35 jaar geleden: “Een kind dat niet speelt is ziek” (Jan Peeters)

49Medio november 1984 maakte de regering, bij monde van ene Jan Peeters, perschef van staatssecretaris Aerts, bekend dat via een Koninklijk Besluit eindelijk zal worden opgetreden tegen gevaarlijk speelgoed zoals producten met loodverf, niespoeder en tovereieren die zwellen in water, dus ook in de maag. We lazen dit krantenbericht op weg voor een gesprek over speelgoed met… Jan Peeters. Even consternatie. « Ja, ik heb een naam die tamelijk frequent voorkomt, » zegt Jan verontschuldigend, een frustratie die mensen als Kamagurka of Panamarenko wel vreemd zal zijn, om maar die te noemen.

« Onze » Jan Peeters heeft ontwikkelingspsychologie gestudeerd, dat is dat deel van de psychologie dat zich voornamelijk bezighoudt met kleine kinderen. Zo is hij o.m. nog verantwoordelijk geweest voor de begeleiding van kinderverzorgsters die zich bezighielden met peuters en kleuters van drie maand tot zes jaar. Op die manier is hij tamelijk veel in contact gekomen met de hele problematiek van het speelgoed. Daarnaast is hij reeds een aantal jaren medewerker bij de Kindertelefoon in Gent, waarbij hij geregeld vragen en opmerkingen over speelgoed te verwerken kreeg van oudere kinderen, zeg maar lagere-schoolleeftijd. De geknipte man als het ware. En onze eerste vraag was ook niet mis :
— Crisis dus. Minder geld, bijgevolg minder neiging om te kopen, ook om speelgoed te kopen. Anderzijds wordt vanuit bepaalde hoeken de nadruk gelegd op de « zelfwerkzaamheid » van een kind. Met andere woorden : laat ze maar spelen met kartonnen dozen en dergelijke, hun fantasie kan er alleen maar door ontwikkeld worden. Conclusie van deze twee factoren : is speelgoed, zoals we dat traditioneel kennen, een overbodige luxe geworden ?
Jan Peeters :
Het uitgangspunt moet zijn : dat speelgoed een middel is om te spelen. Kinderen jonger dan zes die niet spelen, die zijn ziek. Zo simpel is dat. En speelgoed is dus een middel om dat spelen te stimuleren. Een middel, maar ook niet meer dan dat. Want er zijn uiteraard verschillende manieren om kinderen tot spelen aan te zetten. Peuters spelen graag met materialen die b.v. normaal dienen om mee te kuisen, zoals een borstel of zoiets. Speelgoed is trouwens een vrij recent verschijnsel (zoals o.m. ook blijkt uit het historische overzicht dat we vorig jaar hebben gegeven, red.). Tot voor kort was het eigenlijk enkel aan kinderen van rijkelui voorbehouden. Men kan dat nu nog zien bij Turkse kinderen b.v. Die springen veel creatiever om met voorwerpen uit hun omgeving om daar « speelgoed » van te maken. De behoefte aan speelgoed is dan ook vooral afhankelijk van de omgeving. Als men een kind een ganse dag « opgesloten » houdt in een bepaalde ruimte, een peutertuin b.v. maar ook gewoon thuis, dan biedt deze ruimte al vrij vlug niet genoeg meer om nog te boeien. Dan wordt speelgoed belangrijk. Ik geloof dus wel in de creatieve aanwending van waardeloos materiaal, maar tegelijk denk ik dat « commercieel » speelgoed hoegenaamd niet meer weg te denken is, omdat de omgeving op zich te weinig stimulansen biedt om een kind bezig te houden. Het is dus geen kunstmatige behoefte die wordt gecreëerd door de commercie, zij het dat ze er natuurlijk wel wordt door opgedreven. Een kind dat op straat zou kunnen spelen, zonder dat de kans bestaat dat het door een auto wordt overreden, zou natuurlijk minder behoefte hebben aan speelgoed.
De misvatting van de propagandisten van verantwoord speelgoed
— In die redenering verder gaande zou men systemen zoals Lego in feite kunnen beschouwen als bouwmaterialen aangepast aan de beperkte omgeving waarin wij onze kinderen dwingen?
J.P.:
Uiteraard. En de meeste speelgoedfabrikanten hebben dit vooral de laatste tien jaar ook zeer goed ingezien. Al is die kwalitatieve verbetering van het speelgoed ook voortgekomen uit de strengere normen wat de veiligheid betreft, vooral voor jongere kinderen. Neem nu zo’n Lego-blok, de stof waaruit die gemaakt is, is in feite toch prachtig aangepast. Ongelooflijk sterk, zeer hygiënisch, kleurrijk, enz. Dit laatste is trouwens dé grote misvatting geweest van de jongens die zich geroepen voelden het zogenaamde « verantwoord speelgoed » te propageren. Kinderen vinden dat bleke hout immers hoegenaamd niet interessant, die hebben liever iets dat kleur heeft. En de fabrikanten hebben daar dan zeer handig op ingespeeld. Door de band mag je nu zelfs stellen dat in de grote massa speelgoed die je overal vindt, dat daar toch vrij veel goed speelgoed bij is. Vroeger zat er veel meer brol tussen die rap kapot ging en bijgevolg ook dikwijls zeer gevaarlijk was. Ik heb het nu nog steeds vooral over speelgoed tot zes jaar, want later heb je met een andere problematiek te maken.
Maar voor die jeugdige leeftijd heeft men toch wel erg goed speelgoed, vooral omdat men vertrekt vanuit het kind zelf, zoals bij Fisher-Price. Een ander voordeel is dat men dit speelgoed overal kan kopen, zodanig dat het niet beperkt blijft tot een zekere elite. Tegelijk is daar ook een schaduwzijde aan verbonden evenwel. In het kader van een project ben in nog naar andere landen geweest en heb ik ook dia-reeksen gezien over landen waar ik niet ben geweest en dan zie je steeds dat zelfde speelgoed terugkeren. Dat vind ik eigenlijk wel een beetje akelig, benauwend zelfs. Als je b.v. dia’s ziet van een westers georiënteerd land in Afrika, dan zie je daarop Fisher-Price b.v. Dat is wel goed uitgedacht speelgoed, maar dat wordt dan zodanig verspreid dat het blijkbaar de lokale speelgoed-producenten verdringt, die kunnen daar niet tegen concurreren. Dat is mij ook opgevallen toen ik afgelopen zomer naar Hongarije ben geweest. Daar heb ik kinderdagverblijven bezocht waar ik speelgoed aantrof dat ik nog nooit had gezien en dat goed oogde. Maar als je dan een beetje nader toekijkt, dan stel je vast dat het materiaal toch niet zo geperfectioneerd is als van die Amerikaanse producten, dat het makkelijker kapot gaat en zo.
Niet fanatiek zijn tegen de soldaatjes
— Je koppelt die « verbetering » van het speelgoed voorlopig enkel aan de jongste leeftijd. Maar als ik zie waarmee kinderen van de lagere school spelen en ik vergelijk dat met mijn eigen speelgoed van destijds, dan stel ik toch ook iets vast. Wij hadden om zo te zeggen enkel de keuze tussen cowboys en soldaten, tussen de pest of de cholera zou ik bijna zeggen, maar nu spelen de kinderen vooral met Playmobil wat ten eerste al meer kansen geeft tot creativiteit, maar waar in het assortiment náást die cowboys — die het nog steeds goed doen (één heeft het zelfs tot president van de V.S. gebracht) — ook « vredelievende » beroepen als brandweermannen of landbouwers aan bod komen.
J.P.:
Ja, maar er zijn daarnaast toch nog steeds bijna « levensechte » mitrailletten en dergelijke in de handel hoor, vergis u daar niet in. En het spreekt vanzelf dat ieder weldenkend mens zich tegen dergelijke uitwassen keert. Toch vind ik dat je niet zo fanatiek mag zijn tegen die soldaatjes of cowboys. Je moet toch wel inzien dat kinderen — net als volwassenen — een bepaalde vorm van agressie in zich hebben en dat zij een mogelijkheid moeten hebben om die op een vrij onschuldige manier af te reageren. Een kind een mitraillette in de handen stoppen is niet meer zo onschuldig. Met kleine indiaantjes spelen daarentegen moet men weliswaar niet stimuleren, maar men mag het zeker ook niet bestraffen. Eigenlijk betreft het hier een vorm van « theatraliseren » van agressie, wat een noodzakelijke uitlaatklep blijkt — en dat niet enkel voor kinderen. Volwassenen doen dat echter voornamelijk met woorden, kinderen doen het met een « fantasiespel », door te doen alsof, met andere woorden. Maar kinderen weten zeer goed wanneer ze doen alsof en wanneer het echt is, weet je.
— Oh ja ? Dan graag even een zijsprongetje. Het is immers een aloude discussie : kunnen kinderen op televisie een onderscheid maken tussen het « echte » geweld in het journaal en het « gefingeerde » geweld in een film?
J.P. :
Jazeker. Ik ben weliswaar geen expert in die zaken maar ik kan toch zeggen dat deze nieuwe generatie, ik denk aan twaalf-, dertienjarigen, specialisten in de beeldtaal vormt. Vele leerkrachten gooien de armen in de hoogte en roepen vertwijfeld uit dat de leerlingen niet meer lezen, maar ze kijken des te meer naar televisie. Vanuit onze eigen opvoeding vinden wij dat misschien een achteruitgang, maar er zijn reeds experimenten geweest die toch merkwaardige resultaten hebben naar voren gebracht. Zo heeft men kinderen uit het beroepsonderwijs, traditioneel een afdeling waar men erg slecht is in het schrijven, een videocamera in de hand gestopt en dan is gebleken dat die b.v. wel een vrij plezant filmpje kunnen maken. Zij hebben een veel beter inzicht in die beeldtaal dan wij volwassenen, die slechts de televisie in z’n kinderschoenen hebben gekend met zeer gebrekkige methoden. Typisch is b.v. dat films als « Indiana Jones » zo ontzettend door jongeren wordt geapprecieerd. Nu, dit is een zeer geperfectioneerde vorm van beeldtaal, dat is geen verfilming meer van een boek, dat is film-om-de-film. En we hebben nu een generatie kinderen die daar werkelijk experten in worden. Daar zijn wel vraagtekens bij te plaatsen, maar we moeten daar niet per se tegen zijn. Voor zover mij bekend heeft b.v. nog geen enkele studie een rechtstreeks verband kunnen leggen tussen het kijken naar horror- of geweldfilms en het gedrag van kinderen die dat doen.
Kinderen spelen uit zichzelf niet met informatief spelmateriaal
— Diezelfde discussie werd ook gevoerd op de persvoorstelling van het GOK-spel van Informatief Spelmateriaal (zie elders). Hoe staat u overigens tegenover zogenaamd « informatief spelmateriaal » ?
J.P.:
Er is een tendens, niet alleen voor kinderen, maar zelfs voor volwassenen om het geven van informatie te laten gebeuren via spelletjes. Denken we maar aan het vormingswerk b.v. Ik denk dat het inderdaad interessant is in zoverre dat dit achteraf discussies kan losweken e.d., maar ik denk tevens dat een kind toch vooral wil spelen om het spel op zich. Ik twijfel er dan ook aan dat kinderen uit zichzelf naar dit soort spelmateriaal zullen grijpen, wat ze wel doen met andere gezelschapsspelen. Maar ik denk wel dat in jeugdbewegingen, in jeugdateliers, in scholen het interessant kan zijn om via zo’n spel veel uit de kinderen zelf te halen i.p.v. gewoon les te geven. Dàt vind ik wel belangrijk, maar uit plezier denk ik niet dat die kinderen naar informatief spelmateriaal grijpen. Ik heb zo zelf nog van die spelletjes gedaan op sneeuwklassen met kinderen van twaalf jaar en ze vonden dat wel interessant, maar als ik ze dan ’s avonds vrij liet en ze zelf mochten kiezen uit alle spelletjes die beschikbaar waren, dan bleven die « informatieve » wel liggen hoor. Anderzijds moet het volgens mij mogelijk zijn die dusdanig te perfectioneren dat ze wel aanslaan. Tenslotte is een spel als Monopoly eigenlijk ook van die orde, dat laat immers op een eenvoudige maar duidelijke manier zien hoe het kapitalisme werkt, en toch is dit spel zeer succesrijk.
— Iets waar men ook alle richtingen mee uit kan, zowel links als rechts, is de computer. En dan heb ik het niet zozeer over computerspelletjes, maar wel degelijk over de kleine huiscomputer die – ongelooflijk maar waar — reeds door bepaalde mensen aan hun kinderen ten geschenke wordt gegeven…
J.P.:
Ja, dat is natuurlijk weer zo’n uiting van het feit dat we toch wel op een punt gekomen zijn dat een aantal traditionele media zullen verdwijnen en dat er een aantal nieuwe voor in de plaats komen. En wat dat betreft ben ik zeker een grote voorstander van het gebruik van computers in het onderwijs. Of je daarom nu ook een computer aan je kleine zelf moet geven, dat is natuurlijk nog een andere zaak. Wie gaat er hem mee leren werken, b.v. ? Als pa of ma zelf fanatiek is op dat vlak en dat tracht over te brengen op die kleine, dan vind ik dat prima, maar het is niet zo eenvoudig hoor. Daarom vind ik het vooral belangrijk dat kinderen in het onderwijs met die nieuwe media leren omgaan. Niet alleen computers, maar ook b.v. video-apparatuur. Dat zijn zaken die in de maatschappij opgang maken en die niet per se negatief zijn, al kunnen ze wel negatieve consequenties hebben natuurlijk. En daarom moeten zij daar juist mee vertrouwd worden gemaakt, omdat zij daar anders minder weerstand tegenover hebben dan wij volwassenen. Wij hebben immers nog een oud cultuurpatroon dat wij willen verdedigen, maar zij niet, zij zijn eerder geneigd om dat allemaal eens uit te proberen. Maar om het als geschenk te geven… Zo’n zaken worden wel veel verkocht de laatste tijd, maar eigenlijk zeer weinig gebruikt. Het hebben is blijkbaar belangrijker dan er ook iets mee te doen. Het zijn eerder statussymbolen.
Waarom niet eens ruilen?
– Zou je tot slot nog wat praktische tips kunnen geven ?
J.P. :
Wel, kleine kinderen houden van afwisseling, dat staat buiten kijf. Daarom geven de meeste mensen veel speelgoed aan hun kinderen. Dat tref je aan in alle lagen van de bevolking, tenzij misschien enerzijds bij de allerarmsten en anderzijds bij een aantal intellectuelen om principiële redenen. Maar door dat vele speelgoed kan een kind overstuur geraken. Daarom kan het belangrijk zijn af en toe een deel speelgoed in een doos te stoppen en voor een maandje op te bergen. Als dat dan na die maand weer tevoorschijn komt, is het voor een kind net of het iets nieuws is. Wat ook interessant zou kunnen zijn, dat is met een bevriend ouderpaar eens ruilen.
— Partnerruil ?
J.P.:
Neenee, speelgoed ruilen natuurlijk. En dan zou ik ook nog iets willen zeggen over het feest van Sinterklaas zelf. Het heeft natuurlijk een aantal voordelen, waarvan het voornaamste is dat het eens een speciale gelegenheid is. Tenslotte is het dagelijkse leven van kinderen in onze maatschappij toch ook niet altijd zo boeiend. Net zoals wij af en toe behoefte hebben om te feesten, vinden zij dat natuurlijk ook plezant. Maar van de andere kant ontstaat er in zo’n perioden een zulkdanige sfeer dat vooral kleine kinderen erg nerveus worden. Slecht slapen is daar natuurlijk maar één voorbeeld van. En als dan eindelijk de grote dag is aangebroken dan krijgt dat kind iets van de ene grootouders en van de andere en misschien is het zelfs een kind van gescheiden ouders dan zit de kans er dik in dat het geschenken krijgt van twee ouderparen en vier grootouderparen ! En dan spreken we nog niet over de nonkels en tantes. Je kan je wel indenken dat dit voor een kind soms echt teveel wordt.
En dan krijg je het zeer vervelende fenomeen dat een kind soms « ambetant » wordt als het een geschenk krijgt. Daarom zou ik ouders de raad geven eerst een beetje na te gaan wat het kind zo allemaal zal krijgen om dan zelf b.v. iets kleiners te kopen. Ik denk dat een kind daarvoor niet « kwaad » zal zijn, hoor. Tenzij je een echt kleine familie hebt, moet je dat zeker wat proberen indijken want kinderen krijgen echt veel te veel. Dat neemt o.a. het respect weg voor het speelgoed dat ze krijgen, de dingen verliezen hun waarde, het geeft hun niet dat er iets kapot is b.v. Trouwens meestal nemen kinderen één ding uit de hele hoop die ze hebben gekregen en dààr spelen ze mee, de rest laten ze gewoon liggen. En op zo’n moment kan dat systeem van wegbergen soms goede diensten bewijzen.
Zijn kinderen kleine sadistjes?
— Akkoord, maar soms heb ik de indruk dat het bij kinderen ook vaak « liefde op het eerste gezicht » moet zijn. Daarmee bedoel ik dat eens zij een stuk speelgoed hebben versmaad, zij dit zelden zullen « herontdekken ». Tenzij het oorspronkelijk nog niet voor hun leeftijd was geschikt uiteraard.
J.P. :
Ja, het is soms gek waarom kinderen zich precies aan dat ene welbepaalde stuk speelgoed hechten. Bij troeteldiertjes is dat een gekend fenomeen natuurlijk. Het zou uiteraard prachtig zijn dat een kind aan ieder stuk speelgoed dat men het gaf zich zo hechtte, maar in de praktijk blijkt dat natuurlijk ondoenbaar. Het is trouwens ook moeilijk te voorspellen. Maar dat is misschien maar goed ook. Het is toch ook niet wenselijk dat een kind zo maar alles klakkeloos aanvaardt. Eigenlijk is het toch goed dat een kind, om wat voor reden dan ook, z’n persoonlijke voorkeur voor iets laat blijken. Zij het dat dit ook weer niet extreem mag worden, want we kennen allemaal wel kinderen die iets ten allen tijde meesleuren…
— Linus met z’n dekentje ? Jan en Taafke ? (*)
J.P.:
Zoiets ja. Wel, zo’n kinderen worden eigenlijk zeer kwetsbaar. In crèches en zo hebben andere kinderen snel door dat ze hen aan het huilen kunnen brengen door die beer of dat stuk speelgoed af te nemen en dat doen ze dan ook graag. Niet dat kinderen kleine sadistjes zouden zijn, maar voor hen is het gewoonweg « plezant » als ze vaststellen dat ze door zo’n kleine ingreep zo’n grote reacties — huilen en wat weet ik al meer — kunnen teweeg brengen. Dat geeft hen een kick.
— In dat verband vind ik het verschijnsel E.T. de jongste jaren toch erg opmerkelijk. Zelfs kinderen die de film niet hebben gezien of die hem onmogelijk hebben kunnen « verstaan », schijnen voor dit buitenaardse wezentje een toch wel merkwaardige affectie op te vatten. Blijkbaar appelleert dat aan een oerinstinct, aan een soort van religieuze behoefte zelfs. Nu staat men daar in progressieve kringen tweeledig tegenover. Enerzijds vindt men het een nefast voorbeeld van hoe de commercie iets aan kinderen kan opdringen, anderzijds zegt men : kom, het is toch een symbool voor vrede, vriendschap, solidariteit, we kunnen dit dus best toejuichen…
J.P.:
Ik heb toch de ervaring dat kinderen die nog te jong zijn om het verhaaltje te snappen, dat die in feite niet door die E.T.-figuur worden aangesproken. Ik denk dus dat het poppetje b.v. niet spontaan dergelijke gevoelens oproept bij kinderen. Neen, het kind moet wel degelijk de film hebben gezien. Vergeten we niet dat ook dit weer een film van Spielberg (zie ook daarstraks «Indiana Jones », red.) is en we opnieuw in die discussie over beeldtaal terechtkomen. Volgens mij komt het dus door het karakter in de film en niet door het uitzicht zelf. En dan identificeren ze zich daar inderdaad mee. Er wordt daar op school veel over gepraat en zo.
Kinderen zijn gewend dat volwassenen zich met hen bezighouden
— Nog iets voor oudere kinderen misschien ?
J.P. :
Wel, uit mijn ervaringen met de Kindertelefoon leid ik af dat het thema verveling naast seks de hoogste toppen scoort. Kinderen die uit verveling eens opbellen dus. Nu, in het begin vonden wij dat zelf ook nogal vervelende telefoons en daarom hebben wij een aantal vragen daarover voorbereid. Een daarvan is ook : wat heb je eigenlijk allemaal aan speelgoed ? En dan volgt er meestal een eindeloze lijst. Vaak onderbreken ze even om eens een kijkje te gaan nemen op hun kamer en dan zijn ze weer voor een ganse tijd weg. Ze hebben dus ontzettend veel speelgoed, maar er is helemaal geen verband tussen dat en zich kunnen bezighouden. Ik denk dat dit het grote probleem is voor kinderen van de lagere school. Die zijn zo gewoon dat volwassenen zich met hen bezighouden — op school en ook thuis, al is het dat dan maar samen naar televisie kijken — dat ze eigenlijk niet meer weten wat te doen eens die stimulans er niet meer is.
— Leid je daar dan ook uit af dat het eigenlijk niet zo erg hoeft dat ouders met hun kinderen spelen ? Dat ze maar moeten leren zelfstandig zijn?
J.P. :
Ik denk dat het probleem vooral is dat als kinderen echt iets uit zichzelf doen dat dit dan te weinig door de volwassenen wordt geapprecieerd, zowel op school als thuis. Vandaar dat de meeste kinderen zich eigenlijk « laten » leven. Die houden zich enkel bezig met wat zich aanbiedt, of dat nu op school is of in de jeugdbeweging. Dat is natuurlijk typisch voor onze manier van leven. Bij Turkse kinderen is dat b.v. veel minder het geval. Die leven voor het grootste stuk — als ze niet op school zitten — op straat. En daar hebben die soms heel belangrijke dingen te doen. Die maken afspraken en gaan dan b.v. in een kruidenierswinkel een handje toesteken tegen betaling. Die houden zich dus bezig met zaken die voor hen echt zinvol zijn. Wij vinden dat echter veel te gevaarlijk, dus wij houden onze kinderen beschermend binnen enz., wat natuurlijk op zich niet verkeerd is, maar de verveling wordt daardoor toch gemakkelijk in de hand gewerkt. Hoeveel ouders zouden ’s avonds al was het maar vijf minuten eens met hun kind praten of er iets mee doen ? Eigenlijk leven die naast mekaar.
— In de reeds geciteerde enquête van de vrije scholen blijkt inderdaad dat slechts 14 % van de ouders aan die eis beantwoorden en dan nog omdat ze zéggen dat het zo is, wat natuurlijk daarom ook nog niet waar is. Bovendien blijkt ook dat kinderen bij voorkeur in de woonkamer of in de keuken spelen terwijl de ouders juist de neiging hebben om ze ergens anders te doen spelen. Op hun eigen speel- of slaapkamer als ze bemiddeld genoeg zijn maar anders toch ook in de kelder of op zolder of in de garage. Buiten het feit dat op die koude vloeren spelen me niet erg bevorderlijk lijkt voor de gezondheid – ik spreek uit ondervinding (**), denk ik toch ook dat kinderen inderdaad de aanwezigheid van een volwassene op prijs stellen al was het maar om enige goedkeuring of interesse te krijgen…
J.P. :
Dat is zeker bij kleine kinderen het geval. Een speelkamer is daarvoor enkel goed om het speelgoed er te stockeren. Het is on¬menselijk om zo’n kind daar ook nog alleen te laten spelen. De kans zit er dan trouwens dik in dat het kattenkwaad gaat uithalen, speciaal opdat er iemand zou komen kijken wat er precies gebeurt. Slechts vanaf acht, negen jaar kunnen kinderen zich alleen of met twee op hun kamer bezighouden. Nee, het is inderdaad de living die de meest geschikte plaats is om te spelen. Het komt er dan maar op aan die zodanig in te richten dat ieder zijn eigen « territorium » heeft, want ook de volwassene heeft natuurlijk daarop recht. Ook peutertuinen functioneren trouwens beter als ze verschillende hoekjes hebben, waar ieder kind op zichzelf kan spelen, terwijl de anderen toch aanwezig zijn.

Referentie
Ronny De Schepper sprak met psycholoog Jan Peeters: “Een kind dat niet speelt is ziek”, De Rode Vaan nr.48 van 22 november 1984

(*) Inside joke. Jan Mestdagh kon in die tijd (en wellicht nu nog altijd) geen afstand doen van een voddenpop uit zijn jeugd, Gustaafke genaamd, kortweg Taafke.
(**) Een merkwaardige persoonlijke toevoeging, die teruggaat op het feit dat ik zogenaamd “kinderreuma” heb gehad en dat dit zou te wijten zijn geweest aan het feit dat ik te veel op mijn kousen speelde (dus zonder schoeisel). Maar daarmee wek ik dan wel de totaal verkeerde indruk dat dit in de kelder of op zolder zou zijn geweest. Nee, ik behoorde tot die kinderen, die met hun gat in de boter waren gevallen en die dus zowel een eigen slaapkamer als speelkamer hadden. Ja, enig kind zijn heeft ook zo soms z’n voordelen…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.