Lode Zielens (1901-1944)

Op 28 november 1944 stierf Lode Zielens als slachtoffer van de inslag van een Duitse V-bom op de hoek van de Plantin-Moretuslei en de Mercatorstraat in Antwerpen. Lode Zielens was op weg naar de “Volksgazet” aan de Somersstraat waar hij als journalist werkzaam was. Met deze voortijdige dood was plots een einde gekomen aan de veelbelovende carrière van een man die als geen ander een beeld kon schetsen van de ruwe werker, van het rauwe leven in de armtierige huizen, ingedeeld in vele “kwartieren” waar de armoezaaiers met velen opeen zaten. De bewoners van de mansardes, zoals Wannes Van de Velde zo poëtisch beschreef.

De Antwerpse volksjongen Lode Zielens wil zich opzettelijk afzetten tegen het estheticisme van Van nu en straks door zich sociaal te engageren (hij werd journalist bij “De Volksgazet” nadat hij een soort “Ontdek de Ster”-wedstrijd had gewonnen), maar tegelijk ook uiting te geven aan de existentiële twijfel (“Moeder, waarom leven wij?”, staatsprijs in 1934; cynisch genoeg kreeg Zielens tijdens de oorlog als antwoord dus een bom op zijn kop). Met zijn daarmee gepaard gaande seksuele obsessie (eros en thanatos; Ernest Van der Hallen vond dat het werk moest verboden worden “omdat het zich onttrok aan de opperste wet van het bestaan: bij te dragen tot Gods luister“) reikte Zielens de hand aan L.P.Boon en Piet Van Aken.
Sommigen verweten Lode Zielens dat hij alles bekeek door een pessimistische bril en het leven herleidde tot een vreugdeloze poel van sociale miserie en verwording. Dat was ook zo, maar het was verdomme de werkelijkheid, die de schrijver met veel verve in beeld bracht. Het kan raar klinken, maar de beelden die Lode Zielens kon oproepen doen mij nu nog denken aan de barokke houtsneden van Frans Masereel zoals die het nachtleven van de stad en de bruine kroegen in beeld bracht.
Wanneer ik als jonge gast kennis maakte met het oeuvre van Lode Zielens ging voor mij een wereld open, kreeg ik een beeld voorgespiegeld van het leven zoals het toen was en zoals wij dat tijdens de oorlogsjaren aan de lijve meegemaakt hadden. Let wel, Zielens schrijft niet over de oorlog, maar over de alledaagse dingen, de miserie, maar vooral over de vreugde van de kleine man. Zijn verlangens en zijn liefdes. Zijn overlevingsdrang, de figuren die hij schetste waren ondanks alles levensgenieters, op zoek naar een sprankeltje genegenheid, op zoek naar de vreugde, verborgen in de kleine dingen van het leven. De tijd die hij beschrijft is de tijd tussen de twee wereldoorlogen, de periode dat de gewone mensen geconfronteerd werden met een leven dat zichtbaar beter werd, maar waar de armoezaaiers nog geen deel aan hadden.
Laten wij even Emiel Willekens aan het woord, die het zoveel beter kan zeggen dan ik: “Met klimmende belangstelling zien wij in zijn boeken hoe het leven zich voltrekt als een schijnbaar uitzichtloze worsteling van mensen in de greep van de armoede, de drift, de smart, de klassetegenstellingen, de arbeid-zonder-vreugde. Dat was het leven zoals Zielens het in zijn jonge jaren duizendvoudig gezien had, in de Antwerpse achterbuurten, in het havenkwartier. De auteur wist voortdurend deze grauwte te doorstralen met het licht van zijn emotie en meevoelen. Zielens blijft dwepen met het schone en het verhevene in de mens, zelf als dat voor zijn figuren niet altijd bereikbaar is.”
De vertwijfelde vraag, “Moeder waarom leven wij?” blijft bij hem niet zonder antwoord. Dat antwoord staat op de laatste bladzijde van dit boek. Een lyrisch stuk, een verheven boodschap met een grote draagkracht, na zoveel grauwte “een edele, grootse drang naar de toekomst.” Wij voegen er enkel aan toe, een geloof in een betere toekomst, die het socialisme moest brengen!
Besluiten wij dit stukje met een citaat van Camille Huysmans in zijn in memoriam voor Lode Zielens : “Hij was een der zeldzame naturen, die overal sympathie opwekken op hun weg, in een wereld, waar de intellectuelen veel talrijker zijn dan de mensen begaafd met ware goedheid. Hij leefde in werkelijkheid in een wereld die nog niet bestaat; – in een wereld die nog komen moet, – in een wereld die wij nog moeten opbouwen. En nochtans werd hij niet geboren in weelde. Wel integendeel! Hij werd geboren in wat men doorgaans noemt het proletariaat. Hij had gearbeid aan de haven. Maar thuis vond hij zijn vader, de muzikant die van hem een artiest maakte. En in zijn omgeving vond hij de mannen die met hun handen en met hun brein arbeidden aan wat ze ontdekten in de dromen hunner overtuiging: een maatschappij zonder oorlog en zonder armoede.”

Romain De Fleurquin

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.