In 1959 slaagt Berry Gordy III (foto YouTube) erin om 800 dollar van zijn familie in Detroit, the motor-city, los te krijgen om “Come to me” op te nemen, waarmee de Motown-legende start. Iets te laat eigenlijk, want Gordy had voordien al meegeschreven aan “Reet petite” en “Lonely teardrops” voor zijn boksmakker Jackie Wilson, maar die zijn dus wel elders verschenen.

In een beginfase (“Money”) behoudt Gordy nog wel de ruwere sound die we ook bij Wilson vinden, maar nadien gaat hij er zich vooral op toeleggen om aan dat geluid te “schaven”, zodat ook blanken het acceptabel vinden. Zo stonden de meisjesgroepen van Phil Spector (Ronettes, Crystals…) model voor latere Motown-formaties als Martha and the Vandellas (“Dancing in the street”) of populaire soul-acts als The Supremes (“Where did our love go”), beide uit 1964. Typisch is dat Berry Gordy bij deze groep de rauwe stem van Florence Ballard met opzet naar de achtergrond mixte ten voordele van het gepolijste stemgeluid van Diana Ross. Zeggen dat hij daardoor ook schuld heeft aan de vroegtijdige dood van Ballard is natuurlijk overdreven, maar het loopt alleszins veel slechter af dan in de film “Dreamgirls”, die een vrije bewerking van deze historie wil zijn.
“My guy” was het nummer dat in 1964 door Smokey Robinson samen met de andere stichter van The Miracles, Ronnie White (1938-1995), was geschreven voor Mary Wells (1943-1992). Geboren in Detroit zelf, was zij door Berry Gordy ontdekt in 1961. “Bye Bye Baby” werd een lokale hit, evenals “The one who really loves you”, “You beat me to the punch” en “Two lovers” uit 1962 en “What’s so easy for two”, “Laughing boy” en “Your old standby” uit 1963. In 1964 ging Mary Wells als eerste Motown-artieste ook op toernee door Engeland, meer bepaald als voorprogramma van The Beatles, die trouwens dol waren op Motown (op hun tweede elpee “With the Beatles” namen zij “Money” op, maar ook “Please mister postman” van Brian Holland en “You really got a hold on me” van Smokey Robinson). Ze dacht toen dat ze bij Motown aan het toppunt van haar carrière stond en dat ze daar niet verder kon evolueren, zonder een geduchte concurrentie te vormen voor Diana Ross. Daarom stapte ze over naar een platenfirma in Californië, maar ze deemsterde volledig weg. Alleen in 1972 dook ze nog eens in de hitparade op toen “My guy” werd heruitgebracht.
In 1966 waren de grootste soulhits “Reach out I’ll be there” (Four Tops), “What becomes of the broken hearted” (Jimmy Ruffin) en “This old heart of mine” (The Isley Brothers). Ook “Get Ready” van The Temptations, maar die song is meer bekend geraakt in de versie van de groep Rare Earth, samen met R.Dean Taylor de enige blanke act op Motown.
In 1967 begon het al bergaf te gaan. Flower Power was immers niet bepaald een goede voedingsbodem voor soul. We noteren nog het schitterende “Tears of a clown” (The Miracles) en “Jimmy Mack” (Martha and the Vandellas), maar bij de Supremes b.v. was het dus al hommeles en moest Florence Ballard uiteindelijk de groep verlaten. Ze werd vervangen door Cindy Birdsong. De reden van haar vertrek was dat Diana Ross zich (met medewerking van Berry Gordy) steeds meer op de voorgrond werkte en bijvoorbeeld eiste dat de groep nu “Diana Ross & the Supremes” zou heten. Maar ook dat zou niet baten: in 1970 ging Diana Ross solo. Ze werd bij The Supremes vervangen door Jean Terrell, zus van de bokser Ernie.

Vroeger schreef men altijd (ook ik) dat bij Stax “een deel van de basismuzikanten (gitarist Steve Cropper en bassist Donald ‘Duck’ Dunn b.v.) blank waren en toch klonken zij veel ‘zwarter’ dan Motown, alhoewel de leiding daar geheel uit zwarten bestond.” Sinds de documentaire “Standing in the shadows of Motown” van Paul Justman uit 2002 weten we echter dat ook bij Motown blanken als gitarist Joe Messina en bassist Bob Babbitt deel uitmaakte van de zogenaamde Funk Brothers, de groep die op alle Motown-platen (en zelfs van andere platenfirma’s in Detroit) speelde. Ook opvallend in die documentaire was dat de keyboard-spelers – en vooral dan Joe Hunter (1927-2007) – een klassieke opleiding hadden gehad. Hunter sprak zelfs van Sergei Rachmaninov als zijn grote voorbeeld. Als meest typische “sound” van Motown wordt echter meestal de tamboerijn van Jack Ashford vermeld.

Het duurde echter tot de elpee “What’s going on” van Marvin Gaye uit 1971 vooraleer de muzikanten een vermelding kregen op de hoes. En het was meteen ook voor het laatst, want Motown zelf verhuisde dat jaar naar Los Angeles en ondanks het feit dat The Jackson Five, met toen nog de kleine Michael Jackson, verplicht werd mee te verhuizen, zou dit de ondergang van Motown inluiden. Oorspronkelijk was de gok van Gordy nochtans geslaagd. Hij had het immers gedaan om aan de bak te komen met soundtracks en met “Lady sings the blues”, “Mahoganny” en “The Wiz” lukte dit uitstekend. Er was zelfs nog Lionel Richie die zich uit The Commodores losmaakte en tien miljoen exemplaren van “Can’t slow down” verkocht.
“Blanke” soul was dus nog altijd typisch voor Motown, maar met Rick James (“Superfreak”) trachtte Gordy ook op de nieuwe “zwarte” soul, de funk, in te pikken.
In 1988 verkocht Berry Gordy de Motown-catalogus voor zo’n drie miljard aan het MCA-concern. Het was de periode dat binnen de zwarte gemeenschap de rapmuziek een steile opgang maakte. Het nieuwe Motown lanceerde b.v. Boys II Men, maar daaraan deed Gordy liever niet aan mee. Het was dus eigenlijk toch niet alleen “money” dat hij wilde…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.