Soms had je de indruk dat opera-goeroe Gerard Mortier kritiek had op alles en iedereen, maar over zijn opvolger bij de Muntschouwburg, Bernard Foccroulle, had hij toch weinig of geen opmerkingen (tenzij dat hij te weinig risico’s durfde te nemen). Integendeel toen Foccroulle destijds als nieuwe muziekdirecteur van de Munt, de 32-jarige Antonio Pappano binnen haalde, noemde Mortier dat “een fantastische ontdekking”.

Antonio Pappano werd op 30 december 1959 in Londen geboren uit Italiaanse ouders. Zijn vader gaf zangles, zodat het vrij “normaal” was dat de kleine Antonio piano begon te studeren om diens leerlingen te begeleiden. Daarna studeerde hij piano, compositie en orkestdirectie respectievelijk bij Norma Verrilli, Arnold Franchetti en Gustav Meier.

Van in het begin van zijn carrière ontwikkelde Antonio Pappano een liefde voor opera en theater. Hij heeft in talrijke operahuizen gewerkt, zoals de New York City Opera, de Opera van San Diego, het Liceu in Barcelona en de Opera van Frankfurt. Hij onderhield nauwe banden met de Lyric Opera van Chicago en het Festival van Bayreuth waar hij assistent was van Daniel Barenboim voor “Tristan und Isolde”, “Parsifal” en de “Ring des Nibelungen”. De samenwerking met Barenboim werd verder gezet met een Mozart-Da Ponte trilogie voor de Israel Philharmonic.

In 1984 maakte hij een opgemerkt debuut als operadirigent bij de Norske Opera in Oslo met “La Bohème”. In 1988 dirigeerde hij in hetzelfde huis “L’Elisir d’Amore” en het “Requiem” van Verdi. Vanaf het seizoen 1990-91 werd hij voor een periode van twee jaar tot muziekdirecteur van dit gezelschap benoemd. Hij dirigeerde er o.m. Ballo in Maschera, Rigoletto, Aïda, Cosi fan tutte, Carmen en Jenufa. Tegelijkertijd dirigeerde hij in diverse operahuizen in Noord-Amerika en West-Europa.

Op een druk bijgewoonde persconferentie legde hij uit waarom hij nu precies de “Messa da Requiem” van Verdi koos als werk om zichzelf voor te stellen:

“Het was het eerste werk, waarbij ik me echt een dirigent voelde. Dat is nu zowat drie jaar geleden. Bovendien is Verdi een componist die zijn meeste werken voor het theater heeft geschreven. Dat vond ik erg belangrijk voor mijn eerste contact met het orkest en het koor van dit operahuis. Dat dit een echt theater is, met zangers die ook in functie daarvan worden gekozen, was voor mij trouwens één van de attractiepunten om deze opdracht te aanvaarden.” “Anderzijds is het natuurlijk niet zo dat omdat je naam toevallig op een o eindigt dat je alleen maar Italiaanse componisten zou kunnen of mogen dirigeren, daarvoor staat mijn werk in Oslo en elders toch wel garant! Het was in Oslo dat Bernard Foccroulle mij voor het eerst is komen beluisteren in ‘Un ballo in maschera’. Na de show

(op dertienjarige leeftijd is de familie Pappano naar de V.S. verhuisd, vandaar zijn merkwaardige terminologie waarschijnlijk, RDS)

stond hij reeds met mij te praten alsof ik inderdaad de nieuwe muziekdirecteur zou worden. Toch kwam hij nog een paar keer terug vooraleer hij samen met de orkestcommissie besloot mij te engageren.”

Ook in de Munt dirigeerde Pappano in oktober ’92 “Un ballo in maschera” in een regie van Guy Joosten. Ondanks de beloofde afspraak met de Vlaamse Opera was er dus toch een overlapping, zij het dat de Munt de “Amerikaanse” versie programmeerde en de VLO de “Zweedse”.

Voor Pappano werd dat openingsconcert met Verdi’s Requiem noch min noch meer dan een blijde intrede in Brussel. Vocaal waren vooral de duetten tussen sopraan en mezzo indrukwekkend. Zoals Marleen Spaepen zei op Radio 1:

“Het ontbrak er alleen nog aan dat het publiek hem op de schouders nam.”

Liefde op het eerste gezicht dus, ook bij koor en orkest die opvallend hard mee applaudisseerden. Opluchting ook, want het enthousiasme voor Pappano werd misschien enkel geëvenaard door de triomfen die zijn voorganger Sylvain Cambreling oogstte bij zijn afscheidsconcert, een week eerder.

En toch is er tegelijk geen grotere tegenstelling denkbaar: Pappano gaat heel dramatisch te werk, met veel dynamiek, scherpe contrasten, kortom de tegenvoeter van de ingehouden, ingetogen Cambreling, die het meer van de fijne nuance moest hebben. Maar misschien is deze tegenstelling juist wat we nodig hadden. Een “kloon” van Cambreling is al even bij voorbaat tot mislukken gedoemd als een “kloon” van Gerard Mortier.

Tijdens het seizoen 1992-93 dirigeerde Pappano nog drie operaprodducties (Salome, Ballo in Maschera, Meistersinger) en vier concertprogramma’s. Dit gemiddelde zal hij ook in de komende seizoenen aanhouden.

In het buitenland is hij dat jaar tevens actief met “La Traviata” in een regie van K.M.Grüber in het Théâtre du Châtelet (als een “intiem” drama opgevat, zowel scenisch als muzikaal, en dat werd door het traditionele publiek niet echt gepruimd), “Manon Lescaut” in de Wiener Staatsoper en “Capuletti e Montecchi” in San Francisco, terwijl hij het jaar daarop debuteerde in de Scala van Milaan.

In de maand maart 1993 werd hij dan plotseling tot het internationale sterrendom verheven, wanneer hij “op staande voet” een zieke Christoph von Dohnanyi (maagbloeding) moest vervangen voor de “Siegfried”-productie van de Wiener Oper (met dus de Wiener Philharmoniker). Eigenlijk had men (ondanks de voorbije “Manon Lescaut”) Daniel Barenboim gevraagd, maar aangezien die niet vrij was, raadde hij hen zijn assistent in Bayreuth aan: Antonio Pappano.

Wat vindt Pappano eigenlijk van het feit dat hij nogal wat hedendaagse werken zal moeten creëren?

“Als een huis met een jonge staf dat al niet zou doen, wie dan wel?”

En wie is zijn Grote Voorbeeld?

“Furtwängler is de grootste. Zijn muziek is heel en al doorvoeld.”

Gaat hij nog piano spelen? Dat deed hij al op het openingsconcert (Schubertliederen met tenor Laurence Dale), maar hij zal zeker nog Mozartconcerti vertolken en kamermuziek.

“Dat moet wel. Hoe kun je anders mensen aan het verstand brengen hoe ze hun instrument moeten bespelen, als je het zelf niet meer doet?”

In januari 1995 maakte Pappano kennis met het Belgische gerecht. Aan de kust aanzag de gerechtelijke politie hem immers voor iemand anders en de dirigent werd zo hardhandig aangepakt dat hij voor twee concerten diende te worden vervangen door Arturo Tamayo. En dat vlak vóór de onderscheiding als musicus van het jaar die hij van de muziekpers mocht ontvangen op de première van “Il Trittico”!

In 1996 mocht hij zijn eerste opera’s opnemen, “Don Carlos” (live) en “La Bohème” (in de studio), telkens met Roberto Alagna in de hoofdrol.

“Live ben je van veel afhankelijk, maar de rillingen die door de zaal gaan, kun je enkel live capteren. In de studio heb ik anderzijds het voordeel van zelf regisseur te zijn. Dan kan ik de zangers richtlijnen geven hoe ze hun tekst moeten brengen. Dat is belangrijker dan technische perfectie na te streven. La Bohème is immers op de eerste plaats team spirit. We were all friends with one view in mind. Emotie moet nog altijd de uiteindelijke bedoeling zijn.”

“Don Carlos” was de eerste Franse versie op CD.

“Ik heb als assistent tal van opera’s doorgenomen en dit is één van de weinigen die ik niet heb gedaan. Ik had er echter geen moeite mee om voor de Franse versie te kiezen. In Parijs was daar zelfs geen discussie over. Het voordeel van de Franse t.o.v. de Italiaanse versie is dat men hier meer de tijd neemt voor psychologische ontwikkelingen. Het vierde bedrijf is daar het beste voorbeeld van.”

De balletmuziek werd anderzijds niet mee opgenomen.

“Die is totaal onbelangrijk. Het was gewoon een conventie uit die tijd. Dit heeft niets met authenticiteit of zo te maken, het is gewoon slechte muziek. Punt uit.”

In 1997 waren er alweer twee nieuwe Puccini-projecten met Pappano: “La Rondine” en “Il Trittico”. Telkens met Angela Gheorghiu en Roberto Alagna. In april 1999 nam hij met dit duo én met het Muntorkest trouwens nog een “Manon” op van Massenet.

Vanaf het seizoen 2002-2003 is Pappano het Royal Opera House Covent Garden gaan leiden, in opvolging van Bernard Haitink. Hijzelf werd in de Munt opgevolgd door de Japanner Kazushi Ono (geboren op 4/3/1960).

Ronny De Schepper

Selectieve discografie:

Giuseppe Verdi – Don Carlos – Orchestre de Paris – Antonio Pappano – Roberto Alagna, José Van Dam, Thomas Hampson – EMI 7243 5 56152 2.

Giacomo Puccini – La Bohème – Philharmonia Orchestra – Antonio Pappano – Roberto Alagna, Leonina Vaduva, Thomas Hampson – EMI 7243 5 56120 2.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.