Het goud van de jaren zestig bladderde met veel psychedelische effecten af en hulde pop in een waas van koele beredeneerdheid en ijskoude techniek. Rock werd au serieux genomen, nam zichzelf au serieux, maar werd ook een serieuze zaak. Al is er zelfs in 1972 nog geen echte “sound” van de seventies in zicht, ondanks het feit dat men reeds in 1969 ten onrechte de hard-rock als zodanig bestempelde. Toch is er een aanzet die echter zoals een neerpletsende waterstraal voorlopig in diverse richtingen spat zonder voorlopig nog niemand echt doornat te maken. Het publiek liet zich dan ook in de algemene verwarring gewillig verdelen in marktsegmenten. Pop was niet langer meer de muziek van een hele generatie. Je had nu de “luisterpop” van Simon & Garfunkel of Leonard Cohen (natuurlijk voor zover er ook popmuziek bestaat waar je niét naar luistert), de heavies (Deep Purple, Led Zeppelin), de teenyboppers (T-Rex, Slade), de intellectuelen (Soft Machine, King Crimson), de decadenten (Lou Reed, David Bowie), de folkies (Fairport Convention, Steeleye Span), de jazzies (Jeff Beck, Mahavishnu) en we zouden zo nog wel een tijdje kunnen doorgaan met meer kunstmatige etikettering, die, hoewel ten allen kanten overlappend, de popmarkt verscheurde.

De verwarring mag dan wel groot geweest zijn (en het aantrekkelijke idee van “rock’n’roll als gemeenschappelijke uitdrukkingsvorm van eendrachtige jongerencultuur” totaal verbrokkeld), voor de echte muziekfreak openden de jaren zeventig aanvankelijk mooie perspectieven op meer verscheidenheid, een meer uitdiepen van muzikale vormen en dus ook meer avontuur.

Dé grote katalysators van de popcultuur of de verpersoonlijking ervan, de Beatles, hadden hun rol uitgespeeld en waren elk voor een eigen publiek begonnen. Echte rock was voortaan een zaak voor muziekfreaks. Termen als supergroep en underground hadden statussen gecreëerd die steeds grotere verwachtingen opriepen op het gebied van instrumentenbeheersing, volume, muzikale structuren.
Zelf hield ik wél van megagroepen à la Blind Faith, waar dan b.v. Ginger Baker Air Force uit voortkwam, maar ook b.v. Derek and the Dominoes. En natuurlijk was er ook “Hommage to the garden of light” van Peter Bardens, “The Valentyne-suite” van Colosseum en de never-ending boogie van Savoy Brown.
Dat alles maakte wel dat pop voornamelijk een zaak van elpees was geworden en steeds meer weg evolueerde van pure rock.
MIDDLE OF THE ROAD
Het ketje in de straat zag de zin van die supergroepen niet in en hield zich tevreden met zijn eigen helden: Middle of the Road (op de foto zangeres Sally Carr, jammer genoeg voor één keer eens zonder hotpants). Deze Schotse groep die in Italiaanse nightclubs actief was, had z’n naam uitermate goed gekozen: de gulden middenweg tussen jong en oud, een brede weg ook, met een breed afzetgebied. Anderzijds is het ook een merkwaardige naamkeuze. Het is alsof iemand zich fier Mijnheer Middelmatigheid of Zwijgende Meerderheid zou noemen. De rampen die hierop volgden waren niet te voorzien. Zeker niet toen een typische (zij het tegelijk ook de beste) Middle of the Road-groep, Abba, het songfestival ging winnen. Toen ging zelfs Engeland, toch de burcht van de echte beat, door de knieën en kregen we afgewassen Abba-groepen als Brotherhood of Man of Bucks Fizz. In Nederland lag na Teach In de “weg” naar Luv en The Dolly Dots wagewijd open.
Deze richting kan men eerder als pop dan als rock bestempelen, aangezien het gehele gezin hier tot de doelgroep behoorde en er van een generatiekloof geen sprake was. Dat werd nog beklemtoond door groepen die zich echt (The Osmonds) of vermeend (David Cassidy en The Partridge Family) als familie aandienden.
NICHTENROCK
Op de singlemarkt heeft het er heel eventjes naar uitgezien dat de Wolverhamptonse Slade van zanger Noddie Holder en gitarist Dave Hill de opvolger van CCR zou worden. Ook al omdat ze werden geproduced door Chas Chandler (zie Animals & Jimi Hendrix).
Met de split van Creedence Clearwater Revival was er wat men dan noemt “een gat in de markt” ontstaan en dat in 1971 werd gevuld door twee groepen die elk een aspect van de “gemakkelijke rock” van CCR zouden gaan beklemtonen en hiermee trendsetters wordenvoor de jammerlijke toestanden van later. Terwijl Slade immers de “rock” voor zich nam, eiste de groep Middle of the Road (de naam zegt het al) het etiket “gemakkelijk” voor zcih op. Slade ontleende enkele elementen aan de nog steeds enorm populaire rage van de heavy rock of hard-rock, maar slechts een jaartje heeft deze groep die illusie kunnen ophouden met een paar hits (“Coz I luv you”; “Mama we’re all crazy now”) en vooral een uitstekende live-elpee (met daarop o.a. “Get down and get with it” en een onthutsende versie van “Darling be home soon”).
Toch bleven Dave Hill en Don Powell zelfs in de 21ste eeuw nog doorgaan met toeren. Ze werden dan versterkt met jongere snaken zoals bassist Dave Glover, die begin 2003 in het nieuws kwam omdat hij zijn aangekondigde huwelijk met seriemoordenares Rosemary West (samen met haar ondertussen overleden man Fred had ze twaalf vrouwen verkracht en vermoord) afgelastte. Glover (36 en al vader van twee kinderen) had West (48) in de gevangenis bijna dagelijks smachtende brieven geschreven maar krabbelde terug toen de media afkerig reageerden.
Uiteindelijk bleek Slade vestimentair méér invloed te hebben uitgeoefend dan muzikaal. Met hun glitterpakjes en hun plateauschoenen vormden zij immers de aanloop voor de zogenaamde glamrock of nichtenrock (nadat ze nota bene als skinheads hadden gedebuteerd!) van The Sweet of Mud. Met deze groepen maakten we ook de opkomst van het duo Nicky Chinn and Mike Chapman mee, die verder het hele decennium lang groepen zouden maken en breken. Die groepen brachten recht-voor-de-raapse dansmuziek die adolescenten de instant-opwinding verschafte die ze nodig hadden én de illusie van een eigen cultuur, glam.
Anderzijds waren er wel een Alice Cooper en een Gary Glitter, maar zeker deze laatste biedt muzikaal helemaal niets nieuws en hoort ondanks zijn uiterlijk eerder thuis bij de teeny boppers (*). Tonnen glitter maakten het verlies aan magie goed en de singels verkochten als gek aan het publiek dat gemiddeld niet ouder was dan dertien jaar. Geen enkele van die teenyboppergroepen slaagde er echter ooit in mee te groeien met het publiek of een ruimer publiek aan te spreken. Toch was het precies dit genre dat, in handen van jonge snaken die deze door de platenindustrie voor hen gaargestoofde soep kotsbeu werden, evolueerde tot punk. Als men de glittertoestanden wegneemt en enkel de muziek overhoudt, heft men hier inderdaad te doen met zeer energieke, dynamische, wilde, ruwe dansmuziek en niet ten onrechte citeert Ludo Mariman van de Antwerpse punkgroep The Kids dan ook Slade als één van zijn favoriete groepen.
Het glittergedeelte van de andere kant vond dan weer zijn weg – via de Philly Sound – naar de disco (**).
Maar vooraleer het zover was, hadden ook bepaalde intelligentia zich reeds op het genre geworpen. Zo was er naast T-Rex vooral Roxy Music, waarin naast Bryan Ferry en Brian Eno ook Mike Figgis zat, de latere filmregisseur. In Spanje had zijn collega Pedro Almodovar trouwens ook een glamrock-groep: Almodovar y McNamara.
Dankzij een David Bowie-productie wordt zowaar zelfs Lou Reed plotseling “verkoopbaar” als nicht b.v. met “Walk on the wild side” (uit de lp “Vicious”) over Andy Warhol-acteur Joe Dallesandro (“Little Joe never once gave it away/Everybody had to pay and pay”), alhoewel hij datzelfde jaar ook een miskend maar uitstekend persoonlijk album maakt (“Berlin”). Seksuele ambiguïteit is vanaf dan een must. Of zoals zanger David Johansen van The New York Dolls het stelde: “I’m tri-sexual – I’ll try anything”.
EASY DOES IT
Meanwhile in the farwest ontdekken de cowboys eindelijk ook het stopcontact en via de humbug rond CSN&Y kwamen The Eagles, Poco, Linda Ronstadt, Commander Cody, Jackson Browne e.a. onze zaterdagnamiddagen opvrolijken.
In de brede marge doet ook de moeilijke (eerder: schijnbaar moeilijke) pop het nog steeds goed: in 1973 breekt Focus (met Thijs van Leer en Jan Akkerman, later vervangen door onze landgenoot Philippe Catherine) internationaal door, wordt Jethro Tull onbegrijpelijk populair (want hun beste elpees lagen al achter de rug) en verlaat Rick Wakeman Yes, zodat ze allebei goud binnenrijven. Tenslotte is het ook het jaar dat Pink Floyd niet langer bij de moeilijke groepen wordt gekatalogeerd. Niet dat de Pink-jongens hun stijl zouden hebben gewijzigd (“dat doen ze zelfs in 2001 nog niet,” schreef ik in 1980), maar wel omdat men eindelijk heeft ontdekt dat Pink Floyd zijn inspiratie eigenlijk haalde uit één van de nieuwste richtingen binnen de zogenaamde ernstige muziek, namelijk de minimale muziek. Muziek dus die juist zeer eenvoudig is, al is ze (b.v. in het geval van Steve Reich) soms zó eenvoudig dat het ook moeilijk is om er lang naar te luisteren…
Eigenlijk is het trouwens niet bij de muziek van Pink Floyd dat men voor het eerst deze parallel heeft getrokken (want dan kon het ook vroeger reeds), maar bij de debuutelpee van de zestienjarige Mike Oldfield die zijn “Tubular Bells” volledig zelf heeft opgenomen en alle instrumenten erop speelde. Oldfield werd niet alleen met de minimalen vergelegen ook met andere wonderknaapjes zoals de bekende popzanger Wolfgang Amadeus Mozart. Enigszins ten onrechte zal later blijken, maar de belletjes zijn toch nog steeds het beluisteren waard.
DICHT BIJ HUIS
Halfweg de jaren zeventig splitten The Pebbles in Trinity en Dream Express die meteen de nummers één en twee worden in Humo’s Pop Poll, maar dan wel omdat het dat jaar armoe troef is, zij het dat ook in Vlaanderen er een paar New Wave groepen de kop opsteken, zoals Tjens Couter en Schralen Tsjip (***), maar die zijn dat jaar nog niet ontdekt door de Humo-lezers, die wel de toenmalige groep van Raymond van het Groenewoud, Bien Servi, op nummer drie plaatsen met een goede vijftig stemmen meer dan The Strangers en De Vieze Gasten. Bij de zangers moet Raymond nog in volgorde href=”https://ronnydeschepper.wordpress.com/2010/01/21/johan-verminnen-wordt-45/”>Johan Verminnen, Will Tura en Kris De Bruyne laten voorgaan. Maar ik moet eerlijk zijn: mijn nummer één dat jaar was Bots, ook al ben ik daar nu erg beschaamd over, te meer daar ik een buitengewone elpee als “Chicken skin music” van Ry Cooder slechts op de vijfde plaats rangschikte…
PUNK EN NEW WAVE
“1977 was het jaar van punk en New Wave. Punk is essentieel zonder hersens en daarom hoort Patti Smith er eigenlijk niet toe, wel: The Runaways, The Ramones, Eddie and the Hotrods. Inspiratie is ver te zoeken en een lange levensadem zal hen dan ook niet beschoren zijn.”
Dat schreef ik in 1977 en ik sta er nog steeds achter. Over Johnny Rotten en zijn Sex Pistols zweeg ik wijselijk omdat ik er een afschuwelijke afkeer van had, die echter niet muzikaal gefundeerd was, want ik had me b.v. wel “Anarchy in the UK” aangeschaft. Ik denk dat Ludo Mariman het alweer het beste formuleerde: “Er moet een generatiekloof zijn vind ik, tegenwoordig met Toppop en die soul en zo vanalles… ik zie dat dikwijls bij die jonge gasten, hun ouders vinden dezelfde muziek goed als zij. Dat is één pot nat.”
Wat mij in zijn globaliteit wél beviel was de zogenaamde New Wave, benaming die vooral in de Verenigde Staten werd gebruikt, maar daar maakte ik pas in de loop van 1977 kennis mee. De namen die daaruit voortkwamen zijn wél mijlpalen in de popgeschiedenis: Talking Heads, Elvis Costello, Blondie, Boomtown Rats.
Sommige individuen werden ook tot New Wave gerekend alhoewel ze daar weinig mee te maken hadden: Jonathan Richman, Mink DeVille, Iggy Pop, Tom Petty and the Heartbreakers, zelfs Graham Parker en Dave Edmunds.
JOHAN ZONDER ALVERMANNEN
Eenzelfde verhaal als dat van mij (hij is immers net even oud als ik) vertelt Johan Verminnen met omfloerste stern in «Het overkomt ons allemaal». Hij wordt er zelfs stil van, wat voor Johan redelijk uitzonderlijk is, maar hem ten zeerste ten goede komt.
Zo’n andere stille is Zjef Vanuytsel (“De stilte van het land”). Ook hij kijkt terug («1968», “De thuiskomst”), hij heeft er zelfs gitarist Ronny Sigo van The Jokers voor uit zijn bed gehaald, en ook hij klinkt mooi. Maar niet aangrijpend. Dat is altijd het verschil geweest lussen Zjef en Johan. En ook weet Zjef niet zo goed weg met die elektrische prullaria achter hem.
De uitschieter in dit genre komt dus van Johan Verminnen. « Als mijn gitaar me helpt » is de titel en het is zijn beste tot nu toe. Dit zal Johan zeker plezier doen, nu hij eindelijk het ras der tekstschrijvers (op één uitzondering van Frank De Crits na) achter zich heeft gelaten en zelf aan het werk is getogen. Niet zonder enige fierheid staat er op het binnenblad een citaat van wijlen Jotie T’hooft over « de » dichter. Onze lezers kennen het merendeel van de nummers reeds omdat Johan ze op ons Feest heeft gebracht. De plaat klinkt — zoals het hoort — veel meer ingetoomd en we zijn één en al enthousiasme. Enkel « Kamiel in België » van boezemvriend (?) Raymond van het Groenewoud kan misschien deze plaat van de kampioenstitel 1978 « Belgische pop » afhouden. (****)

Ronny De Schepper, gebaseerd op
Patrick Cohen, De jaren zeventig, De Rode Vaan nr.13 van 1985

(*) Hijzelf zal daar zeker geen bezwaar tegen hebben gehad. Twintig jaar later zou hij immers worden aangehouden wegens pedoseksualiteit.
(**) Dansliefhebbers die liever cool waren dan gay gaven uiteraard de voorkeur aan reggae.
(***) Ik heb dit letterlijk overgenomen uit mijn overzichtstekst voor De Voorpost, want nu, meer dan dertig jaar na de feiten, weet ik zelfs niet meer wie deze Schralen Tsjip was en hoe hij (zij?) klonk(en). Uit Tjens Couter daarentegen zal uiteindelijk Arno Hintjens voortkomen. Dat is natuurlijk andere koek!
(****) Geschreven nog vóór die elpee goed en wel was uitgekomen, denk ik. Ik had de captatie immers meegemaakt en was zeer in mijn nopjes over dat concert, maar wat er uiteindelijk op elpee is verschenen, was een ontgoochelende ervaring.

2 gedachtes over “Popgeschiedenis: de seventies

  1. Ronny:

    Per toeval op uw site beland.

    Sinds u schrijft over Schralen Tsjip (***) Ik heb dit letterlijk overgenomen uit mijn overzichtstekst voor De Voorpost, want nu, meer dan dertig jaar na de feiten, weet ik zelfs niet meer wie deze Schralen Tsjip was en hoe hij (zij?) klonk(en).

    Hierbij de website http://www.schralentsjip.com waar u de muziek kan beluisteren,
    er is zelfs een link naar een myspace site

    Groetjes
    Rudy

    Geliked door 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.