Lange tijd bleef de mode hetzelfde, zelfs bij de rijken. Van de 16de tot de 18de eeuw veranderden slechts enkele kleinigheden (vorm van de hoed, de broek kreeg een gulp), maar het voornaamste modeverschijnsel is dat de welgestelden zich meer en meer van de boerenbevolking wilden onderscheiden. Het bovenkleed, verschillend van lengte voor de mannen, lang voor de vrouwen, verving de overkiel. De onderkiel, die zowel mannen als vrouwen aantrokken, werd door alle lagen van de bevolking gedragen tussen hemd en overkleed.

In de 16de eeuw, ten tijde van Bruegel, droegen de boeren een korte kiel, waar het hemd onder te zien was; de gulp van de broek werd duidelijk centraal gesteld en kon zelfs als opbergzak dienen. De mantel had dikwijls pofmouwen.
Het spreekt vanzelf dat boerinnen niet werden gehinderd door stijve vulsels (radkraag of klokrok) zoals de adel. Over verscheidene onderrokken droegen ze een kleed met brede rok waarover nog een witte schort kwam. Een sluier verstopte het haar.
In het begin van de 17de eeuw was de dameskleding in adellijke kringen nog gekenmerkt door de Spaanse strengheid. Ze werd soepeler onder Franse invloed. Onder de « vlieger », een soort open kleed, droegen de vrouwen een strak corsage en een onderrok, opgehouden door een reeks concentrische cirkels; dat is de klokrok. Om de hals droegen zij een rad-kraag. De mannen droegen een wambuis en een pofbroek tot aan de knieën.
In de 17de eeuw bepaalde het Spaanse hof de mode, vooral in de Nederlanden, die van de Spaanse Habsburgers afhingen. De voornaamste rivaal was het hof van Frankrijk, dat na het Spaans bewind aan de macht zal komen.
Op het schilderij van Rubens uit 1609, waarop hij zichzelf afbeeldt samen met zijn echtgenote Isabella Brandt (*), draagt Isabella een kleed waarin de Spaanse invloed nog merkbaar is. Ze draagt een vlieger, Vlaamse vorm van de Spaanse zopa, soort van overkleed dat vooraan steeds open stond. Het bestond uit een corsage en een lange rok. De vlieger liet een onderrok zien in een contrasterende kleur, meestal rood, en een borstrok.
Dit kledingstuk, versierd met fijne broderie, is verstevigd met baleinen om de borst zoveel mogelijk weg te werken.
Het eindigt in een lange punt. Een fardegalijn, bestaande uit een reeks biezen ringen, verwijdde het kleed.
Rond de hals zit een monumentale Spaanse radkraag, afgeboord met kloskant. Een hoge kegelvormige strohoed vervolledigde deze kledij. De naar achteren gekamde haren werden met een kanten diadeem versierd.
De schilder draagt een kostuum, dat veel van de Spaanse stijfheid verloren heeft en de lossere Franse elegantie aankondigt. Zijn wambuis met banden heeft geen vullingen meer en laat een kanten boord zien. De kant, specialiteit van onze streken, bekleedde een voorname plaats in de 17de eeuwse mode, zowel voor mannen als vrouwen. De pofbroek reikt tot onder de knieën. De zijden kousen zijn zorgvuldig opgetrokken. De hoed heeft een smalle rand, volgens de 17de eeuwse mode.
Op de kledij van de boeren had dit allemaal weinig invloed. Het lijfje van de vrouwen, met of zonder mouwen, was passend en er werd een wit hemd onder gedragen. De schort bedekte een brede gefronste rok. Een wit linnen kapje bedekte het samengehouden haar.
De mannen droegen een korte spanbroek tot over de knieën en kousen die zij ophielden met een kousenband. Een vilthoed met brede randen verving het platte hoofddeksel uit de 16de eeuw. Voor vuile karweien droegen ze eveneens een schort.
Over het algemeen veranderde de kleding van de werklieden uit de stad gemakkelijker dan die van de landelijke bevolking. Op het platteland werd feestkleding soms verschillende generaties lang doorgegeven. Dat kon makkelijk omdat er weinig werd gefeest. Feesten is immers tijd- en dus ook geldverlies. De enige keer dat er gefeest wordt, is ter gelegenheid van een boerenbruiloft, zoals ook Pieter Bruegel die heeft geschilderd. Zo’n feest heeft namelijk ook een sociale functie: de jonggehuwden geven aan de gemeenschap te kennen dat ze hun lot met mekaar hebben verbonden. En die gemeenschap zal daar voortaan ook streng op toezien: ontrouw wordt openlijk veroordeeld. Dat begint al op het feest zelf: de bruid mag niet dansen, overeenkomstig het spreekwoord “dansende meisjes trouwen niet”. De meisjes die wél dansen, worden daartoe genodigd door de mannen. Tijdens het dansen mogen ze elkaar aanraken en het schokkende lichaam is zinnenprikkelend. Vandaar dat dansen door de kerk wordt verboden. Het verbod heeft echter niet veel succes: de boerinnekensdans, de zevensprong of de polka des te meer. Er wordt gedanst op muziek van een doedelzak, violen zijn voor de rijken.
Vanaf de 16de eeuw ging de hygiëne achteruit, wat o.m. tot uiting kwam in de sluiting van de badhuizen, zij het dat dit vooral op morele gronden was. Het gevolg was echter wel dat men op het einde van de eeuw slechts op doktersvoorschrift nog een bad nam. Het dagelijkse toilet bleef beperkt tot het over zijn gezicht wrijven met een doek. In het beste geval waste men zich ook de voeten. In rijke kringen gebruikte men schoonheidsmiddelen. Men verving water door poeders, crèmes en parfum. Elegante dames bleven aromatische baden nemen als schoonheidsmiddel.
Vanaf de 16e eeuw wordt Spa vermeld om haar minerale water. Verhandelingen beschrijven de bronnen; er worden studies gemaakt naar de ijzer- en koolzuurhoudende eigenschappen van het water. Schrijvers, aardrijkskundigen en reizigers interesseren zich ervoor. Spa werd om nog andere redenen dan het heilzame water geliefd. De stad werd in deze moeilijke tijden een haven van rust voor mensen die om hun nieuwe ideeën hun land dienden te verlaten. Ze vonden te Spa kalmte en grote verdraagzaamheid. Een voorbeeld van de uitzonderlijke hoffelijkheid die te Spa heerste, was een politiereglement dat alle heren vanaf hun aankomst verplichtte hun degen af te gespen.
Inzake tafelgewoonten vormde het bord de belangrijkste uitvinding in de Renaissance. Het verving geleidelijk het eetplankje. Het werd in tin, ceramiek of uit hout vervaardigd. Ook het tafellinnen kende in deze tijd een evolutie. Elke gast kreeg zijn eigen servet. Daar men met zijn vingers bleef eten, moesten deze doekjes geregeld ververst worden. Het gebruik van vork en lepel bleef beperkt. Men dronk zijn soep uit kommetjes met twee oren.
Wijnen uit Frankrijk en Duitsland waren een luxe die alleen rijken zich konden permitteren. Het volk dronk bier, dat werd verkregen door het koken en herkoken van water gemengd met spelt, gerst, graan en hop. De adel hield van grote feestmaaltijden, waarbij men verschillende soorten vlees opdiende.
Ingevolge de expedities in Afrika, Azië en Amerika ontdekt Europa nieuwe warme dranken: koffie, thee en chocolade. Van deze drie kent de koffie het meeste bijval in onze streken. Hij komt uit Ethiopië. Bekend in Arabië sedert de 9de eeuw, veroverde de koffie de Mohamedaanse wereld in de 16de eeuw. Vanaf 1570 kon men er vinden op de Venetiaanse markt. Toch verbreidde het gebruik ervan in Europa zich slechts in het midden van de 17de eeuw.
Eveneens in de 17de eeuw brachten reizigers en missionarissen thee uit China in Europa binnen. Deze drank werd vooral om zijn verkwikkende waarde gebruikt. Toch kende hij slechts matig succes in ons land.
Tijdens de verovering van Mexico leerden de Spanjaarden de voedende eigenschappen kennen van chocolade.
Omstreeks 1520 namen de Spanjaarden de chocolade in hun voedingspakket op. Geleidelijk verspreidden de Spanjaarden deze nieuwe drank in de streken onder Spaans bewind, o.m. in de Zuidelijke Nederlanden. Evenals koffie en thee, had ook chocolade voor- en tegenstanders; sommigen beschouwden hem als een geneesmiddel maar anderen als zeer schadelijk voor de gezondheid.
Ook oesters waren zeer gegeerd. Ze werden opgediend met alle soorten sausen, in soep, gebraden of gekookt met gevogelte.
In de renaissance kende men overigens reeds heel goed het bestaan en de functie van de clitoris. Nicolas Culpepper schrijft in 1651 in zijn “Gids voor vroedvrouwen”: “De clitoris (…) is wat lust in vrouwen veroorzaakt en wat genoegen geeft tijdens de copulatie. Want zonder dit zal een vrouw niet naar gemeenschap verlangen, noch er plezier aan beleven.”

In 1671 schreef François Poulain de la Barre (1647-1723) het essay “De l’égalité des deux sexes”, waarin hij de voor die tijd revolutionaire stelling verdedigt dat vrouwen niet “van nature” ondergeschikt zijn aan mannen. De bestaande ongelijkheid, zo schrijft Poulain terecht, berust op onderdrukking, niet op biologische verschillen.

In 1697 start met de “Bibliothèque orientale” van de rationalist Bartholomé d’Herbelot de studie van de islam in Europa.

Ronny De Schepper

(*) Hij schilderde het hoogstwaarschijnlijk ter gelegenheid van zijn huwelijk met Isabella op 3 oktober 1609.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.