Het is vandaag 155 jaar geleden dat in de slag van Sand Creek de Cheyennes bijna volledig werden uitgeroeid.

Alcide doet het verhaal: “Après plusieurs années de combats entre l’armée américaine et les Cheyennes, ceux-ci sont contraints à se rendre en septembre 1864. La rencontre entre des délégués américains et des chefs de tribus dont Black Kettle, amène à un accord et la tribu de Black Kettle campe à 40 milles du Fort Lyon se croyant sous leur protection. Le colonel John M. Chivington, missionnaire, éprouvait une haîne sans borne envers les Indiens et prônait le génocide. Aux premières heures de la journée du 29 novembre 1864, il était à la tête d’un régiment de volontaires du Colorado en direction de la réserve Cheyenne de Sand Creek, où une bande conduite par Black Kettle, un chef pacifique bien connu, avait établi son camp. Les officiers de l’Armée Fédérale avait promis la sécurité à Black Kettle s’il retournait dans la réserve, et de fait il faisait flotter le drapeau américain et le drapeau blanc de trêve au-dessus de sa tente, mais Chivington ordonna néanmoins une attaque contre ce village sans méfiance (défense). Après plusieurs heures de combat, les volontaires du Colorado avaient perdu seulement neuf hommes dans ce processus meurtrier, contre 200 à 400 Cheyennes, la plupart des femmes et des enfants. Après le massacre, ils scalpèrent et mutilèrent sexuellement de nombreux corps, avant d’exhiber leurs trophées devant les foules en délire de Denver. Chivington fut d’abord largement félicité, puis le Congrès commença une enquête au sujet de Sand Creek. Aucune charge criminelle ne fut retenue contre lui. Un juge de l’Armée, cependant, déclara publiquement que Sand Creek avait été: “a cowardly and cold-blooded slaughter, sufficient to cover its perpetrators with indelible infamy, and the face of every American with shame and indignation.” Bien qu’il ne fut jamais puni pour son rôle dans le massacre de Sand Creek, Chivington en paya moralement le prix, en vivant la fin de sa vie écarteéde la société.”
Deze slachting is te zien in de western “Soldier blue” van Ralph Nelson (1916-1987) uit 1970. In de tijdsgeest van toen was dit eigenlijk een allusie op de zinloze slachtingen in de Vietnamese oorlog. De hoofdrollen werden vertolkt door twee televisiegezichten, namelijk Candice Bergen (“Murphy Brown”) en Peter Strauss (“Rich man, poor man”). Hoe het met Peter Strauss zat, weet ik niet, maar Candice Bergen (die ooit eens heeft gezegd: “Ze zouden Nixon moeten vermoorden”) was wel degelijk zelf politiek geëngageerd. Zo vormde ze samen met Ring Lardner jr en Howard da Silva in die tijd de eerste culturele missie naar China. (*)
In datzelfde jaar draaide Joe Mankiewicz “There was a crooked man”, waarin hij de klassieke mythologie van de western ondergraaft. Henry Fonda is bijvoorbeeld wél de ordehandhaver maar niét integer, terwijl Kirk Douglas sympathieker overkomt, maar hij blijft wel een schurk.
Rond die tijd werd ook “A man called horse” als “innoverend” beschouwd. Toen echter begin 1999 de indiaanse hoofdrolspeler Iron Eyes Cody overleed, werd hij geout als Oscar De Corti, een Italiaanse immigrant, die geen spat indianenbloed in zijn aderen had. Om de gemoederen te sussen deelde zijn zuster mee dat hij al sinds hij een kind was de indiaan wou uithangen. Men kan dus stellen dat deze man een geslaagd leven heeft geleid.
Maar het was uit zijn moederland dat de échte revolutie zou komen. Met name dus“Jeremiah Johnson” van Sydney Pollack uit 1972, die de nadruk legde op de cowboy als “loner”, een thema dat vaker terugkeert, b.v. in “Man without a star” van King Vidor uit 1955 met Kirk Douglas in de hoofdrol. Over het algemeen wordt deze film als een meesterwerk beschouwd, alhoewel Vidor zelf hem afzweert omdat hij door de producers zou verminkt zijn.
In die tijd (de vroege jaren zeventig dus) hadden een paar belangrijke incidenten plaats tussen de Indiaanse bevolking en de Amerikaanse regering. In 1973 was er de bezetting van Wounded Knee (omwille van de symbolische waarde, ook in 1890 was dit immers reeds het toneel van verzet tegen de overheid), waarover bij mijn weten tot nu toe nog geen film werd gedraaid. Twee jaar later was er een schietpartij in Oglala, waarbij twee FBI-agenten werden gedood en de Indiaan Leonard Peltier zonder al te veel bewijsmateriaal werd veroordeeld (hij zit voor zover ik weet nog altijd in de gevangenis). Dit was aanleiding voor de documentaire “Incident at Oglala” en de fictiefilm “Thunderheart”, beide gedraaid door Michael Apted in 1992.
POCAHONTAS
Eén der grootste filmflops aller tijden was “Heaven’s Gate” van Michael Cimino uit 1980. Het draaide ook de “western” definitief de nek om. Althans zo dacht men. Maar dan bracht Kevin Costner “Dances with wolves” uit.
Tijdens de opnames sprak men van “Kevin’s gate” of “Costner’s last stand” (een allusie op de nederlaag van generaal Custer), maar het bleek uiteindelijk een reusachtig succes. En terecht. “Dances with wolves” zorgde voor een heropleving van het genre, maar dan wel heel anders dan in de tijd van John Ford of zelfs Sergio Leone, al kan b.v. “Broken arrow” van Delmer Daves als een voorloper van “Dances with wolves” worden beschouwd. De jongste jaren worden films immers vooral getoetst op hun “political correctness” en dat mag dan zowel voor de zwarten als voor de indianen zelf een zegen zijn, eerlijkheidshalve moeten we toch aanstippen dat de films zelf er vaak een zeurderig karakter door kregen. Bovendien was het niet altijd een garantie: in 1995 was er b.v. nog een grote discussie rond de Disney-tekenfilm “Pocahontas”.
De legende van Pocahontas is gebaseerd op het boek van John Smith, dat in 1607 werd geschreven en in 1624 in boekvorm uitgegeven. Op dat moment was Pocahontas al dood (al was ze in 1607 pas tien of elf jaar), evenals alle andere mogelijke getuigen, en zo is zijn verhaal de geschiedenis ingegaan, al beantwoordt het wellicht niet aan de realiteit. Wat we zeker weten is dat in 1607 drie schepen uit Engeland met aan boord zowat honderd kolonialen aanmeerden in wat zij later de baai van de James River zouden noemen en de nederzetting zelf kreeg de naam Jamestown.
John Smith was geen jonge blonde Adonis zoals in de Disney-tekenfilm (waar hij de stem van Mel Gibson meekrijgt), maar een oude rosse zeerot van een jaar of vijftig. Hij wierp zich op als leider van de gemeenschap, toen die op korte tijd was gedecimeerd door ziekte en ontbering, maar ook door aanvallen van de indianen uit de streek, volgens mijn ene bron (Mon Devoghelaere in Het Laatste Nieuws van 19/11/1995) de Mataponi-stam, volgens mijn andere (anonieme) bron in De Standaard van 3/8/1998 gaat het echter op de Powhatan-indianen. Je zou geneigd zijn om in deze materie De Standaard meer te vertrouwen dan Het Laatste Nieuws, maar als Devoghelaere eraan toevoegt dat het opperhoofd van de Mataponi Powhatan heette, dan vraagt een mens zich toch af of De Standaard niet een beetje slordig is geweest…
Maar goed, John Smith neemt de taak op zich om met de indianen te gaan onderhandelen om tot de modus vivendi te komen. In zijn ogen nemen de onderhandelingen echter een dramatische wending als opperhoofd Powhatan hem op een bepaald moment de kop wil inslaan. Op dat moment neemt diens dochter Pocahontas het op voor Smith, waardoor hij niet enkel wordt gered, maar er komt zelfs een bondgenootschap tot stand met de kolonialen, waardoor deze van uitsterven worden behoed.
Het 11-jarige indiaanse meisje wordt door Disney voorgesteld als een volwassen barbiepop (dat 11-jarige meisjes al vrijdden, vond men bij Disney blijkbaar te gortig) en dat lokte zoals gezegd negatieve commentaren uit. Disney huurde daarom niemand minder dan Russell Means, de leider van de American Indian Movement, in om de film te ondersteunen (in de film spreekt hij de stem in van Chief Powhatan). Dat die mijnheer Means tegelijk een hevige anti-communist is, zal wel geholpen hebben bij de selectie van de man. Maar goed, Means maakte dus een wereldtour om alle bezwaren tegen de film te weerleggen. Tegen Jan Temmerman van De Morgen vertelt hij bijvoorbeeld over haar “te korte jurkje met één schouderbandje”: “Mijn antwoord daarop is dat Disney er goed heeft aan gedaan om hier géén authenticiteit na te streven, want de werkelijkheid is dat Indiaanse vrouwen er indertijd met ontbloot bovenlijf bijliepen.” (**)
Hij zal het dan ook Disney zeker niet kwalijk nemen dat een andere episode uit het boek van John Smith, waarin de kolonialen (overwegend mannen) uitgebreid van bil gaan met de indiaanse vrouwen en meisjes, is weggelaten. Volgens antropologen ging het hier om een agrarisch-erotisch vruchtbaarheidsfeest waar de kolonialen niks van hebben begrepen. Idem dito trouwens voor de zogenaamde ter dood veroordeling van Smith. Volgens Karen Aneiro en Robert Hale in De Standaard ging het hier immers over een inwijdingsritus, waarbij de nieuwe ingewijdene een symbolische dood moest sterven. Ze geven wel toe dat, aangezien Smith het ritueel niet begreep, hij wel reële doodsangsten moet hebben uitgestaan.
Hoe dan ook, hier mag het verhaal voor Disney wel afgelopen zijn, in de realiteit eindigde het helemaal niet op deze manier. Als John Smith bij zijn terugkeer in Jamestown een vat buskruit laat vallen, verliest hij immers een been en moet hij naar Engeland teruggebracht worden voor verzorging. Het spreekt vanzelf dat hij niet de moeite had gedaan om Pocahontas hiervan op de hoogte te brengen. Deze is hierdoor zo beledigd dat de samenwerking tussen de indianen en de kolonialen wordt gestaakt en deze laatsten opnieuw met uitsterven worden bedreigd.
Daarom nemen de Engelsen Pocahontas gevangen in 1613 en zij wordt willens nillens bekeerd tot “the Church of England”, waarbij zij de naam Rebecca krijgt. Later leert ze dan in Jamestown de 28-jarige John Rolfe kennen, die een schipbreuk in wat men later de Bermuda driehoek is gaan noemen had overleefd. Ze trouwden in april 1614, waarna hun zoon Thomas wordt geboren. De door tabaksteelt rijk geworden Rolfe verwierf zoveel aanzien dat Pocahontas en elf andere indianen werden uitgenodigd naar het hof van koning James I, waar ze voor een ware sensatie zorgden. Ook voor Pocahontas trouwens die op een receptie plotseling met de dood gewaande John Smith werd geconfronteerd.
De indianen waren echter niet bestand tegen de open riool die Londen toen was en er waren er al zes gestorven toen ook Pocahontas (op dat moment nog altijd maar 21 jaar) ziek werd en in allerijl terug naar Amerika werd gebracht. Verder dan Gravesend, aan de monding van de Thames, zou ze echter niet geraken. Honderd jaar later werd daar dan een standbeeld opgericht ter ere van “de eerste christelijke Indiaan”.
In 2005 werd het verhaal nogmaals verfilmd in “The New World” van Terrence Malick. Hij vertelt een iets realistischer versie van het Pocahontas-verhaal, ook al zijn Colin Farrell als kapitein Smith en Q’orianka Kilcher als Pocahontas nog altijd resp. iets jonger en iets ouder dan de historische figuren.
WYATT EARP
Kevin Costner van zijn kant heeft dat zeurderige van “politiek correcte films” niet, wellicht omdat hij altijd al belangstelling heeft gehad voor de indianen. Hij heeft echter wijselijk gewacht tot hij de status van onaantastbare supervedette had bereikt, vooraleer hij zich werkelijk heel duidelijk heeft uitgesproken tegen de “grootste volkerenmoord uit de geschiedenis”, om het met zijn eigen woorden te zeggen.
“Dances with Wolves” brengt het verhaal van John Dunbar, een Amerikaanse soldaat die in 1860 helemaal in de ban komt van de legendarische Sioux-krijgers.
“Het is even makkelijk de waarheid te verfilmen als de leugen,” zei Costner destijds. “Waarom zouden we dan voor één keer niet eens de waarheid tonen?” En in één ruk voegt hij eraan toe dat men ook niet moet afkomen met het feit dat het allemaal reeds meer dan honderd jaar achter de rug ligt, dat hij oude koeien uit de gracht haalt. “Alhoewel ik op de eerste plaats een ‘story-teller’ ben, behandelt de film toch ook problemen die nu nog steeds aan de orde zijn. Het milieu b.v., de bodemontginning en de verdeling van de landbouwgronden.” Zijn inzet leverde hem eerst grote waardering op van de indianen, maar sindsdien zijn de verhoudingen bekoeld, wellicht omdat zij uiteindelijk weinig of niet deelden in de opbrengsten van de film. Costner liet het niet aan zijn hart komen en speelde enkele jaren later de rol van Wyatt Earp in de gelijknamige film over het leven van de legendarische sheriff.
Er zijn natuurlijk nog wel meer legendarische figuren uit Twilde Westen die ettelijke malen tot leven zijn gewekt op het witte doek: Jesse James b.v. (Mark Hamill, Brad Pitt…) of Buffalo Bill (Joel McCrea, Paul Newman…), maar geen enkel leven werd zo vaak verfilmd als dat van de koelbloedige sheriff Wyatt Earp (1848-1929) en zijn legendarische tegenstander Doc Holliday. Amper drie jaar na de dood van Earp (de kist werd o.a. gedragen door William S.Hart en Tom Mix) werd het verhaal van de twee revolverhelden voor het eerst verfilmd (Holliday zelf had het slechts tot 1895 uitgehouden, wat toch nog 15 jaar na “O.K.Corral” is). In 1939 was het Cesar Romero (The Joker uit de Batman-TV-serie) die Holliday speelde in “Frontier Marshal”, zijnde dus Wyatt Earp, rol vertolkt door Randolph Scott. In 1941 treedt Doc Holliday ook even op in “The Outlaw”. Het merkwaardige is dat zijn rol hier gespeeld wordt door Walter Huston, die in “Law and order” eerder al Wyatt Earp had gespeeld! In 1953 zou Nathan Juran opnieuw een film met deze titel draaien waarbij Ronald Reagan de wel erg toepasselijke hoofdrol vertolkte.
In 1946 speelde Victor Mature Doc Holliday in “My darling Clementine” van John Ford. Zijn tegenspeelster Anita Ekberg beweerde dat hij enkel opdook als er close-ups dienden te worden gemaakt. Als ik me niet vergis, speelde Henry Fonda een wat verwijfde Wyatt Earp, die het lief van Holliday (Clementine dus) binnenrijft. Om het verhaal niet nodeloos te compliceren sterft Holliday hier uitzonderlijk in het duel op de O.K.Corral.
In 1956 was er trouwens de historische “Gunfight at the O.K.Corral” met Kirk Douglas als Doc en Burt Lancaster als Wyatt. Douglas interpreteerde de film als een liefdesverhaal tussen de twee “helden”, wat John Wayne razend maakte.
In 1967 speelde Jason Robards jr Doc Holliday in “Hour of the gun” van John Sturgess. Robards had een drankprobleem en kon zich daarom nogal goed inleven in de rol.
In 1970 werd – helemaal in overeenstemming met de tijd – de geschiedenis op zijn kop gezet. In de Engelse film “Doc” was Wyatt Earp een opportunist en de Clantons waren half-onschuldige slachtoffers. De titelrol werd vertolkt door Stacy Keach, die overigens onmiddellijk na de opname uit het land werd gezet wegens drugsmokkel (hij was in het bezit van cocaïne).
In 1980 was het Dennis Hopper die van Holliday een drugverslaafde maakte in “Wild times”. Wellicht is dit niet eens vergezocht: Holliday was eigenlijk tandarts en kende dus de pijnstillende werking van diverse middelen. En die had hij broodnodig.
In de versie van Lawrence “Silverado” Kasdan wordt de sheriff dus gespeeld door kaskraker Kevin Costner, maar het is vooral Dennis Quaid die (naar goede Hollywood-traditie) met zijn vertolking van de zieke Doc Holliday de aandacht trekt.
Het beroemde gevecht op de O.K.Corral (dat overigens maar 30 seconden duurde, i.p.v. zes minuten in de gelijknamige film) komt in hetzelfde jaar als “Wyatt Earp” ook terug in “Tombstone”. Hierin figureert naast Kurt Russell ook Jason Priestley. Scenarist Kevin Jarre was oorspronkelijk ook regisseur, maar wegens onbekwaamheid is hij vervangen door George Pan Cosmatos die in het verleden nochtans reeds herhaaldelijk heeft bewezen dat hij vakkundig de grootste onzin kan inblikken (“Leviathan”, “Cobra” en “Rambo II” b.v.).
De meeste films over Wyatt Earp gaan terug op “I married Wyatt Earp”, het boek dat Glenn Boyer publiceerde bij de University Press of Arizona, zogezegd gebaseerd op de mémoires van Earps derde vrouw, Josephine (1861-1944). In 2000 kon men echter aantonen dat mijnheer Boyer die zogenaamde mémoires uit zijn duim had gezogen.
VROUWEN
Het was duidelijk: sedert “Dances with wolves” is de western weer helemaal terug. In 1994 hadden we naast “Wyatt Earp” en “Tombstone” b.v. nog Walter Hills “Geronimo: an American hero”, een lovenswaardige prestatie, die echter veel minder succes kende.
Een ander gevolg van “political correctness” was dat we nu te maken kregen met “feministische” westerns zoals “The ballad of Little Jo” en “Bad girls” van Jonathan Kaplan (die reeds feministische trekjes had vertoond in één van zijn vorige, “The Accused”). Andie MacDowell, Madeleine Stowe, Mary Stuart Masterson en Drew Barrymore spelen hierin bekeerde hoertjes (de wraaklustige mannen James Russo, Robert Loggia en Dermot Mulroney mogen slechts een domme bijrol vertolken).
Voor anderen is het gewoon het vrouwelijke equivalent van “Young guns”, een film die zich destijds ook als “progressief” wou voordoen, maar die dit enkel volhield in het eerste gedeelte wanneer “the brat pack actors” opgevoed worden door de Engelse lord, die hen heeft geëngageerd. Van zodra hij wordt gedood en zij op wraak uit zijn, herviel de film in nodeloos geweld.
Maar toch vindt b.v. Julie Burchill dat “Bad girls” – ondanks de ronduit beledigende titel – hetzelfde doet voor de vrouwen in Twilde Westen als “Dances with wolves” voor de indianen. Burchill schrikt er zelfs niet voor terug om de populariteit van de western op misogynie terug te voeren. Vrouwen waren daar enkel schouwgarnituur in. Zelfs de Calamity Jane van Doris Day die “helden” als haar echtgenoot Wild Bill Hickock overleefde, wordt in de musical die in 1953 werd verfilmd toch in de eerste plaats voorgesteld als iemand die per se aan een man wil geraken.
En denk ook aan de eindscène van de humoristische western-musical “Paint your wagon” van Joshua Logan met Lee Marvin als Ben en Clint Eastwood als Partner. Hierin is Jean Seberg hun gemeenschappelijke vrouw tot ze door de aanwezigheid van strenge gelovigen tot een typisch Amerikaanse zuurpruim uitgroeit, waardoor haar wettelijke echtgenoot Ben wijselijk de plaat poetst (“I was born under a wandering star” zingt hij op muziek van Frederick Loewe en lyrics van Alan Jay Lerner). Ook Marilyn Monroe deed er haar beklag over dat de enige manier die de scenarist kon bedenken om Clark Gable in “The misfits” te overhalen geen paarden af te maken om er hondenvoedsel van te maken, een hysterische crisis was i.p.v. een redelijk gesprek. En zeggen dat die scenarist… haar echtgenoot Arthur Miller was!
De film die de sterkste vrouw in het wilde westen toont is volgens mij dan ook “True grit” van de broertjes Coen uit 2010. Hierin is het nu eens niet een vader die zijn kind(eren) wreekt, maar een veertienjarige dochter (prachtige prestatie van de inderdaad 14-jarige Hailee Steinfeld) die de moordenaar van haar vader (Josh Brolin) wil zien hangen of – als het niet anders kan – hemzelf neerschieten. Ik denk dat ik wel mag verklappen dat het uiteindelijk dat laatste zal worden, want er wordt in deze film gemoord en geschoten alsof het een film van de broertjes Coen zou zijn, wat uiteraard ook zo is. Typisch is dat bij al dat geweld de meest ontroerende sterfscène die van het paard Little Blackie is…
Over slechte meisjes gesproken, Sharon Stone streek een jaar na “Bad girls” zo maar eventjes 330 miljoen fr. op voor “The quick and the dead”, waarin ze als vrouwelijke gunfighter toch weer de sekspoes uithing (ook naast de set en wel met producer Bob Wagner, die toen de film goed en wel in de zalen was alweer werd gedumpt).
Maggie Greenwald draaide met “The ballad of Little Jo” een western over Josephine Monaghan (gespeeld door Suzy Amis), die zich in een man moest verkleden om als cowboy te kunnen overleven in Twilde Westen. Monaghan kwam uit een welstellende familie uit de staat New York, maar toen ze als tiener zwanger werd, werd ze verstoten en probeerde ze in het westen verder aan de kost te komen.
En als gevolg van het feit dat de Nederlandse Marleen Gorris in 1996 de oscar won voor de beste buitenlandse film, mocht ze van 20th Century Fox de western “Come west with me” draaien. Craig Bolotin baseerde zijn script op het toneelstuk “Abundance” van Beth Henley, dat handelt over twee postorder-bruidjes (zoals het vaak ging in die tijd), die uiteindelijk op dezelfde man verliefd worden.
Zelfs Jodie Foster was te zien in een western! “Maverick” is een komische western van Richard Donner (“Lethal weapon”) uit 1994, waarin Mel Gibson en Jodie Foster tegen alle verwachtingen in een spetterend koppel vormen, naast James Garner, James Coburn en Graham Greene. Deze film werd gedraaid naar de gelijknamige TV-reeks (1957-1961), waarin de broers Bret en Bart (James Garner en Jack Kelly) er met hun neef Beau (Roger Moore) op los gokten. James Garner speelde trouwens de rol van Sheriff Zane Cooper in de Donner-versie. Een andere bijrol was weggelegd voor Doug McClure, nog zo’n TV-westernheld (The Virginian, The Men from Shiloh). Het werd meteen zijn laatste film, want in het begin van 1995 overleed hij op 59-jarige leeftijd aan longkanker (niet te verwarren met Troy McClure, die u wel kent uit series zoals “The Simpsons”).
“Maverick” is een begrip geworden in het Amerikaans. Dat gaat terug op een bestaand personage met die naam, Samuel A.Maverick (1803-1870), met dien verstande dat dit geen gokker was. Alhoewel. Hij is juist de geschiedenis ingegaan omdat hij de eerste was die zijn kalveren niet brandmerkte. Een kalf zonder brandmerk werd dus een Maverick en later ging dit ook over op mensen die vrij rondzworven en niet in het rijtje wilden passen.
ZWARTEN
In “The Unforgiven” worden de indianen uitgescholden voor “red niggers”. Het is dus wel interessant zich ook even te buigen over de rol van de zwarten in de western. Met “Posse” tracht Mario Van Peebles tracht te bewijzen dat er toch ook zwarte cowboys waren (met productiesteun van Clint Eastwood), maar de film is (in navolging van Sergio Leone) té gewelddadig om als positief te worden ervaren.
Dat is wel het geval voor “Hundred rifles” van Tom Gries uit 1969, waarin Jim Brown zowaar als eerste zwarte op het witte doek met een blanke vrouw mag stoeien. Hij zal het zich wel niet beklaagd hebben, want de actrice in kwestie was Raquel Welch.
Als Sidney Poitier samen met Harry Belafonte, Paul Newman, Steve McQueen, Dustin Hoffman en Barbra Streisand (de “progressieven” van Hollywood) in 1969 de productiemaatschappij First Artist opricht, debuteert hij daarvoor als regisseur met de western “Buck and the Preacher”, waarin hij samen met Belafonte ook de hoofdrol vertolkt.
Twee jaar later is er “Skin Game”, een komische western van Paul Bogart, gesitueerd vlak voor de Burgeroorlog, waarin James Garner zich voordoet als een blanke die uit geldnood verplicht is zijn slaaf (Lou Gossett) te verkopen. Eenmaal de deal gesloten, helpt hij zijn compagnon te ontsnappen, zodat de truuk ad libitum kan worden herhaald. Het is echter Susan Clark, nochtans enkel ingehuurd voor het “vrouwelijke element”, die de show steelt. Het is wel interessant om te zien hoe de “love interest” zich ontwikkelt. Uiteraard is het immers de blanke die met de blanke vrouw vrijt en op het einde heeft de zwarte ook een zwart lief.
Voor “Sommersby” werd het oorspronkelijke scenario van “Le retour de Martin Guerre” ook overgeplaatst naar de Amerikaanse secessieoorlog in de 19de eeuw. Daardoor kon er wel een interessante nieuwe dimensie worden aan toegevoegd, namelijk het racisme dat in de zuidelijke staten onverminderd bleef doorleven. Dit gebeurt vooral door het inschakelen van de zwarte acteur James Earl Jones. Hij is de rechter die moet uitmaken of Jack Sommersby wel degelijk dezelfde is als van voor de oorlog.
Hoe zwarte soldaten (de zogenaamde “Buffalo Soldiers”) de Civil War beleefden kan men anderzijds vaststellen in “Glory” (Edward Zwick) met een schitterende vertolking door Denzel Washington, die hiervoor een Oscar in de wacht sleepte. “Glory” was echter eerder een oorlogsfilm dan een western. Dat geldt ook voor “Gettysburg”, terwijl “Gone with the wind” dan weer tot een heel ander genre behoort.
Misschien is het pacifistische “Friendly persuasion” (1956) van regisseur William Wyler en scenarist Michael Wilson (die echter niet op de generiek voorkwam omdat hij op de zwarte lijst stond) wél een western, maar ik heb deze film, waarin Gary Cooper zijn Quaker-gezin angstvallig buiten de oorlog probeert te houden, nog niet gezien. Ik heb echter wél “Shenandoah” van Andrew McLaglen gezien, die bijna tien jaar later (1965) James Stewart nogmaals hetzelfde verhaal laat beleven (evenwel ontdaan van de religieuze context, maar niet van de typisch Amerikaanse overtrokken sentimenten en ook wel met ongepaste humor in de gevechten), en in dàt geval zou ik toch van een western spreken.
Als kanttekening wil ik ook nog meegeven dat de term “Yankees” voor de noordelijken als scheldwoord gestolen was van de Britten. In hun ogen waren “Yankees” immers Britten die meevochten in de onafhankelijkheidsstrijd van de Verenigde Staten. Het is een milieu dat later vooral door Edith Wharton zou worden getekend.
En dan was er natuurlijk “Unforgiven”. In “Unforgiven” wil Clint Eastwood zoals gezegd de mythe van de revolverheld ontluisteren. “Al die killers die legenden werden waren gewoon kerels die mensen in de rug schoten. Ze stonden niet tegenover elkaar, in het midden van de straat, zoals in de oude westerns. De revolverheld is een romantische mythe, net als het hele oude Wilde Westen, dat eigenlijk niets meer was dan een dorre, armoedige streek vol miserie. De cowboys waren vuil en ongewassen, en de meesten konden niet beter overweg met een pistool dan met een strijkijzer. Dàt heb ik in deze film willen tonen.” (Humo)
De tot inkeer gekomen boef heeft zelfs ontegensprekelijk autobiografische trekjes. Eastwood wil vooral duidelijk maken dat geweld niet grappig is, iets waaraan oudere films van hem zich wél schuldig maken, zegt hijzelf.

(*) “Soldier blue” gunt ons overigens een blik op de bips van Candice Bergen, tenzij voor de bewuste scène, waarin Peter Strauss met zijn tanden haar kleedje naar beneden tracht te trekken, een body double werd gebruikt.
21 soldier blue(**) Jan Temmerman, “Wij zijn altijd al doodgeknuffeld”, De Morgen 4/12/1995.

P.S. Tot mijn grote schande moet ik toegeven dat ik geen woord heb gewijd aan de legendarische held Davy Crockett. Dit verzuim kan echter ruimschoots goedgemaakt worden door het artikel “Bij de muts van mijn grootje! Davy Crockett stierf ten tweeden male (Fess Parker, 1924-2010)” van de hand van mijn bloedbroeder Lukas De Vos te lezen in het nr.85 van het tijdschrift Film (maart 2010).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.