Zeventig jaar geleden werd de stichter van de Vlier, Dree Peremans, in Diest geboren. Hij was op dat moment slechts 18 jaar oud en stond dan ook nog een beetje in de schaduw van de andere stichter, Hubert Boone.

Als producer bij Radio 1 (o.a. van “Het Vermoeden”) heeft Dree Peremans altijd de gelegenheid te baat genomen om de volksmuziek uit binnen- en buitenland in de aandacht te houden. Aangezien volksmuziek nu eenmaal sterk verweven is met sociale toestanden hebben bepaalde uitzendingen reeds geleid tot een “schorsing”, maar “dat behoort tot de risico’s van het vak”, aldus Peremans. Zijn bekendste folkprogramma was wellicht “Folk op vrijdag”, maar liefhebbers zullen hem ook prijzen voor zijn captaties van allerlei folkfestivals, zoals dat van Dranouter, en uiteraard ook voor zijn producties met de zogenaamde “bekende namen”: Wannes van de Velde, Dirk van Esbroeck, Paul Rans, ’t Kliekske…
Dree Peremans: “Voor vroegere producties als de IJslandsuite, Wat lijdt den zeeman al verdriet, Het zwarte goud en Vive le geus was dat inderdaad nogal een kleine beperkte kring. Met name de zogenaamde tweede generatie: Wannes, Rum, ’t Kliekske, de Kadullen, Hubert Boone, Jan Smed, de Spelemannen, Alfred den Ouden en (terzijde) Walter De Buck. Maar op de zogenaamde Liedboeken, namelijk dat van Jan Frans Willems en van Edmond de Coussemaker, speelt ook de jongste generatie mee: Kadril, Water & Wijn en zelfs Cro Magnon. Ik heb inderdaad bewust het status-quo willen doorbreken door een aantal andere mensen ook een kans te geven. Men denkt soms dat de volksmuziek meegroeit met de muzikanten die ze spelen en dat is uiteraard voor een gedeelte waar, maar daarnaast is er toch een generatie die weinig aan bod komt, ik denk aan groepen als Kadril en Cro-Magnon. Het zijn wellicht vooral deze versies waarmee de puristen niet zo gelukkig zullen zijn, maar dat is dan een probleem voor die puristen.”
Ik hoed er mij wel voor er een te zijn, maar sommige ritmes doen weinig “Vlaams” aan, nietwaar?
Dree Peremans: “Je bedoelt b.v. “Daar staat een klooster in Oostenrijk”? Dat klinkt inderdaad een beetje Latijns-Amerikaans en dat komt omdat Dirk van Esbroeck hiervoor samenwerkte met de percussionist Daniel Cordova, een Chileen die al jaren in Brussel woont.”
Kritikasters zullen wel aanvoeren dat dit “vreemd is aan ons idioom”…
Dree Peremans: “Luister, in de tijd van Jan Frans Willems werden van deze liederen ernstige pianobewerkingen gemaakt en werden ze uit volle borst gezongen door een geschoolde operastem, die eigenlijk even weinig terzake doet als de stem van Patrick Riguelle die een popzanger is, maar toch dit soort dingen zingt. Dat is dan een ander idioom, maar iedere benadering die respect heeft voor de bron is een goede benadering.”
Op de tweede aflevering in de reeks Liedboeken die Dree Peremans voor Radio 1 heeft samengesteld, zingt Wannes van de Velde samen met zijn groep Water en Wijn ook een AN-versie van zijn “evergreen” “De droge haring”. Ondanks de merkwaardig “modernistische” begeleiding van het Brabants Volksorkest spreekt het vocale aandeel ook hierdoor juist minder aan. Gelukkig zijn er niet minder dan vijf andere nummers die meer dialectisch en dus natuurlijker klinken.
Evenwel niet “Aantwaarps”, want Dree Peremans heeft al deze nummers geput uit het liedboek van Edmond de Coussemaker (1805-1876) en die is geboren in het Frans-Vlaamse Belle (Bailleul) uit een familie van Nederlandse afkomst. Zijn vader was daar vrederechter en gemeenteraadslid nadat hij rechten had gestudeerd in Leuven en geneeskunde in Leiden. Ook Edmond zal vrederechter in Belle en later zelfs rechter in Rijsel worden, maar hij heeft tevens een grote interesse voor de muziek, als musicoloog, als componist en als verzamelaar van oude volksliederen. De verfransing van dat stukje Vlaanderen in Frankrijk was reeds volop bezig en hij wilde op die manier de laatste resten van een verdwijnende cultuur optekenen. De liederen in zijn “Chants populaires des Flamands de France” geven dan ook een fraai overzicht van wat er toen zoal gezongen werd.
Naast Wannes vinden we op deze CD vertrouwde namen weer als Paul Rans, Dirk Van Esbroeck, ’t Kliekske of Alfred den Ouden, maar toch lijkt de trend zich door te zetten om vooral jong talent als Cro-Magnon, Kadril of Patrick Riguelle een kans te geven. Naast de noodzakelijke evolutie zal het er ook wel mee te maken hebben dat op de vorige CD in de reeks, gewijd aan het liedboek van Jan Frans Willems, het vooral laatstgenoemden waren die indruk maakten met een “heavy” versie van het traditionele “Mijnheerke van Maldegem”. Nu brengen ze samen een reggae-bewerking van “De verloren zoon” met zijn “liefde voor een glas of een mooie vrouwenkont”. Terecht is ook dit wat men noemt een “radiohit” geworden.
Toch kan men niet zeggen dat de oudere generatie voor “traditionele” versies zorgt en de jongere voor “moderne”. De twee kunnen best hand in hand gaan, zoals in het geval van “De drie maagdekens”, waarbij Paul Rans wordt begeleid door Cro-Magnon. Of “De drie herders” van Dirk Van Esbroeck en Kadril. Deze groep zorgt nog voor een aardige verrassing in de vorm van “Minnezucht”, gezongen door Leen Persijn. Cro-Magnon doet hetzelfde met “Mooi Bernardijn” van Felicie Verbrugge.
Een totaal nieuwe naam (in vergelijking met de vorige CD) is die van Blanchefleur, de groep van Frank Verdru die zijn naam precies ontleent aan een lied dat op deze verzameling is weer te vinden en dat het bekende verhaal vertelt van “Floris ende Blancefloer” en die daarnaast ook het enige Franstalige nummer uit de bundel brengen, namelijk het bekende “Ali, alo”.
Op uitzondering van een paar religieuze liederen zijn de teksten die we bij de Coussemaker aantreffen meestal veel “kleurrijker” dan die bij Jan Frans Willems. Het grote verschil is immers dat de Coussemaker de liederen uit eerste bron optekende, terwijl Willems veeleer ging grasduinen in handschriften en allerlei bundels en er bovendien een zelfcensuur op uitoefende. Vandaar dat de Coussemaker, ondanks het feit dat hij uit historisch oogpunt minder interessant is, muzikaal juist veel boeiender is. Het boek van Willems verscheen in 1848 (twee jaar na zijn dood) en dat van de Coussemaker in 1856. Toen al had hij heel wat kritiek op de methode van Willems, kritiek die later nog eens fors werd overgedaan door Florimond van Duyse.
Een overeenkomst is wel dat ze allebei deze liedboeken als een Spielerei zagen. Willems voelde zich eigenlijk een literator en de Coussemaker schreef dikke musicologische tractaten, vijf ouvertures, een aria voor hobo, een vierstemmige mis met orkestbegeleiding, heel wat koormuziek, romances, liederen en nog een twaalftal quadrilles (één ervan wordt op de CD trouwens gespeeld door het Brabants Volksorkest). Dat alles is echter terecht in de vergeethoek geraakt. De “Spielereien” hebben evenwel de tand des tijds doorstaan…
Er wachten nu nog afleveringen gewijd aan Ferdinand Snellaert, Jan Bols, Florimond van Duyse en de duo’s Tasseel & Blyau en Lootens & Feys. De reeks zou moeten worden afgerond met het onovertroffen meesterwerk van Florimond van Duyse dat in drie delen verscheen tussen 19O3 en 19O7. Tegelijk worden door de commissie voor volkskunst die verzamelingen ook opnieuw uitgegeven. Dit gaat iets rapper dan het uitbrengen van de CD’s. “Dat heeft o.m. te maken met het feit dat we met een grote groep van ruim vijftig muzikanten werken,” zegt Peremans. “Het is van bij het begin de bedoeling geweest niet met een klein clubje te werken. Er moest onderling kunnen uitgewisseld worden en het moest de af en toe sluimerende volksmuziek een nieuwe impuls geven.” Wat ook effectief gebeurt. We kunnen er alleen maar blij om zijn.
PANTA RHEI
Een folkgroep die zeker voor vernieuwing van het genre zorgt is Panta Rhei, genoemd naar het gezegde van de Griekse filosoof Heracles (“alles vloeit”), die daarmee precies wou aangeven dat het leven een bestendig wordingsproces is. Het is een programmaverklaring van deze groep die de vernieuwing in het vaandel heeft geschreven. Vanwaar die vernieuwing dan wel komt wordt reeds duidelijk uit de namen van de stichters van de groep. Enerzijds is er immers jazz-saxofonist Steve Houben en anderzijds de klassieke cellist Luc Pilartz, die hier echter de viool en de doedelzak hanteert. Bij de andere muzikanten vinden we dezelfde invloeden terug, maar natuurlijk ook pure folkadepten. Zo zijn er Aurélie Dorzée (viool), Kathy Adam (cello), Didier Laloy (diatonische accordeon), Fabien Degryse (gitaar en bouzouki), Jo Vanhoutte (contrabas), Stephan Pougin (percussie en vibrafoon) en Michel Seba (percussie).
Ook de muziek op hun eerste CD “Hopa!” komt van diverse oorden. Of het opzet is dat de titel (bijna) overeenkomt met een nummer van Raymond van het Groenewoud, weten we niet, maar de Balkan-invloeden die Raymond hierin ter ere van voetballer Josip Weber verwerkte, vinden we ook terug in een aantal nummers van Panta Rhei. Dat begint al met het openingsnummer, een combinatie van drie Roemeense traditionals, “Itele”, “Geamparele” en “Cirligul” met uiteraard de panfluit in een hoofdrol, afgewisseld met oosters klinkende violen. Op het einde levert Steve Houben de panfluit in voor een tin whistle. Dan komt ook de accordeon op de voorgrond. Bas, triangel en trommel zorgen voor begeleiding.
“Valse chinoise” is een Franse musette van Joseph Colombo en Georges Gesthem. Uiteraard komt de accordeon hier op de voorgrond, maar ook de cello zorgt voor de atmosfeer van een Chinees salon, bijgesprongen door de viool van Luc Pilartz. Ook de tin whistle van Houben is weer van de partij. De vibrafoon is ook te horen naast wat typisch Chinees slagwerk, afgerond met een gong.
“Hopa!” zelf is een compositie van Luc Pilartz en wordt door sommige mensen beschreven als een bij die rond je hoofd zoemt. Dat komt vooral door zijn viool, opgejaagd door slagwerk. Alhoewel het dus een eigen compositie is, zijn hier toch ook weer de Balkan-invloeden te horen.
“Ik zag Cecilia komen” in een arrangement van Steve Houben begint nogal droef, maar barst dan niet in een rock uit zoals bij The Jokers, de teneur blijft triestig. Hoofdinstrument is de viool, ondersteund door cello en contrabas.
“Il est bien temps” is een bourrée uit Bourbon, die gekoppeld wordt aan “La bourrée du diable” van Luc Pilartz. Het begint met een accordeon, bijgevallen door de doedelzak, die eerder een bourdon dan een bourbon laat horen. Pilartz is wel virtuoos op het instrument. Op het einde valt de contrabas in als ondersteuning, waarna slaginstrumenten het ritme langzaam opdrijven.
“Canto do Tejo” is van de Portugees Carlos Paredes. Het is een mooi dromerig nummer dat begint op gitaar, maar nadien neemt de cello als het ware onmerkbaar de solo-spot over. Even terug naar de gitaar, maar nu staat de viool klaar om de aandacht op te eisen. De gitaar mag wel afronden.
Uit Polen komen “Spiska”, “Krzesany Zakopianski”, “Krzesany Rogozniczanski” en “Orawska”, waarin de diatonische accordeon als een echte “trekzak” uit de hoek mag komen. Steve Houben voegt er zijn sax aan toe en nadien komen de violen aanzetten. Deze nemen voor de “krzesany’s” de hoofdrol over met Jo Vanhoutte in steun. De vibrafoon valt ook weer in en het is opvallend hoe instrumenten die we toch niet met folk vereenzelvigen als sax en vibrafoon naadloos erin opgaan. Daarna komt de bouzouki, die deze meer noordelijke Oost-Europese muziek toch weer naar de Balkan trekt. Voor het slot grijpt Steve Houben opnieuw naar zijn fluit om er keihard en razendsnel tegenaan te gaan. Het slot voegt alles samen in een merkwaardig dissonante harmonie.
De “Astridin Vals” komt uit Zweden in een arrangement van Steve Houben en deze muziek uit het hoge Noorden is merkwaardig genoeg van hetzelfde slag als de meest zuidelijke muziek uit Portugal. Is droefheid van overal soms? De gitaar opent hier weer, waarna de accordeon overneemt in een timbre waarvan je kippevel krijgt. Geen mens die de ogen droog kan houden op het moment dat de cello eronder kruipt met een contrasterende melodie. Dan volgt een verrassende solo van de contrabas, die ons het verste wegbrengt van folk, but who cares? Komt dan de sopraansax van Steve Houben als een hobo van achter het hoekje gewaaid. Als tenslotte de doedelzak daarmee in harmonie gaat spelen, wordt het matje helemaal van onder onze voeten getrokken. Pure poëzie!
Gelukkig zijn er nadien “The Priest’s leap” of “Red stockings”, “The humors of whiskey”, “A sporting bachelor”, “The mills are grinding” en “Concert reel” die als typische gigs en reels uit Ierland ons weer naar een pint doen grijpen en ons de horlepijp doen dansen door het café (liefst mét slip, zó dronken zijn we nu ook weer niet!). Uiteraard de viool in een hoofdrol met gitaar en bas ter ondersteuning. Als de whisky zijn werk begint te doen, komt ook de dwarsfluit erbij. Dan opnieuw de bouzouki of is het toch een mandoline, al staat die niet op het inlegvel? Om te eindigen klinkt de contrabas trouwens ook eerder als een elektrische bas, naast de onvermijdelijke “spoons”, opnieuw ter ondersteuning van de viool. Voor de finale komt ook de fluit er weer bij.
“Pontozo” komt uit Hongarije en is gearrangeerd door Pal Kota. Hier uiteraard opnieuw de viool als trekpleister bovenop een accordeon als trekzak. Als de snelheid wordt opgedreven is natuurlijk ook de tin whistle weer van de partij.
De “Vals Polska” daarentegen is gecomponeerd door Bruno Vermeulen en de traditionele “Polska” waarmee het is verbonden komt uit Zweden. Gelukkig volgt er daarna geen “Svenska” die uit Polen komt. Ook hier is het weer droefheid, die na imitaties van zee- en vogelgeluiden, door de cello wordt aangedragen. Langzaam valt de bas in, eerst geplukt, nadien gestreken. De andere instrumenten (slagwerk, violen) komen er pas in de “Polska” aan te pas, even later gevolgd door de accordeon met de rommelpot die het laatste woord heeft.
“Ratchenitza de Plovdiv” komt uiteraard uit Bulgarije en hierin staat de bouzouki centraal, tamelijk snel bijgesprongen door de fluit. Daarna vallen doedelzak en slagwerk in. Tenslotte komen de violen weer op een manier aanzetten die sterk aan Turkse muziek doet denken. Om beurten mogen de vier instrumenten (viool, doedelzak, fluit en bouzouki) dan een solorol voor hun rekening nemen.
“La sauterelle” tenslotte is van dichter bij de deur: Wallonië. De viool klinkt hier zo Angelsaksisch dat het meteen maar is gekoppeld aan twee Engelse traditionals: “All alive and merry” en “Berwigk lasses”. Hier komt dan wel de gitaar op de typische manier uit de sixties aanzetten, later gevolgd door de bas en de violen. De accordeon dient hier eerder enkel als ondersteuning, evenals zo’n typische oorlogsroffel. Om af te ronden haalt Steve Houben nog eens zijn fluit boven. Terwijl de rest wegsterft, blijft hij over als een eenzame strijder op het slagveld… (Panta Rhei, Hopa!, Big Bang Music 60945)
In 1997 bracht Panta Rhei een tweede CD uit, maar die werd merkwaardig genoeg in de schaduw gesteld (in Vlaanderen althans) door Marc Hauman en de Moeite, een groep uit… Temse. Persoonlijk ben ik daarvan echter niet erg onder de indruk, geef mij dan maar Ambrozijn of bij uitbreiding Olla Vogala, de twee groepen van Wouter Vandenabeele. Dàt zijn de echte Vlaamse tegenhangers van Panta Rhei.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.