er was geen kampioenschap, er waren geen reglementen, eigenlijk deden ze zo maar gewoon wat er in hun hoofd opkwam. In 1963 hebben we dan nog eens geprobeerd, we hadden zelfs een kern van een vijftal meisjes, maar niemand wist feitelijk hoe een wedstrijd diende te worden georganiseerd, zodat het opnieuw is doodgebloed. Maar vanaf 1974 worden er kampioenschappen betwist en dat is uiteraard een stimulans. Terzelfdertijd is er dan een tamelijk grote kern ontstaan in de provincie Limburg, meer bepaald in Genk, die zich heeft gesplitst over drie, vier clubs die ondertussen stilaan aan het verdwijnen zijn. Het is immers zeer moeilijk aan gepaste trainers te geraken. Wij hebben ons huidige peil vooral te danken aan het bestuderen van bepaalde boekjes en de contacten die we hebben met bepaalde buitenlanders. Internationaal betekenen we nog altijd niets. Dan moet je ongeveer 300 punten halen bij de meisjes en Christine is op dit moment recordhoudster van België met 256. dat spreekt dus voor zichzelf nietwaar ?
— Wat zijn dan de toonaangevende landen ?
André Pieters
: De beide Duitslanden, Zwitserland, Tsjechoslovakije, Oostenrijk en Frankrijk.
— Met uitzondering van dit laatste land, allemaal landen uit Centraal-Europa. Is daar een verklaring voor ?
André Pieters
: De taal van het kunstrijden is Duits. De reglementen zijn opgesteld in het Duits, bij het begin van de proef zegt men « los » en op het einde « schluss », om nu maar dat voorbeeld te geven. Typisch is dan ook dat b.v. de Nederlandse ploegen uit Zuid-Limburg komen en de Franse uit Lotharingen, zij het dat er nu ook een tweede kern is in Lyon.
— Die reglementen lijken me wel erg belangrijk. Hoe moet men anders gewone acrobatieën op de fiets, zoals in een circus b.v., scheiden van de sport ?
André Van de Velde
: Inderdaad, daar zit ‘em precies het onderscheid. In het circus kan je doen wat je belieft, maar bij het kunstrijden zijn er vaste onderdelen die elk een bepaalde quotering hebben.
— Zijn er dan opgelegde oefeningen en vrije oefeningen zoals in het kunstschaatsen b.v. ?
André Pieters
: Neen, het zit zo : iedereen krijgt sowieso een basis van 200 punten, maar dan kan je dus de moeilijkheidsgraad opdrijven tot zelfs 330 punten op dit moment. Dat kan door een keuze te maken uit de 112 oefeningen die het reglement voorschrijft. Iedere oefening heeft een waarde, gaande van 0,2 tot 6,4, en zo mag je er 28 inzetten. Als je dus b.v. 28 oefeningen neemt van één punt en je voert die perfect uit, dan heb je 228 punten. Om de jury in staat te stellen dit te controleren moet men een schema van de oefening overhandigen. Op die manier gaat men na of men wel degelijk de aangekondigde oefeningen uitvoert, of men het goed doet en ten derde of er niets valt op aan te merken wat de houding betreft, gestrekte armen of benen e.d.
— Dat is toch twee keer hetzelfde ?
André Pieters :
Neen, een val b.v. of met de twee voeten op de grond staan betekent automatisch drie punten verliezen, ook al is die bepaalde oefening waarbij het gebeurt slechts één punt waard. Ook moet men de oefeningen telkens uitvoeren terwijl men een ronde rijdt, als die ronde nu te kort is dan verlies je de helft van de ingezette punten, is ze meer dan de helft te kort dan krijg je zelfs helemaal niks.
VARIATIES OP DE FIETS
— Enerzijds ben ik verbaasd te horen dat men blijkbaar 112 standjes kan doen op een fiets, maar anderzijds : begrijp ik dat goed dat men z’n boekje niet mag te buiten gaan ? Dat er m.a.w. geen nieuwe oefeningen kunnen worden uitgevonden die dan de naam krijgen van de « uitvinder », zoals in het turnen ?
André Pieters
: Inderdaad. Als evenwel iemand toch nog een oefening zou vinden, dan kan hij daarmee naar de Internationale Technische Commissie, die deze dan beoordeelt en quoteert indien ze wordt aanvaard, maar ik weet echt niet wat men nog zou kunnen doen op een fiets, hoor.
— Bij solo-rennen akkoord, maar bij duo’s zijn er toch talrijke variaties mogelijk, heb ik vastgesteld. Zo begint men op twee fietsen, maar men eindigt op één fiets…
Raymond Van Landegem :
Ja, mijn dochter rijdt b.v. samen met Christine in een duo, maar ook deze oefeningen zijn allemaal bestaande oefeningen. Op vrije oefeningen zou men geen punten krijgen.
— Buiten het feit dat het allemaal op een fiets gebeurt, heeft deze sport weinig of niets met wielersport te maken, we hebben eerder reeds vergelijkingen gemaakt met het kunstschaatsen en het turnen. Toch worden de oefeningen inderdààd uitgevoerd in een soort van wielertrui, terwijl er vooral in het kunstschaatsen toch veel aandacht wordt besteed aan het uiterlijk. Betreur je dat, Christine ?
Christine Van de Velde :
Zeker niet. Het komt er immers vooral op aan je goed te voelen in je kledij opdat je de oefeningen zo perfect mogelijk zou kunnen uitvoeren. Met andere kleren kan je blijven haken of zo en dat stoort uiteraard de concentratie.
— Een ander opmerkelijk verschil is dat er weliswaar muziek wordt gedraaid, maar dat die blijkbaar niets met de kuur te maken heeft ?
Christine Van de Velde :
Ook dat vind ik niet erg, integendeel zelfs, want als je aan het rijden bent, hoor je die muziek niet.
— Maar hoe stel je dan een kuur samen ?
André Van de Velde :
Je begint best met enkele moeilijke oefeningen die veel punten kunnen opbrengen, daarna een kleine ontlasting om dan opnieuw te eindigen met een klapstuk.
Raymond Van Landegem : Ook moet men erop letten dat de oefeningen goed op elkaar aansluiten, dat men niet te veel tijd verliest. En verder moeten de oefeningen natuurlijk aangepast zijn aan de leeftijd en ook aan de specifieke kwaliteiten van de rijdster. De één is goed van boven op de fiets, de andere in sprongen enz.
— Ja, die fiets, dat is wel iets speciaals…
André Pieters :
Ja en zelfs in zoverre dat je hem in het buitenland moet kopen, want hier in België worden ze niet gemaakt, waarschijnlijk omdat het de moeite niet loont.
— Ik neem aan dat dit dan wel een rem is om deze sport te gaan beoefenen ?
André Pieters :
Pas op, de club koopt de fietsen. Al zijn er natuurlijk wel kunstrijdsters die een eigen fiets hebben. Maar daar mag je dan wel zo’n 25 à 30.000 frank voor opzij leggen.
Raymond Van Landegem : Het speciale stuur alleen al kost 2.000 fr.
— Blijkbaar is het dus een echte amateursport in die zin dat je er nog eer¬er geld moet insteken dan dat je er iets uithaalt ?
André Pieters :
En dat het nog lang zo mag blijven ! Want als er ooit een sponsor bij te pas komt, dan interesseert het mij helemaal niet meer. Dit vind ik nog sport, mijnheer, als de meisjes hun lidgeld jaarlijks moeten betalen, een deel van de vergunning betalen en als ze buiten de stad of in het buitenland moeten rijden, dat de ouders dan zelf voor het vervoer moeten instaan. Natuurlijk zou ik liever zien dat het niets zou kosten, maar dat kan ook weer niet, want onze enige inkomsten dat zijn tombola’s e.d. En als hier morgen vijf jongens of meisjes aan de deur staan en die zeggen : wij willen kunstrijden, dan moeten wij daar toch materiaal voor hebben… Soms rijden er twee, drie op dezelfde fiets, maar dat kan niet blijven duren natuurlijk.
JONGENS OF MEISJES?
— Er wordt geregeld al eens gevallen, heb ik kunnen vaststellen en op training zal dit nog wel meer gebeuren dan tijdens een wedstrijd. Erg ?
André Van de Velde :
In 99 % van de gevallen blijft dat bij een blauwe plek of zo, maar Christine is wel reeds drie keer naar het Academisch Ziekenhuis gevoerd o.a. met een gebroken arm en een spierscheuring in de knie.
— Geert lijkt mij één van de weinige jongens te zijn om deze sport te beoefenen ?
Raymond Van Landegem :
Dat is een valse indruk hoor. Op het jongste wereldkampioenschap namen er 22 jongens deel en 18 meisjes. In België heb je echter wel gelijk.
— Gewoonlijk komt dat omdat de belangstelling van mannen uitgaat naar kracht en die van vrouwen naar sierlijkheid. Hoe ligt die verhouding bij het kunstrijden ?
André Van der Velde :
Er is veel kracht voor nodig, maar veel sierlijkheid ook. Mannen hebben inderdaad meer kracht, maar het komt er toch evenzeer op aan om de oefening zuiver, « proper » uit te voeren.
André Pieters : Het is dan ook een sport waarbij er geen enkel verschil is wat de oefeningen voor jongens of voor meisjes betreft.
— Als het dezelfde oefeningen zijn, dan moet het ook mogelijk zijn om de twee geslachten te vergelijken ?
André Pieters :
Aan de top zijn de jongens de sterksten. Dat kan gaan tot een verschil van 20, 25 punten. Zo is het wereldrecord bij de mannen 334 punten (de Zwitser Markus Maggi) en bij de vrouwen moet dat rond de 305 liggen. Waarom ? Dat zou ik echt niet weten. Geert is b.v. beter dan sommige meisjes, maar minder dan andere.
— Hoe ziet de toekomst eruit ?
André Pieters :
Opdat deze rooskleurig zou zijn moeten er wel geregeld nieuwe bijkomen, omdat men er altijd verliest. Als je b.v. met tien vertrekt, dan mag je rekenen dat er na twee jaar nog vijf overschieten en na drie jaar nog twee, drie. Al moet ik er wel aan toevoegen dat het gewoonlijk de besten zijn die overblijven, wat begrijpelijk is natuurlijk. Anderzijds mogen er zich zoals gezegd niet teveel ineens aanbieden, want wij hebben weliswaar een aantal faciliteiten wat de zaal betreft die wij delen met de cyclobal-afdeling, maar je kan desondanks toch geen meisjes of jongens om elf uur’s avonds les geven. De enige manier om vooruit te gaan is naar mijn gevoel dan ook dat er meer clubs zouden moeten komen. Maar om daarmee te beginnen moet men tenminste tachtig tot honderd duizend frank investeren in materiaal. Bij ons is dat heel geleidelijk gegroeid. We zijn begonnen met oud materiaal van een Duitse club over te kopen en dan af en toe te vervangen door iets nieuws. Wat training betreft, zijn wij altijd bereid om trainers uit te lenen. Zo hebben we eens getracht een club in Ieper van de grond te helpen, maar dat is uiteindelijk niet gelukt, waarom weet ik niet. Nu ja, een voetbalclub gaat makkelijker natuurlijk…
André Van de Velde : Dat is ook normaal hé. Hoe zouden de kinderen in contact kunnen komen met deze sport ? Pers en televisie besteden er geen aandacht aan, de scholen ook al niet…
Maar de rode vaan wel !

Referentie
Ronny De Schepper, Kunstrijden: geen koud kunstje, De Rode Vaan nr.2 van 1985

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.