Het is vandaag al 95 jaar geleden dat de Nederlandse toneelauteur Herman Heijermans is gestorven…
Hij werd geboren in Rotterdam op 3 december 1864 en groeide op als oudste zoon in een liberaal joods gezin met elf kinderen. In 1893 begon Heijermans als toneelrecensent bij de net opgerichte krant De Telegraaf. Hij schreef felle kritieken en creëerde daarmee al snel veel vijanden. Hij begon zelf ook toneelstukken te schrijven, die telkens wantoestanden beschrijven. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk “Op hoop van zegen” (1900).
“Op hoop van zegen” gaat over de zware omstandigheden van de vissers, maar ook over de lijdzaamheid van de vissersbevolking, gesymboliseerd in het gelovige Kniertje.
Technisch gezien is dit uitstekend toneel:
– het is géén tragedie, maar eerder een vreemde mengeling van een treurspel met een blijspel (de humor komt vooral van de oude schippers, meer in het bijzonder van Kaps, de boekhouder van reder Bos);
– de milieuschildering die in zekere zin aangrijpend is (huisvesting, kledij); ook de taal (dialect, brutaal) wordt minutieus nagebootst;
– het slot van ieder bedrijf is een ontroeringsmoment (1ste bedrijf: de oorringen; 2de bedrijf: “je ziet me nooit meer weer”; 3de bedrijf: de beklemming van het meisje Jo; 4de bedrijf: de dankbaarheid van Kniertje t.o.v. Bos);
– de hoofdfiguur is een literair feit geworden: Kniertje wordt afgekeurd, maar blijft sympathiek;
– het is een tendensstuk, waarin de socialist Heijermans op een uitstekende wijze de arme vissers tegenover de rijke reders plaats. Het is de aloude tegenstelling van arbeid tegenover kapitaal. Arbeid die nooit voldoende opbrengt tegenover kapitaal dat altijd aanwast. Daarbij komt nog een aanklacht tegen het onvoldoende toezicht op de schepen, tegen de ontoereikende weduwen- en wezenzorg en tegen leger en politie die altijd de kant van het kapitaal kiezen.
Zelfs in de jaren zestig ontstond er nog een rel n.a.v. de opvoering van “Op hoop van zegen”. Een zekere A.J.Ligthart, destijds hoofd van de visserij, stelde voor om de dossiers van alle vergane schepen tussen 1870 en 1900 te openen. Hieruit zou blijken, althans volgens hem, dat de aanklacht ongerechtigd was. De oudste dochter van Heijermans, Hermine, haalde er echter de oude schipper Hartveld bij die namen van schepen, data en plaatsen kon noemen van schepen die hij moest “wegbrengen” voor zijn reder Van Wijngaerde. (*)
De indrukken voor dit stuk had hij onder meer opgedaan in Scheveningen en Katwijk aan Zee, waar hij enkele jaren woonde en bevriend raakte met de schilder Jan Toorop.
De meeste van zijn stukken gingen in première bij de Nederlandsche Toneel Vereniging in Amsterdam, waar Esther de Boer-van Rijk (1853-1937) de voornaamste protagoniste was, vooral als Kniertje in “Op hoop van zegen” en als Eva Bonheur. Zij speelde ook tweemaal de hoofdrol in de verfilming van “Op hoop van zegen”, namelijk in de stomme versie uit 1918 van Maurits H.Binger en in de gesproken versie uit 1934 van Alex Benno.
Het toneelwerk van Heijermans wordt ook wel eens als “statisch toneel” omschreven (**), een term die teruggaat op Anton Tsjechov. Evert De Jong deelt de werken van Heijermans dan ook in volgende kategorieën in:
1. Zijn “Tsjechoviaanse” stukken (vergeefse poging om aan een situatie te ontkomen)
– “Ghetto” (1898) over joodse sjacheraars en voddenkooplieden. Rafaël, een hooghartig iemand, wil zich uit dit ghetto verheffen in een nieuw (dat van het socialisme). Rose (zijn ex-lief) is de enige die eraan ontsnapt door haar “liefde tot de medemens, de liefde die zelfverloochening inhoudt.” (p.22)
– “Schakels”: vgl. “Vor Sonnenuntergang” van Hauptmann uit 1932. Kinderen verijdelen uit winstbejag een tweede huwelijk van hun vader. Gaat eigenlijk over (sympathieke!) kapitalisten.
– “De Opgaande Zon” (1908): over de teleurgang van de middenstand door de grootwarenhuizen. Vgl. met “Eigen Haard” van Anna van Gogh-Kaulbach, maar bij Heijermans is die teleurgang al voorbij als het stuk begint.
En dan ook in volgende eenakters:
– “Nummer tachtig”: vgl. met “La mort de Titangiles” van Maurice Maeterlinck). Bedoeld als aanklacht tegen de celstraf. In het woord vooraf krijgen eventuele regisseurs de raad mee het stuk niet realistisch te laten spelen.
– “Het kind”: de ouders van een blindgeboren kind willen euthanasie toepassen, maar kunnen het niet over hun hart krijgen.
– “Saltimbank”: vgl. met “I Pagliacci” van Leoncavallo. Aujust probeert eerst aan het clowns-milieu te ontsnappen, maar wanneer hij uiteindelijk zijn ontslag krijgt, weigert hij te vertrekken.
– “Kwelling”: een blinde, getrouwde man wordt verliefd op een andere vrouw. Om zijn vrouw “gerust te stellen” scheurt hij een foto van de vrouw stuk, maar zijn echtgenote trapt er niet in.
– “Hans” (onvoltooid fragment): Hans heeft syfilis (opgelopen in een havenkroeg toen hij dronken was) en wil zijn huwelijk verbreken, alhoewel hij nog van zijn vrouw houdt. Door het feit dat het stuk onvoltooid is gebleven, weten we niet wat er gaat gebeuren.
– “Beschuit met muisjes”: slechts met zekere reserves, want dit stuk kent wel een ontwikkeling, al komen we op het einde in dezelfde situatie terecht als in het begin en dit zonder cirkelbeweging (eerder op en neer). Vgl. met “Les héritier Rabourdin” van Zola, maar dit is dan wel een traditioneel intrigedrama.
2. Stukken over een situatie, zonder een poging om eraan te ontkomen
– “Ahasverus”: gesitueerd in een Joods-Russisch milieu. Nogal Leariaans: contrastsituatie, symbolische storm, kindervervloeking, dramatische ironie, niet streven naar “realistische” uitbeelding;
– “Op Hoop van Zegen”: vgl. “Steunpilaren der maatschappij” (Ibsen), maar beiden gaan echter terug op de acties van het Engelse parlementslid Samuel Plimsoll. Heyermans valt echter niet de enkeling, één specifieke gemene kapitalist aan (het schip is b.v. niet opzettelijk vergaan), maar een hele dergelijke maatschappij, waarvoor het rotte schip juist een symbool is. De Jong heeft echter geen benul van klassenstrijd en interpreteert Heijermans daardoor totaal verkeerd: “Het resultaat van zijn (d.i.Kaps, RDS) optreden is precies tegenovergesteld aan dat van het optreden van Pfeifer (een figuur uit Die Weber, RDS): maakte die de kloof tussen beide partijen dieper, Kaps, die in beide kampen thuishoort, veroorzaakt een grotere gebondenheid tot één groep met interne tegenstellingen.” (p.59) Dit stuk werd in het Engels vertaald door miss C.St.John, die bevriend was met W.B.Yeats en J.M.Synge. Deze laatste werd hierdoor geïnspireerd tot het schrijven van “Riders to the Sea”.
– “Ora et labora” (1902) over het platteland: het meest statische en tegelijk meest socialistische drama van Heijermans.
– “Uitkomst”: vgl.”Hanneles Himmelfahrt” (Hauptmann). Bewerking van Heijermans novelle “Dolle Jans Droom”, waarin de dood van genoemde Jan (verlamd nadat hij uit een boom is gevallen) de “uitkomst” biedt voor een arm kruiersgezin. Cfr. G.V.H., Heijermans gaf geen ‘Uitkomst’, De Standaard, 25/4/1974 over de opvoering in de KNS. Met als openingszin: “Mede uit teleurstelling over het koele onthaal van zijn ‘Uitkomst, spel van droom en leven’ vertrok Herman Heijermans in november 1907 voor vijf jaar naar Berlijn, weg uit Amsterdam. Nu Teater uit Arnhem dinsdagavond in een regie van Elise Hoomans ‘Uitkomst’ in de KNS bracht (…), begrijp je beter de teleurstelling zowel van Heijermans als van het publiek.” Waarom dit dan zo is, vernemen we op het einde van de recensie: “In zijn droom blijkt Jan wel het egoïsme van zijn zuster Sien te hebben doorzien, maar niet het ongeduld van zijn vader en evenmin het zwijgende geduld van zijn broer. Het stuk zendt je dus in onvrede naar huis, maar je bent toch getroost door de voorbeeldige afwerking van de sterke toneelgroep Teater.”
– “De meid”: vgl. “Le mariage d’Olympe” (Augier). Toch zekere ontwikkeling: een meid speelt baas over haar meesteres, omdat ze haar geheim ontdekt heeft. Als iemand anders het geheim echter achterhaalt, wordt ze alsnog ontslagen.
En dan verder in de volgende eenakters:
– “Puntje”: geschreven voor de SDAP. Over de pastoor als kapitalistenvriend. Werd op 25 januari 1903 door de Multatulikring opgevoerd in het feestlokaal van de BWP in de Bagattenstraat in Gent als “voorprogramma” van de oercreatie van “Het gezin Van Paemel” van Cyriel Buysse.
– “De machien”: een aantal arbeiders worden hierdoor op straat gezet.
– “De lamp”: over een rat bij een staking.
– “Brief in schemer”: anti-oorlogsstuk.
– “De buikspreker”: idem.
– “Nocturne”: grensgeval (situatie aan het slot beëindigd).
– “Het kamerschut”: enige statische klucht.
3. Stukken waarin de situatie wel verandert maar de karakters niet
– “Allerzielen” (1904) over de religie; vgl. met “Ueber den Wassern” van George Engel en “Een herder” van Jan Bruylants: telkens over twee pastoors (een “goeie” en een “slechte”) die door het binnenbrengen van een “meisje van plezier” (bij Heijermans: Rita, symbool voor de goede mens van de toekomst) in conflict komen.
– “Dageraad”: vgl. met “Die versunkene Glocke” van Hauptmann; gesitueerd in de Middeleeuwen; geschreven in rijmloze, vijfvoetige jamben; thema: iemand geraakt door een uitvinding uit de armoede, maar door de uitvinding verliezen anderen hun werk.
– “Eva Bonheur” (1919) cfr. “Het geloof in de goedheid van de mens”, niet ondertekend artikel in de Gazet van Antwerpen van 20/11/1972
4. De uitzonderingen: ontwikkelingsdrama’s
– “Dora Kremer”: zijn eersteling, vgl. met “Een poppenhuis” (Ibsen)
– “De Vliegende Hollander”: flop. Over een weddenschap (klucht + moraliteit).
– “Van Oude ‘De Morgenster'”: sentimentaliteit + sensatie = melodrama; generatieconflict.
– “Ego (Vorstendroom)”: het eeuwige conflict tiran-individu.
– “Verloving”.
– “De Schone Slaapster”: zie “Ego”.
– “Het zevende gebod”: “Blijkens de titel heeft Heijermans willen aantonen zoiets als: de zogenaamde zonde tegen het zevende gebod, de vrije liefde (Peter-Lotte), kan zuiverder zijn dan menige wettelijk gesanctioneerde verbintenis (het huwelijk van Gaaike).” (p.105-106)
5. Niet teruggevonden bij De Jong
– “Het pantser” (1902) over het leger;
– “Bloeimaand” (1903) over bejaardentehuizen;
– “Glück auf!” (1911) over de mijnen;
– “De wijze kater” (1917) over corruptie.
Grosso modo kan men stellen dat Heijermans wel pogingen van zijn personages beschrijft om aan hun lamentabele toestand te ontsnappen, maar dat zij daar uiteindelijk niet in slagen. Dat zou Heijermans wellicht zeer ongewenst maken in landen die het socialistisch-realisme aankleefden. Toch was Heijermans zeer actief in de socialistische beweging. Hij was in 1897 lid geworden van de in 1894 opgerichte Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP, de voorloper van de PvdA) en schreef voor die partij in 1898 het propagandastuk Puntje. Begin jaren ’20 van de vorige eeuw was Heijermans korte tijd directeur van Theater Carré.
Herman Heijermans overleed op 22 november 1924 op 59-jarige leeftijd in zijn huis in Zandvoort aan de gevolgen van kanker. Zijn begrafenis, georganiseerd door de SDAP, vond plaats in Amsterdam. Illustratief voor zijn populariteit is het grote aantal belangstellenden langs de route van de lijkkoets van Zandvoort naar Amsterdam: de mensen stonden rijendik. Er bestaan filmbeelden van Heijermans’ begrafenis. Er zijn geen filmbeelden bekend van Heijermans in levenden lijve.

Ronny De Schepper

(*) Anton van Wilderode
(**) Met name door Evert De Jong (°1924), Herman Heijermans en de vernieuwing van het Europese drama, Groningen, J.B.Wolters, 1967, 152 blz.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.