Eind jaren zeventig slaakte het theaterwezen in Vlaanderen een noodkreet : het uitblijven van de broodnodige subsidies wurgde het bijna. Minister Rika De Backer legde het er zo op aan dat de banken zich kunnen verrijken, terwijl arbeidsplaatsen dreigen verloren te gaan. Over dit alles hadden we een gesprek met Daan Bauwens.

Daan Bauwens maakt in opdracht van het Masereelfonds een sociologische studie over het theater in Vlaanderen. De bedoeling daarvan is de man in de straat wegwijs te maken in de theaterwereld. Wat er allemaal achter de schermen gebeurt, ontsnapt op dit moment immers totaal aan de publieke belangstelling, alhoewel hier toch gemeenschapsgelden mee gemoeid zijn. Verder houdt Daan zich ook bezig met het cultureel beleid van de overheid in zijn geheel, meer specifiek natuurlijk ook met het artistieke beleid van de diverse theaters en met publieksonderzoek. Als germanist aan de Rijksuniversiteit van Gent heeft hij verder nog meegewerkt aan een map over het strijdtheater in Vlaanderen en Nederland.
— Zoals blijkt uit het manifest van de Vereniging van Vlaamse Theaterdirecteurs is al het onheil omtrent de subsidiëring van gezelschappen terug te voeren op het Theaterdecreet. Kun je om te beginnen misschien eens schetsen hoe dat tot stand is gekomen en wat het precies inhoudt ?
Daan Bauwens :
Het theaterdecreet is er gekomen n.a.v. de toneelstaking van 1974 en nog vroeger de Staten Generaal
van acteurs, vakbonden, directeurs enz. in 1971 reeds. Van toen af heeft men aangedrongen op een globale regeling van het theaterbestel en die is er dan in 1975 gekomen (van kracht op 1 januari 1976). Men heeft in dat decreet vier categorieën theaters onderscheiden die ongeveer allemaal gelijk betoelaagd zouden moeten worden. De eerste categorie bestond b.v. uit de repertoiregezelschappen. Hiervoor stelde men als eisen dat ze 160 opvoeringen zouden geven, in zalen met 450 zitplaatsen, en zij moesten acht producties per jaar brengen. Eens aan die voorwaarden voldaan kregen zij een aantal artistieke ambten betoelaagd en ook 20% werkingstoelagen op die ambten. Het was ook zo dat men vaststelde dat er in totaal zes repertoiregezelschappen mogen komen, één in elk van de vijf Vlaamse provincies (voor West-Vlaanderen en Limburg zijn die er dus nog niet) plus het Koninklijk Jeugd Theater in Antwerpen.
De tweede categorie betreft de reizende gezelschappen, de derde kamergezelschappen en de vierde noemt men “gezelschappen voor experimenteel en vormingstoneel”. De normen van het decreet zijn hoofdzakelijk kwantitatief, dat betekent dat men het aantal opvoeringen telt het aantal producties en het aantal zitplaatsen. Het is dus voldoende dat de stoelen er stáán of ze ook bezet zijn, daar houdt het decreet zich niet mee bezig.
Op die manier wordt iedereen gesubsidieerd behalve de D-categorie die wordt betoelaagd op basis van een vooraf bepaald budget. Hoeveel men van een bepaald budget zal subsidiëren wordt beslist door de Raad van Advies.
Officieel zou het hier dus een objectieve subsidiëringspolitiek betreffen, maar als men even goed toekijkt dan ziet men al onmiddellijk dat dit niet zo is. Dat de eerste drie categorieën namelijk elk jaar reeds zeker zijn van hun subsidie en dat het overschot van de begroting voor de D-categorie is bestemd. Het is dus duidelijk dat hoe meer theaters er komen, hoe geringer de werkzekerheid wordt in deze categorie, want men moet steeds afwachten of men dat theater drijvende zal kunnen houden.
Impliciet houdt dat decreet ook in dat men op een bepaalde manier moet gaan werken. Dat men b.v. een stuk op zes weken tijd moet instuderen want anders komt men nooit aan 160 opvoeringen. De werking van experimentele groepen en strijdgroepen belet hen dus meer producties per jaar af te leveren en bijgevolg naar een andere categorie over te gaan en meer subsidies te krijgen. Het komt er dus op neer dat men het zeer traditionele theater bevordert en in stand houdt, meer dan dat vroeger het geval was.
— Kun je ook wat meer specifiek zijn voor de drie andere categorieën ? Welke groepen horen daarbij ?
D.B. :
In het decreet werd bepaald dat er zes reizende gezelschappen mochten komen. Op dit moment zijn er dat nog maar drie : het Reizend Volkstheater, het Mechels Miniatuurtheater en Antigone-Kortrijk. De C-categorie mag maximaal uit 15 kamergezelschappen bestaan (nu zijn er Arena, Fakkel-Meirtheater, Arca-NET, EWT-Randstadtheater, Toneelgezelschap Ivonne Lex, Nationaal Jeugdtheater en Jeugd en Theater). En de D-categorie is ongelimiteerd.
— Ook de « bevoordeelde » categorieën (A, B en C) klagen nochtans de subsidiëringspolitiek aan ?
D.B. :
Het is zo dat de subsidies voor het theater stééds te laat zijn gekomen en men had gedacht dat dit na het decreet anders zou zijn. Niets is natuurlijk minder waar, want om te beginnen wordt een theater per seizoen gesubsidieerd, terwijl de begroting jaarlijks wordt opgemaakt. Eens de Minister van Cultuur een bepaalde begroting heeft beslist, moet dat dan bovendien naar het ministerie van begroting, en dan naar dat van financies. Als die allemaal hun fiat hebben gegeven, moet het nog naar het rekenhof en tenslotte naar de koning die het moet bekrachtigen en de toelating geven om het effectief uit te betalen.
In het decreet werd nu voorzien dat de theaters maandelijks een voorschot zouden krijgen, maar dat krijgen ze niet omdat dat telkens door al die diensten moet. Ten tweede, als we een voorbeeld zouden nemen dat een theater tien miljoen krijgt en die hebben een voorschot gekregen van drie miljoen, dan moeten ze tegen juli van hun lopend jaar een exploitatierekening indienen, dat betekent dus al hun uitgaven en inkomsten. Op basis daarvan wordt het saldo van de hun toegezegde subsidies berekend. Dat gebeurt in de loop van juli-augustus, maar door al die diensten kan dat ten vroegste in de loop van december worden uitbetaald, ook al omdat we dan in een vakantieperiode zitten. Ondertussen is er natuurlijk een nieuw seizoen bezig en het gekke van de situatie is dat men de acteurs vanaf 1 september een contract moet geven.
Nu is het zo dat die theaters steeds maar groeien. Concreet betekent dat dus dat als ik tien acteurs aanwerf i.p.v. zeven, ik pas in december weet of die drie nieuwe zullen betoelaagd worden. Als ze niet betoelaagd worden, mag ik ze uit mijn eigen zak betalen. Anderzijds als ze wél betoelaagd worden, had ik er misschien net zo goed nog drie meer kunnen aannemen. Het is dus steeds een financieel risico, waarvoor men een zekere lef moet hebben, daar men reeds in een financieel zwakke situatie zit. Dat is dus een risico dat alle theaters, groot of klein, lopen, behalve de vijf « officiële » zoals men ze wel eens noemt, dat zijn de vier uit de A-kategorie plus het Reizend Volkstheater, die slechts voor de helft door de staat worden betoelaagd en voor de andere helft door stad of provincie. Dat betekent dus dat in de praktijk de stad of de provincie de financiële lasten draagt van deze gezelschappen als de staatssubsidies uitblijven.
– De strijdtheaters zitten allemaal in de D-categorie, de financieel meest kwetsbare categorie. Is het decreet dan zó negatief uitgevallen voor hen?
D.B.:
Neen. In feite is het decreet voor de Cultureel Frontgroepen (wat een betere benaming is dan strijdtheaters) positief uitgevallen. Dat geven ze dus zelf toe in die zin dat ze voor het eerst konden beginnen werken met professionele mensen. Zij kunnen hen m.a.w. een normale wedde uitbetalen, zij het dat die soms lager ligt dan in de andere gezelschappen omdat zij met meer mensen werken dan er gesubsidieerd worden. Hier zijn we dus bij de keerzijde van de medaille : ze zijn namelijk gebonden aan een aantal normen, waaraan ze door hun werkwijze bijna niet kunnen voldoen.
Maar ze hebben wel effectief meer subsidie gekregen. Voor 75-76 b.v. kreeg Vuile Mong helemaal niks, in 76-77 werd dat dan 500.000 fr en nu zit hij al aan drie miljoen vijfhonderd. Het grootste probleem echter is dat de Cultureel Frontgroepen in de praktijk functioneren als volwaardige beroepsgezelschappen zoals die uit categorie A, B of C, maar niet zo gesubsidieerd worden omdat hun werkwijze (collectief een stuk opbouwen b.v.) niet toelaat dat zij vier of meer stukken per jaar zouden brengen. Maar zij werken wel met contracten van onbeperkte duur wat meer verplichtingen meebrengt wat sociale zekerheid, anciënniteit e.d. betreft, dan de deelcontracten van twee maand voor elke productie waarmee de andere D-groepen werken. Eigenlijk hebben zij dus recht op meer subsidies want uiteindelijk is het decreet er o.a. gekomen om de tewerkstelling van de acteurs te verzekeren. Tenslotte komt het voor de staat goedkoper uit al die acteurs van de Cultureel Frontgroepen te subsidiëren dan hen allemaal te laten stempelen.
— Hoe dan ook, wat voor iedereen gelijk is, is het feit dat de subsidies te laat worden uitbetaald, zodat men verplicht is bij de banken leningen te gaan afsluiten tegen 10 tot 12 %. Dit levert intresten op van honderd duizenden franken. Daar men wordt betoelaagd op het verlies, worden ook deze intresten naderhand door de staat bijgepast. Uiteindelijk is het dus de gemeenschap zelf die opdraait voor dit wanbeheer van haar gelden ?
D.B. :
Het is inderdaad zo dat de intresten op de exploitatierekening mogen worden gezet. Anderzijds betaalt de staat
niet volledig het verlies. Als jij twaalf miljoen verlies lijdt en er was je maar een toelage van acht miljoen toegezegd dan moet jij maar maken dat je aan de overige vier ziet aan te geraken. Wat natuurlijk niet wegneemt dat de privé-banken zich op deze manier gemakkelijk kunnen verrijken. De toneelbegroting bedraagt nu ongeveer 300 miljoen. Tien procent hiervan gaat naar de banken voor het afbetalen van die intresten, dat is toch al een hele som ! Vorig jaar reeds had in dat verband Manu Verreth (Mechels Miniatuur Theater, wellicht het beste gekend als Jomme Dockx uit de Collega’s, red.) aan minister Eyskens voorgesteld dat de staat zelf een lening zou afsluiten voor alle gezelschappen bij het Gemeentekrediet, omdat de staat daar kan lenen tegen 2 tot 3 % tegenover de 12 % die de meeste gezelschappen moeten betalen bij een privé-bank. Verreth stelde dan ook voor dat men die 2 tot 3 % zelfs mocht aftrekken van de subsidies omdat er uiteindelijk nu veel meer afgaat. Om allerlei — uiteraard duistere — redenen bleek dat niet mogelijk. Daar zitten twee conclusies aan vast : het feit dat de staat banken « subsidieert » is uiteraard hoogst verwerpelijk (het zou wel eens interessant zijn om na te gaan of dat ook op andere begrotingsposten gebeurt), maar ook dat zij een voorstel tot besparing uitgaande van de gezelschappen zelf verwerpt. Nu schijnt (maar er schijnt zoveel, zelfs de zon schijnt nog, red.) het dat dit voorstel opnieuw op de proppen is gekomen en dat het deze maal wel kans zou maken, maar het eigenlijke probleem is toch dat geen enkele subsidie ooit tijdig zal kunnen worden uitbetaald vanwege de administratieve weg die telkens dient gevolgd.
— In die lange administratieve weg werpt die fameuze Raad van Advies blijkbaar het meest gewicht in de schaal: hij bepaalt wie in aanmerking komt voor toelagen en voor hoevéél. Hoe is die raad samengesteld ?
D.B. :
Die is samengesteld op basis van de verdeling van de zetels in de cultuurraad.
– En zijn dat werkelijk politiekers of eerder mensen die er iets van kennen maar “toevallig” ook een politieke lidkaart hebben ?
D.B. :
Men doet daar hoogst onduidelijk over maar de realiteit is toch wel zo dat uiteindelijk de partijen, de daaraan verbonden culturele organisaties of zelfs vakbonden letterlijk gevraagd worden of ze iemand willen afvaardigen naar
die raad. Alles bij elkaar is het dus een betrekkelijk toeval dat er zoveel theatermensen in zitten. Daar de officiële theaters een politiek samengestelde raad van beheer hebben, vertegenwoordigt elke directeur van zo’n theater ook wel degelijk een bepaalde partij en op die manier zijn die ook in die Raad van Advies vertegenwoordigd. Van de D-groepen evenwel zit er geen enkele directeur in die raad, en zeker niet van de Cultureel Frontgroepen omdat die groepen zelfs geen directeur hebben, maar een collectief beheer. Uiteindelijk krijg je daar dus een overlapping van belangen.
— Tot slot, hoe zit het nu met de subsidies van het Masereelfonds ?
D.B. :
Die zijn eind vorige week toegekomen. Hier heb je dus net hetzelfde patroon als bij dat theaterdecreet : de kleintjes geraken constant in moeilijkheden, terwijl de groten steeds maar meer floreren. Dat is inherent aan de subsidiëringspolitiek zoals die nu gevoerd wordt en die erop neerkomt dat je net genoeg hebt om professioneel te kunnen beginnen werken, maar dat je dan ook aan handen en voeten gebonden ligt aan dat geld. Binnen de kortste keren zit je immers in moeilijkheden daar de subsidies uitblijven en je als kleine organisatie geen mogelijkheden hebt, geen geldschieters, geen waarborgen en noem maar op. En ook veel minder politieke steun uiteindelijk, omdat de wetten en de decreten op de leest geschoeid zijn van grote culturele organisaties en de grote partijen.

Ronny De Schepper

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.