Een vader… Het is een wat dubbel iets. Enerzijds betrokken, anderzijds toch toekijkend van de zijlijn. Een ietwat aarzelend fenomeen. Of ik het zelf zo sterk ervaren heb, niet bepaald. Al zal ik, vooral in de prille jaren van de kinderen wel toch vooral met enige afstand het zich ontrollend tafereel aanschouwd hebben. Niet dat ik geen pamper ververste of een flesje warmde en de speen tussen hun lippen wrong, dat wel. Maar de essentie? En ja, wat was die essentie, dat vraag ik me nu nog af. Het bleek met kleinkinderen makkelijker en logischer te zijn, vreemd toch. Maar goed, een vader, mijn vader, over hem wou ik het hebben. En bij hem speelde het wel sterk vermoed ik. Wat mij betreft, over zijn relatie met mijn negen jaar oudere broer kan ik me niet uitlaten. Naar mij evenwel is hij steeds blijven kijken vanop een veilige afstand, zo leek het; terwijl hij zich allicht – zonder dit te kunnen of te mogen uiten – ten zeerste bekommerde om mijn zieleheil en materiële welbevinden. Dat had zijn oorzaak. Besefte ik later, langzaam, steeds beter.


In enkele Hoekjes schreef ik reeds over hem. Vooral over zijn escapades in het theater. Eerst in de woonplaats van zijn jeugd Boom, daar vandaan sleepte hij voor de rest van zijn (en ons) leven de oneliner “Hij komt, hij komt, Blaak de goddelijke” mee. Daarna in de stad waar hij zich sedert zijn huwelijk vestigde bij de toneelvereniging Sint-Genesius om er de secretaris van te worden. Maar om er ook nog enkele podiumprestaties neer te zetten zoals de opmerkelijke rechter in ‘Tien kleine negertjes’ of zelfs onder mijn regie in het wagenspel ‘Het esbattement van den appelboom’. Ook onze reizen naar Dover vermeldde ik reeds, en de legale smokkeltochten naar Aken. En uiteraard kwam hij aan bod toen ik het had over de familiebijeenkomsten, zeg maar feesten, in de zaal van mijn tante Rosa. Of bij onze jaarlijkse verblijven aan zee waar hij als RTT-bediende aan de slag was. Nee, hij was dus niet uit mijn leven weg te denken. Toch speelde hij een zeer geringe rol. Hij had geen invloed op wat rondom mij of met mij gebeurde. Een toeschouwer, bijwijlen geïnteresseerd, veel meer leek hij niet te zijn. Die sociale, goedlachse, rondbuikige man, die binnenshuis vooral een stille aanwezigheid was en nooit liet peilen wat hem beroerde, wat diep in hem omging, een binnenvetter. Hoezeer hij zich om mij bekommerde en wat hem verontrustte. Pas later besef je waar zijn kwetsuren waren, welke wonden hem waren toegebracht, hoe diep ze waren. Dat de gelijkmoedigheid van zijn karakter dit alles jaar na jaar verdroeg, het leven zoals het was meesleepte. Dat de lach, het sociale, de uren na de vergaderingen in het café, dat dit alles het schild was om de realiteit van een innerlijke pijn te verdragen.
Hij bezat dus wel dat sociale maar een voorvechter was hij allerminst. Dat bleek overduidelijk, voor mij en in de loop der jaren steeds duidelijker omdat ik er meer oog voor kreeg én omdat het helaas ook manifester werd, binnen het gezin. Tussen ons drie dan want de oudere broer verdween geleidelijk van het toneel, meer uithuizig en tenslotte vroeg gehuwd. Vader onderging de dominantie, evoluerend tot subtiele tirannie van zijn echtgenote lijdzaam. Met de glimlach. Het was trouwens een psychisch spel, ik vraag me nu nog af in hoeverre hij het zelf besefte en eronder leed. Meestal trachtte hij zelfs haar buitensporigheden te verdedigen, gedrag te vergoelijken, daarbij zichzelf wegcijferend. Zij was de dominante, steeds geweest. Zoals zij ten tonele verscheen tijdens de oorlog in het verzet. Hij bleef aan de zijlijn, bevend toen de SS haar uit de woning weghaalde en naar de gevangenis in Gent bracht. Hij was op dat ogenblik, opgeëist als ‘controleur’; moest in het Waasland bij de landbouwers onderzoeken of ze niet meer dieren bezaten dan ze officieel hadden gemeld, bezit van gewassen e.d. Geen geliefd persoon tenzij… ja hij kneep blijkbaar veel oogjes dicht, wat hem talrijke vrienden in de streek bezorgde, en er voor zorgde dat zijn gezin geen honger had die jaren. Dat kan dus niet de oorzaak geweest zijn van zijn hamsterwoede: het lokaaltje op de eerste verdieping van het huis dat volgestouwd werd met blikjes, glazen potten, tabletten chocola, suiker, alle niet aan bederf onderhevige voedingswaren. Voldoende om een kleine kruidenierszaak te starten. Of een derde wereldoorlog te overleven. Maar een held was hij niet. Wel op zijn wijze sociaal. En hij had de streek leren kennen. Onder lichte, of sterke, aandrang van zijn echtgenote, en gestimuleerd door het feit dat zijn betrekking bij de RTT soepele werkuren en veel vrije tijd bood, heeft hij jarenlang een tweede job uitgeoefend: vertegenwoordiger. Rondrijden in de Wase polders, dat moet hem wel zeer gezind hebben. Ook later kon hij ons nooit ergens heen brengen of hij maakte talloze omwegen, met daarbij vaak tot onze ergernis, ellenlange uitweidingen over familiale toestanden van boer zus en boerin zo, en molenaar x en veldwachter y telkens we een herkenningspunt uit zijn verleden – en ze waren talrijk! – voorbijreden. Het andere aspect, al die kleine winkeltjes in de dorpen binnenstappen om daar zijn goederen uit te stallen (een tijdje waren het salonpoppen, geschikt om als pronkstuk in de zetel in de ‘mooie kamer’ te fungeren; daarna trachtte hij dekens, truien, sjaals van de firma Mantra te slijten) dat moet hem minder gezind hebben vrees ik. Hij was er de man niet naar om te overtuigen, en al helemaal niet om – beseffend dat de twee poppen die hij zou kwijtraken in dat kleine dorpswinkeltje over acht jaren nog bestoft op de plank zouden liggen – aan te dringen op de koop. Zo harteloos of geldbelust, nee… Dus denk ik dat hij vaak met klamme handen zo’n drempel overschreed en dat het geklingel van het belletje pijnlijk was voor zijn oren. De idylle dat was het rondtoeren. En rijk is hij niet geworden. Toeren, beperkt, grote reizen hebben mijn ouders samen niet gemaakt. Hij wel, en tamelijk avontuurlijk, wat ik niet zo dadelijk zie accorderen met zijn aard. Er getuigen een aantal foto’s: meerdere trips per fiets met collega’s, naar Duitsland, de Moezel en de Rijn, slapen in de tent, kamperen, buiten kokkerellen. Het waren de eerste huwelijksjaren. Ik heb hem nooit meer zo sportief gekend, zelfs niet meer in het bezit van een fiets! Die was, toen ik tot de jaren van besef kwam, al vervangen door een gemotoriseerd vehikel. Aan de Moezel hield hij wel een verhaal over dat hij menigmaal in gezelschap graag vertelde. Het fietsen moe had hun kleine bende besloten een afstand tussen twee dorpen per plezierboot af te leggen. Laat zich nu op dat schip een gezelschap bevinden dat op de plaats van bestemming verwacht werd voor een officiële ontvangst. Men legt aan en – toeval – papa stapt als eerste aan wal, hij ziet er, joviaal glimlachend en rondbuikig uit als een geboren en gezworen Duitser. De burgemeester van het dorp wuift de dirigent het magische gebaar toe, de blaaskapel start het oorverdovend getoeter en de eerste burger stormt op mijn verwekker toe met de woorden “Herr Direktor, herzlich willkommen”. Het kostte vader zijn beste Duits om de brave man van de identiteitswissel te overtuigen. Maar de vrienden mochten dan wel aanschuiven voor een welkomdrank om alles weg te lachen.     
Mijn vader. Hij schonk mij zijn familienaam. Zoals dat gebruikelijk is. Hoewel de wet momenteel ook een andere mogelijkheid voorziet. Minder voorkomend is evenwel dat ik meteen zijn voornaam meekreeg. Marcel. Nee, de naam onder dit Hoekje is een pseudoniem, laat u niet misleiden. Marcel dus, maar nooit gebruikt: roepnaam Marc, want mijn ouders hadden voor het kleine mormel dat ik was een afkeer van die voornaam. Waarom dan? Het was de schuld, zo vertelt de geschiedenis, van mijn oma – moeder van mama, die een grenzeloze bewondering, verering bijna koesterde voor mijn vader, haar schoonzoon. En eiste, de tirannie zat in de familie, dat deze pasgeborene te zijner ere zijn voornaam zou dragen. Waarom ze niet weigerden? Geen idee. Een erfenis kan niet gespeeld hebben want het mens bezat geen sou. Hoe dan ook, ik zou en zal tot het einde van mijn dagen de identiteit van mijn vader met mij dragen. Op alle documenten. Wat toen ik in de familieschoot woonde nog wel eens verwarrend kon zijn.
Herinneringen aan hem? Tedere? Nauwelijks. Toen ik klein was moet hij me wel op schoot genomen hebben en nu borrelen flarden van liedjes of gedichtjes in mij op die over zijn lippen kwamen. “Naar bed naar bed zei Duimelot, eerst nog wat eten zei Likkepot…”. “Te Lourdes op de bergen stond er nen elektrieken tram, niemand wist hoe dat da kwam…” en “We rijen naar Mechelen toe om zeep, om zout, om suiker en om smout.” Hoeveel maal zou ik die zinnen van hem gehoord hebben. Later is de communicatie helaas verwaterd. Hij was hoofdzakelijk een stille, zwijgende aanwezigheid. Bakkend en kokend soms, want dat deed hij graag, met liefde en uitstekend. Op zaterdag geurde het huis steevast naar zijn soep. En eten, smullen, zijn grote liefde; merkbaar aan het volume buik dat hij torste. Gezellig dik, zonder ooit de grens van het overgewicht te bereiken. Maar veel contact bestond er niet meer tussen ons. Alles verliep blijkbaar via het hoofd van het gezin, zij moet hem, voor zover het haar behaagde, op de hoogte gehouden hebben van mijn doen en laten. En omgekeerd: van zijn ideeën mochten deze die betrekking hadden op mij en mij van nut waren – een zeldzaamheid, die informatie bedoel ik, sijpelde slechts zelden iets door. Alsof ik nauwelijks bestond voor hem. Wat, besefte ik veel te laat, nu net niet zo was. 
Er waren momenten… Een uitstapje, een dag, naar Frans-Vlaanderen. Hij genoot intens van dat ‘samen’ op stap zijn, zijn echtgenote, mijn moeder, was er niet bij. En de reeds vermelde reisjes naar Dover en Aken, ook wij twee. Eén zo’n trip, de terugkeer vanuit Oostende, bracht ons gedurende enkele uren nauw samen. Zijn manie tot rondreizen en de idee dat hij via Nederland sneller thuis was, liet hem besluiten zo de nachtelijke terugrit te plannen. Waar ons midden de Hollandse akkers een mist overviel, zo dicht dat hij zelfs het wegdek niet meer kon zien. Met een slakkengang van enkele kilometers hebben we gedurende enkele uren onze vier ogen gebundeld om niet in een sloot te belanden, of tegen een boom te… knallen kon je het niet noemen aan die snelheid. Spannende ervaring, intieme beleving. Hoe twee mensen woordeloos intens samen kunnen zijn. Och ja die auto, een sinaasappelkleurige R4, geen kussens maar de zitplaatsen waren een soort zeildoek, gespannen op metalen buizen. Ooit, tijdens een rondrit door zijn geliefde polders, botste papa tegen een losgebroken en de verkeersregels aan zijn of haar laars lappend varken. Gevolg van de schok (in combinatie met het gewicht van de chauffeur en de geringe draagkracht van het ondersteunend doek): het zeil scheurde en de eigenaar van de wagen belandde met zijn derrière op de bodem van de auto (die gelukkig standhield). Geholpen door de eigenaar van de booswicht krabbelde hij overeind en kon, met een plank waar je een zetel verwacht, zijn toeristische uitstap verderzetten. Het varken kwam er met de schrik en een suffe kop vanaf blijkbaar.
Auto’s, later bezat hij een luxueuzer model. Ik kreeg de oude wagen, niet de R4, die was reeds ter ziele. Het werd een nogal triest cadeau. Een weinig fraai slot. Hij had zich net een nieuwe auto aangeschaft die op een bewuste avond in onze garage stond te niksen toen hij naar een vergadering moest. De oude, inmiddels plechtig aan mij overgedragen, bevond zich voor het huis. “Of hij toch niet nog eventjes deze kon gebruiken om zich te verplaatsen?” Uiteraard. Helaas. Glaasje op… Midden in de nacht telefoon van de politie: hij had, behoorlijk in de wind, een geparkeerd vehikel geramd en bevond zich roes uitslapend in een cel, weliswaar met open deur want hij had claustrofobie. En de auto, sedert vier dagen dus mijn auto: tot schroot herleid. Dan – tekenend voor de relatie, daarom dit verhaal – hoe de communicatie verliep: via moeder vernam ik dat hij mij een andere tweedehands auto zou kopen. Ik liet weten dat ik daaraan geen behoefte had, overbodige luxe, ik had geen auto nodig… Antwoord alweer via moeder: tranen van opluchting en dankbaarheid. Tussen hem en mij werd over het gebeurde geen woord gewisseld…
Hij moet ook heel wat te verduren gehad hebben met mij. Mijn bizarre hippiekleding bijvoorbeeld, dat moet hem een doorn in het oog geweest zijn. Desondanks trotseerde hij omwille van mij veel stormen besef ik. Wat moet hij gevoeld hebben toen we met het toneelgezelschap optraden in een kazerne in Duitsland, ik daar uit de autobus stapte in mijn lange jas in (namaak)bont tot hilariteit van de verzamelde boefers. In onze stede was men mijn bizarre verschijning gewoon maar hier natuurlijk… En welke harde woorden zijn er gevallen binnen de toneelkring op het ogenblik dat zijn zoon besloot te regisseren bij het concurrerend genootschap – blijkbaar heeft hij, de zachtmoedige, mij toen met hand en tand verdedigd. En hoe zal hij geleden hebben onder mijn depressies – onbegrijpend, gedwongen tot toekijken aan de kant, uitgerangeerd, nauwelijks geïnformeerd door zijn echtgenote die reeds jarenlang hààr welp afschermde.
Communicatie tussen ons, ze ontbrak vrijwel volledig. Dat bleek nog eens des te dieper toen mijn broer, 25 jaar, verongelukte. Ik was op school toen het bericht over het fatale mijn ouders bereikte. Het werd de droeve plicht van mijn vader om mij het gebeuren te melden en naar huis te halen. Aan de prefect die mij uit het evenement waaraan ik op dat moment deelnam moest verwijderen had hij allicht de toedracht verklaard maar ik werd enkel op de hoogte gesteld van het feit dat mijn broer een ongeval had. Meer kreeg hij in de auto niet over zijn lippen. Zodat het definitieve mij pas plots nogal ongenuanceerd duidelijk werd bij aankomst in de living bij moeder en huisdokter wat hem een bitter verwijt opleverde “dat hij hét mij nog niet eens gezegd had”. Hij had het duidelijk niet gekund, de woorden niet kunnen, durven formuleren; de werkelijkheid niet in taal omzetten. Vooral niet tegenover mij, die andere zoon voor wie hij nooit taal ter beschikking had… En zo zou hij het verlies in stilte blijven verwerken. Tot zijn eigen te vroege overlijden. Jarenlang leefde hij met een pacemaker tot hij genoodzaakt was afhankelijk te worden van permanente zuurstof. Twee à drie jaren bleef hij, die zo genoot van het sociale, de vergaderingen met café-achterafjes en toneelrepetities, gedoemd tot huisarrest, geklonken aan de grote zuurstoffles en pendelend tussen een bed in de voorkamer en zijn zetel in de living. In die zetel zat hij te schaterlachen toen ik hem tijdens mijn middagpauze eventjes gedag ging zeggen; hij had een familievriendin op bezoek… Zij was het die mij een uur later kwam verwittigen: hij was lachend, vrolijk plots overleden. Moeder de tragédienne, zij wist er een theater van te maken: zij zou hem, de geliefde, het huis niet uitsturen. Hij werd op een elektrisch snorrend koelend element opgebaard in de woning. Dicht bij haar, de vrouw die – toen ik een kwartier na zijn overlijden in huis arriveerde – aan het telefoneren was naar de bank om de nodige regelingen te treffen betreffende het veilig stellen van rekeningen en spaarboekjes… Exit vader. In stilte, zwijgend wat mij betreft. 
Het vaderschap. Iets vreemd. Er is heel wat over te zeggen. Er is ook veel over gezongen blijkt: ooit stelde mijn zoon een cd samen, ter gelegenheid van Vaderdag 2005, met liedjes over vader. Papa Classics Compiled. Wel, niet alles was zijn noch mijn muzikale smaak, getuige de aanwezigheid van Bob Scholte (Vadertje lief). Natuurlijk was er ‘Papa was a rolling stone’, en van Fleetwood Mac ‘Oh Daddy’, ‘Sugardaddy’ van Billy Bragg, Madonna en George Michael (Father Figure). Nederlandse: Doe Maar met ‘Pa’ en Kinderen voor Kinderen met ‘Ha, ha, ha, je vader’. En dat vreemde met breekbare intro van Siouxsie and the Banshees ‘Mother/Oh mein papa’. Tenslotte de favorieten, Morrissey ‘Don’t make fun of daddy’s voice’ en Nick Cave ‘Papa won’t leave you, Henry’.
Mijn vader. Er prijkt een foto van hem – naast deze van mijn broer – in onze ongebruikte open haard. Alleen zijn gelaat is te zien. Hij toont zijn wat schuchtere, bescheiden, teruggetrokken glimlach. Veel mysterie gaat er niet achter schuil. Het is woordeloos. Maar liefde, ja liefde die moet er toch wel ergens in verstopt zitten, hoe moeilijk het ook was haar te uiten. Na zoveel jaren blijkt dat de grens van de dood misschien niet zo groot is, dat ik me pas nu dieper en echt bewust word van zijn echte gevoelens, van wat werkelijk in hem leefde maar waarin hij nooit slaagde het te communiceren. Noch ik om het te ontvangen.  

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.