In 1930, terwijl de Wall Street Crash nog steeds aanleiding gaf tot stoutmoedige recordpogingen diepspringen, sloegen Herman Fisher en Irving Price de handen in elkaar (Helen Scheller was er ook nog bij, maar haar naam heeft de slag niet overleefd), en zij besloten een speelgoedbedrijfje te beginnen met de slogan « ons werk is kinderspel ». Aangezien dat gebeurde in de VS en meer bepaald in de nabijheid van de Niagara-watervallen was het niet denkbeeldig dat dit een originele aanzet kon zijn om ook een spectaculaire duik te wagen. Oorspronkelijk zag het er ook zo naar uit trouwens. In 1938 keerde echter het tij. Niet dat het houten speelgoed van Fisher-Price ingeschakeld werd in de oorlogsindustrie, oh nee, het was een hond die hun voor een keer geen drol maar gouden windeieren legde. Snoopy was de naam en dat iedereen dit beestje ook kent als stripfiguur is géén toeval, maar het is dus duidelijk dat de getekende Snoopy van Charles Schultz geïnspireerd is op de houten voorganger en niet omgekeerd.
Na de oorlog, meer bepaald in 1949, schakelt men over op kunststof en van dan af is de doorbraak van Fisher-Price niet meer te stoppen. In het begin van de jaren zestig kent men niet alleen het ontstaan van de rode telefoon, maar ook de rollende, waarvan er sindsdien zo’n dertig miljoen over de toonbank zijn « gerold ». Tijd dus om aan uitbreiding te denken en in 1969 sluit Fisher-Price aan bij de Quaker-Oates Company (overigens niets met de religieuze sekte van de Quakers te maken), die 33.000 mensen tewerkstelt in de sectoren voeding, scheikunde en speelgoed. Een tweehonderdtal daarvan hebben sinds een tiental jaren een onderkomen gevonden in Kaulille. De verkoops- en managementsdirecteur daarvan is Jean Gillot en hem voelden we even aan de tand over de weerslag van de crisis op de speelgoedindustrie en andere Hete Hangijzers.
Slechts een tiende komt op de markt
Jean Gillot : Ik denk dat op de Belgische markt Lego de grootste is, dan volgen wij en de derde is Playmobil op gebied van markt-aandelen. Maar België is een heel vieze speelgoedmarkt, hoor, want de meeste fabrikanten hebben ook een distributeur in België. En distributeurs dat zijn mensen die producten kopen en verkopen, maar die niet trachten van iets op te bouwen. Op een zeker ogenblik kan dit echter wel veranderen. Maar voor het moment denk ik dat de grootste firma — op gebied van zakencijfer en verschillende producten — Unica is uit Heule. Op gebied van marktaandelen zijn die mensen echter nergens. Zij zijn b.v. verdelers van Playmobil, maar dat is een stuk van hun zakencijfer en dáár werken ze op, niet zoals Lego of wij die iets trachten op te bouwen. Dat wil zeggen : publiciteit maken, mensen informeren, enz.
– Tot zover de Belgische markt, maar wat met de wereldmarkt ?
J.G.: Voor zover de informaties kloppen die ik heb is de grootste wereldfabrikant nog steeds Mattel. De tweede is General Mills en wij zijn de derde op het gebied van grootte van de firma. Als men echter het segment neemt van kinderen van nul tot zes jaar dan komt de eer van de grootste ons toe.
Dat is eigenlijk geen verrassing want zoals u wel zal weten, worden onze producten in feite gecreëerd door de kinderen zelf. Wij zijn namelijk één van de weinige fabrikanten die een peuterschool in de fabriek hebben. Wij creëren tussen 150 en 250 prototypes per jaar. Toch worden daarvan slechts een tiental op de markt gegooid. Meestal dan nog eerst in de VS en hier in Europa wachten wij dan af hoe daar ginder wordt op gereageerd. Bijgevolg gebeurt het maar zelden dat wij hier een product op de markt brengen dat eigenlijk niet goed verkoopt. Het is trouwens één van mijn principes om aan onze voortverkopers enkel producten aan te bieden waaraan ze echt geld kunnen verdienen.
Je mag immers ook niet vergeten dat de mensen van het team « Research and Development » eigenlijk echte artiesten zijn. Wat anderzijds natuurlijk niet betekent dat zij dagelijks een idee hebben. Reken dus daarbij dat uitproberen in de Fisher-Price school en je komt meteen aan drie à vijf jaar om iets op de markt te brengen. Als de kinderen b.v. met zo’n prototype dienen te worden geconfronteerd, dan mogen zij natuurlijk niet wéten dat het een prototype is. Daarom wordt dat geconstrueerd als gold het een echt product en wordt het tussen speelgoed van concurrenten geschoven, want wij leren natuurlijk ook iets uit de reactie van onze kinderen op het werk van de concurrentie. Zij worden namelijk geobserveerd vanachter éénrichtingsspiegels.
Op die manier is trouwens ook de fameuze telefoon ontstaan. Een bepaald kind bleek immers de voorkeur te geven aan de telefoon die toevallig in de school stond, boven al dat speelgoed waaruit hij de keuze had, en hij was daaraan zelfs zo verknocht dat hij die overal achter zich aan zeulde. En zo zijn onze diensten op dat idee van een rollende telefoon gekomen. En om die dan te personaliseren hebben ze hem meteen ook maar ogen en een mond gegeven, wat het voor een kind nog sympathieker maakt.
Een pop is geen speelgoed
76— Dat het drie tot vijf jaar duurt voor u een product lanceert, heeft natuurlijk wel het nadeel dat concurrenten u soms met een gelijkaardig product kunnen voor zijn. Zo zal u zich wel de haren uit het hoofd hebben getrokken dat, net voor Fisher-Price met een set nieuwe maar « traditionele » poppen op de markt zou komen, men hier die fameuze « cabbage »-poppen (zie onze voorpagina) begon te verspreiden. Maar dan blijkt dat die het hier niet echt « doen », dus dat wachten heeft dan uiteindelijk toch resultaat opgeleverd ?
J.G.:
Ja, maar dan moet ik er wel bij vertellen dat deze poppen voor het eerst in de annalen van Fisher-Price eerst in Europa worden uitgebracht en pas daarna in de Verenigde Staten (waar die cabbage-poppen wél populair zijn, red.). Ze zijn ook door research¬mensen hier in Europa gecreëerd. Een pop is immers geen speelgoed. Voor een meisje is een pop geen speelgoed, maar een echt kind. Dat is iets van háár. En daarom zijn we reeds in juni 1980 met een studie daarover begonnen, want tenslotte was het voor ons een heel nieuw product, iets heel anders als wat we normaal brengen. Dat we dan uiteindelijk geopteerd hebben voor klassieke poppen is dan ook gebaseerd op heel wat onderzoek. Wat poppen betreft wenst een kind echt dat ze zo realistisch mogelijk zijn.
— Kunnen ze dan ook boeren laten, plassen, huilen en zo ?
J.G.:
Helemaal niet. Enfin, nóg niet. Maar ze zijn wel volledig wasbaar, niet enkel in bad, maar zelfs in een wasmachine.
— Dit gesprek verloopt duidelijk in een optimistische stemming, heeft u dan geen last van de economische crisis ?
J.G.:
Jazeker, en dat eerst en vooral omdat de speelgoedmarkt geen uitbreiding neemt. Zelfs niet in verhouding met de inflatie. Ten tweede zijn er ook veel minder geboortes. En ten slotte geven de mensen minder geld uit omdat ze er gewoon minder hébben. Het is dus heel logisch dat de speelgoedmarkt stilletjesaan aan het dalen is. Maar wijzelf hebben daar toch minder problemen mee en dat is heel makkelijk te begrijpen : wij bieden immers producten aan die lang meegaan. Daar staat wel tegenover dat men doorgaans misschien denkt dat die producten dan ook een beetje duurder zijn, maar dat is helemaal niet waar. Vroeger misschien wel, want dan werkten ook wij met een distributeur die de producten vanuit de States moest krijgen. Niet alleen moest die mens natuurlijk óók winst maken, op de koop toe was die aangewezen op de koers van de dollar. Nu gebeurt dat niet meer. Wij hebben hier in Europa immers onze eigen fabrikanten. En dat is maar goed ook want als we de dollar nog steeds moesten volgen dan verkochten we niks meer !
Maar wat zien we nu ? Neem nu nogmaals die telefoon als voorbeeld. De aanbevolen verkoopprijs daarvan in België is 425 fr. Nu daag ik u uit om iets te vinden van die prijs met dezelfde speelwaarde, sterkte en design. Wat betekent immers « duur » in speelgoedtermen ? Zo van die « magische balletjes » die zo goed bonken, die kosten misschien maar twintig frank, maar als een kind daar slechts tien minuten mee speelt en er nadien niet meer naar omkijkt, dan is dat duur. En daarom ook hebben wij minder last van de crisis. Aangezien de economie immers slecht draait, willen de mensen zekerheid als ze iets kopen, zekerheid dat het zal bevallen en zekerheid dat het lang zal meegaan. Dat plus het feit dat onze nieuwe manier van verdelen nog maar vijf jaar oud is, geeft ons de kans om voorlopig nog stilletjes aan te stijgen.
Dat tracht ik ook te bereiken met een rotatie bij de winkeliers, dat wil zeggen dat ik af en toe de beslissing neem iets uit de productie te nemen, zoals b.v. na al die jaren onze Snoopy. Dat is steeds een heel moeilijke beslissing natuurlijk, omdat je wél weet wat die producten binnenbrengen, terwijl je dat van de nieuwe nog moet afwachten. Maar als het verkoopskwantum van een bepaald product niet hoog genoeg meer ligt, dan is het toch niet meer nodig zeker om de winkeliers toch nog aan te sporen te trachten dit product te verkopen ! Wij mogen met winkeliers niet spelen, dat zijn mijn klanten. Dat zijn mensen die wij zoveel mogelijk service moeten trachten te geven.

Referentie
Ronny De Schepper, Jean Gillot (Fisher-Price): “België is een heel vieze speelgoedmarkt”, De Rode Vaan nr.48 van 22 november 1984

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.