Vandaag is het 160 jaar geleden dat de Duitse filoloog Wilhelm Grimm is overleden. Samen met zijn broer Jacob is hij vooral bekend door het te boek stellen van Duitse volkssprookjes.

Met sprookjes kan je alle kanten uit, en veralgemenend kan ik dit ook stellen voor “kinderlectuur” van welke aard ook. Al haast ik me dan wel om erop te wijzen dat sprookjes oorspronkelijk niet voor kinderen bedoeld waren (*), vandaar bijvoorbeeld het grote aandeel van seksualiteit en erotiek. Wat later uiteraard werd “weggezuiverd”.
Dit is reeds zo vanaf het moment dat ze voor het eerst werden opgetekend. Inderdaad, daar sprookjes tot de “volkscultuur” behoorden, achtten de “intellectuelen”, de burgerij, het niet noodzakelijk dat ze te boek werden gesteld (hetzelfde is gebeurd met de volksmuziek). Het heeft dan ook geduurd tot de romantiek – een burgerlijke beweging met evenwel veel belangstelling voor “het volk” – zich aandiende.
Met name de gebroeders Grimm hebben zich hiervoor ingezet. Waar Jacob een filoloog was, die ernaar streefde de woorden van de oude sprookjesvertelsters zo nauwkeurig mogelijk op te tekenen, ontpopte Wilhelm zich reeds als een moralist en “dus” als vervalser. Eén voorbeeld, namelijk uit “De dood als peter”. Dit is een sprookje over een arme man die een peter zoekt voor zijn dertiende kind. Ook Onze Lieve Heer komt zich aanbieden, maar de man antwoordt: “Ik wil U niet als peter hebben, want U geeft aan de rijken en laat de armen honger lijden”. Tenminste, in de eerste editie, in de volgende echter voegt Wilhelm daaraan toe: “Dat zei de man, omdat hij niet wist hoe wijs God rijkdom en armoede verdeelt”.
Maar ook het bekende “Roodkapje en de wolf” kan als voorbeeld gelden. In de versie van Charles Perrault (1628-1703) uit zijn “Contes de ma mère l’Oye” (1697) duikt Chaperon Rouge nog naakt het bed in met een even naakte weerwolf (dus meer man dan wolf) en in de scène die volgt heeft ze niet zozeer belangstelling voor de grote oren of ogen van haar partner, maar voor heel andere lichaamsdelen… Deze nieuwsgierigheid wordt dan ook haar ondergang: ze wordt “opgegeten” (lees: verkracht). Volkssprookjes in deze trant (zie ook “Blauwbaard”) wilden argeloze maagdekens immers waarschuwen om zo maar niet met iedereen in de koffer te duiken, want als deze wolven hun schapevacht aflegden, kwam hun ware aard naar boven.
Jacob Grimm (1785-1863) en Wilhelm Grimm (1786-1859) studeerden beiden rechten aan de universiteit te Marburg. Jacob is de grondlegger van de Germaanse filologie als wetenschap en was politiek ook erg actief in zijn tijd. Zo bezoekt hij Parijs en het Congres van Wenen als secretaris van de Hessische gezant. Hij wordt hoogleraar en bibliothecaris in Göttingen in 1829, maar zal samen met broer Wilhelm in 1837 verbannen worden. Hij wordt hoogleraar te Berlijn en had zitting in de Nationale Vergadering te Frankfurt. Zijn wetenschappelijke onderzoekingen hadden vooral ten doel een overzicht te maken van het intellectuele leven van het Duitse volk: de taal, rechtsgeschiedenis, dichtwerken.
Samen met Wilhelm geeft hij sprookjes uit: “Kinder und Hausmärchen” (I-II) en “Deutsche Sagen” (I-II). In het laatste deel van de Märchen zijn er aantekeningen voorzien, wat hem tot de grondlegger van het moderne sprookjesonderzoek omdoopt. Zijn activiteit is erg veelzijdig geweest: hij gaf Oud-Duitse poëzie uit en schreef een ‘Duitse’ grammatica waarin hij de (later naar hem genoemde) wet van Grimm, dit is de wet van de Germaanse klankverschuiving van de consonanten, formuleerde. Dit is één van de belangrijkste feiten der Germaanse taalgeschiedenis. Grimm is ook de invoerder geweest van de termen ablaut, umlaut en sterke en zwakke verbuiging…
Met zijn “Deutsche Mythologie” schreef hij de eerste systematische behandeling van alles wat met het geloofsleven der oude Germanen samenhing, een eerste poging om door te dringen tot de essentie van de heidense godsdienst. Ook uit het gezichtspunt van de neerlandistiek verrichtte hij origineel werk. In 1834 gaf hij in zijn “Reinhart Fuchs” niet alleen de Middel-Hoogduitse en Middel-Nederlandse teksten, maar ook andere Latijnse gedichten die met de dierenfabel in verband stonden.
Ook broer Wilhelm werd hoogleraar te Göttingen en te Berlijn. Hij bestudeerde vooral de Duitse middeleeuwse poëzie. Ook hij zorgde voor een wetenschappelijke primeur, nl. “Über deutsche Runen”, de eerste wetenschappelijke behandeling der runen. Hij verwierf het meest bekendheid door een ander standaardwerk “Die deutsche Heldensage” waarin hij de oorsprong en ontwikkeling van de heldensage behandelt.
Een paar bekende sprookjes in deel één van de pocketuitgave van Prisma zijn o.a. Hansje en Grietje, Sneeuwwitje en Doornroosje. En in deel twee vinden we Roodkapje, Assepoester, De wolf en de zeven geitjes en Klein Duimpje terug. (Sprookjes van Grimm, Uitgeverij Het Spectrum, deel één 256 blz., deel twee 272 blz.)

Ronny De Schepper

(*) “Je moet die sprookjes beschouwen als een soort van inwijdingsritueel, dat vroeger bedoeld was om de toehoorders, zowel volwassenen als kinderen, te helpen om het leven beter aan te kunnen.” (Kamagurka in Weekend-Knack van 19/3/1997)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.