Hieronder volgt een interview met Hugo Claus dat ik niet zelf heb afgenomen (wat niet zo erg is, ik kan het niet allemaal zelf doen), maar ik weet bij god niet meer waar ik het heb gehaald. Het enige aanknopingspunt is het woord “Jonas”. Maar waarvoor staat het? Is het de voornaam van de interviewer? Of de titel van een tijdschrift? Ik heb ook totaal geen idee over wannéér het interview is afgenomen. Aangezien ik het zelf op een bepaald moment over het behalen van mijn rijbewijs heb, ben ik maar van die datum (5/12/1989) uitgegaan.

De eerste vraag die “Jonas” stelt is: “De drukte rond de prijzen die u heeft gekregen onlangs is nu een beetje voorbij. Hoe voelt u zich achteraf?”

Hugo Claus: Ik voel me zoals ik me altijd voel. Die ontvangst van prijzen is één van die randverschijnselen die je moet meemaken als ze zo goed zijn om je geld te geven, en het minste dat je kan doen is dat te gaan ontvangen, en vriendelijk zijn. Daaraan was gekoppeld een tournee, waarop ik uit eigen werk heb voorgelezen. Dat viel nogal mee, want een groot aantal mensen hebben me het plezier gedaan te komen luisteren. Ik vind die formule van vragen beantwoorden uit het publiek achteraf een beetje ongelukkig. Elke keer las ik iets voor en dan was er een gelegenheid tot vragen stellen. Dat is een beetje sukkelachtig verlopen. De mensen durven niet, ofwel zijn het van die rare blaaskaken die stomme vragen stellen. In Antwerpen was er een die vroeg: wat zou je doen als ik je nu binnen de minuut neerschoot? De zeden zijn wel veranderd, nietwaar, tien jaar geleden zou je op een literaire avond zo’n pathologische vragen niet hebben gehoord.
– Dat wou ik net vragen: heb je wel eens last van jaloerse of gekke mensen die je aanklampen of verwensingen maken ?
H.C.:
Ja, dat hoort erbij. Ik krijg brieven van krankzinnigen of mensen die zich tekort gedaan voelen, die b.v. een manuscript hebben opgestuurd naar mijn uitgever, en dat terugkrijgen, en op één of andere manier vinden ze dat ik daar verantwoordelijk voor ben, en hun schizofrenie komt dan bij mij terecht.
– Ik denk aan Woody Allen in “Stardust Memories”, als hij door een gek wordt neergeknald. Heb je daar geen schrik voor?
H.C.:
Nee, het is pas achteraf dat ik dacht: iemand die zulke vragen stelt als in Antwerpen zou best ook iemand kunnen zijn die dat effectief doet. Het zijn toch rare kronkels. Maar goed, je kan ook onder een bus geraken…
– Iedereen herkent je op straat. (Hierbij moet ik vooral denken aan… mijn rijexamen. Wil dat toch wel lukken, zeker, dat ik op dat moment Claus tegenkom op straat! Ik kon het natuurlijk niet nalaten om te claxoneren. Uiteraard kreeg ik een berisping van mijn examinator – die ik overigens moest uitleggen wie Hugo Claus wàs! – maar ik werd er gelukkig niet voor gebuisd!, RDS) Zou u niet liever teruggaan naar de tijd dat u anoniem door het leven kon gaan ?
H.C.:
Ik heb daar geen last van. Ik ben niet zo’n caféloper en heb geen erg groot sociaal leven in deze stad. Ik ben geen lid van verenigingen, noch van kaartersclubs.
– Sommige beroemde mensen hebben wel eens het gevoel dat ze in een gouden kooi zitten, en hebben schrik om herkend te worden.
H.C.:
O nee, dat heb ik normaal niet. Ik heb door de jaren nogal een techniek ontwikkeld om me daar tegen af te zetten. Ik zie precies hoe mensen staan te gapen, of mekaar aanstoten om te zeggen: kijk, daar loopt-ie. Door mijn techniek van assimileren is het precies of ik dat niet zie. Het wordt vervelender als iemand tegenover je in de trein gaat zitten en begint te kwebbelen als je daar geen zin in hebt. En dan word ik soms een beetje onbeleefd.
– Heeft u nooit interessante gesprekken met vreemdelingen, of blijft dat banaal?
H.C.:
Ik heb gemerkt dat het soort mensen wat je aanklampt het soort is dat ik liever niet ontmoet. Ik verkies mijn gesprekspartners zelf te kiezen. Het is niet omdat je iemand op televisie hebt gezien dat je die moet lastigvallen met verhalen over hoe ziek je moeder is. Allemaal hebben ze ook gedichten geschreven, of hebben ze een zoon die gedichten schrijft.
– Vragen mensen je nooit eens iets over je werken ?
H.C.:
Zelden. Het gaat eigenlijk vooral om de persona. Ze denken dat ze weten wie je bent, uit de pers of zo, en dat is een totaal vertekend beeld.
– Zijn er dingetjes binnen uw reputatie die regelrecht in tegenstelling staan tot de werkelijkheid?
H.C.:
Ik hoor wel eens dat ik zeer arrogant overkom, als iemand die het altijd beter weet. Dat doe ik wel eens, maar dat strookt niet met de werkelijkheid. Dat is mijn manier om me te gedragen t.o.v. mensen die ik vervelend vind. Ik ben niet werkelijk arrogant, ik speel het alleen maar om mensen van me af te houden, uit zelfverdediging.
– Een andere steeds weerkerende opmerking zal wel over uw inkomen gaan…
H.C.:
Ik kan niet eens van mijn schrijven leven. Ik moet allerlei opdrachten aanvaarden, waar ik me niet voor geneer, maar die ik niet uit mezelf zou doen.
– Interesseert het element zelfmoord u?
H.C. (lacht):
Waar stuurt u eigenlijk op aan, mijnheer?
– Er zijn nogal wat zelfmoorden nu.
H.C.:
Ja, er zijn nogal wat zelfmoorden tegenwoordig. Opvallend hoeveel moeders mij schrijven over de zelfmoord van hun jonge kinderen, of van studenten. Bij de beroepen is het de rijkswacht waar er het meeste zijn, rijkswacht en politie. Wist je dat?
– Ik had gedacht dat het de leraars zouden zijn…
H.C.:
Leraars? Nee, bij de rijkswacht, en ik wijt dat aan de ontmenselijking van hun opleiding, bij mensen die daar mentaal niet tegen kunnen. Op dat punt sta ik b.v. altijd aan de kant van de politie, tegen de studenten. (Een hardnekkig verhaal is dat Claus de hulp van de politie heeft ingeroepen om hardhandig krakers uit zijn huis in Amsterdam te laten verwijderen.)
– U bent tegen studenten ?
H.C.:
Ja, studenten zijn mijn bêtes‑noires, en ook soldaten. De politie die daar bij betogingen b.v. moet staan zweten in dat hete pak, moet wachten op bevelen om te kunnen exploderen, dát zijn de underdogs. Dát is de echte verdrukte. Niet die verwende moederskindjes die zich verongelijkt voelen. De echte proleet is de politieman. Hij weet van niet beter. Studenten hebben een prinsenleven, zijn geprivilegieerd, dus moeten ze niet zeuren.
– U vindt dat ze misbruik maken?
H.C.:
Ja, iedereen weet dat van 80 procent van die studies niks terecht komt, dus vind ik het Viel Lärm um Nichts.
– Bent u niet een beetje jaloers omdat u nooit hebt mogen studeren?
H.C.:
Ja, natuurlijk, pure rancune, maar daarom is het niet minder waar.
(foto Jan Mariën)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.