Vandaag viert uitgever Walter Soethoudt zijn tachtigste verjaardag. Bij deze gelegenheid schuif ik graag nog eens de toespraak gehouden door Lukas De Vos bij de viering van de man in de Zwarte Panter op dinsdag 4 maart 2008 naar voren. Die toespraak kreeg als titel mee “Walter Soethoudt, a man for all seasons”

Vrienden van de Zwarte Panter,
Vrienden van het Boek,
Vrienden van Nadine (en soms ook van Walter)
Walter heeft me niet uitdrukkelijk gevraagd om vriendelijk te zijn. Ik ben dan ook niet van plan om dat te zijn.
Ik beloof u één ding: mijn toespraak zal een stuk korter zijn dan de opsomming van alle boeken die Walter ooit heeft uitgegeven.
En laat ik maar meteen met de deur in huis vallen. Walter Soethoudt is een zwijn.

Ik heb het dan niet alleen over al de zwijnerijen van eigen hand die in 42 jaar op de markt heeft gegooid. Van zijn smaakmakend debuut De Spion met de kleine mond en de grote zweep (1966) tot de uitgaven bij KAK in Amsterdam onder de naam Mickey Martin (ik denk aan Een Karwei met Peper of Een Karwei met Grieten). Van Penistentie in 1970, toen de flauwe woordspelingen nog doorgingen voor fijnzinnige kopstoten, tot de Sexy Maxi’s en de Sexy Wests bij de beroemde uitgeverij de Schorpioen in Strombeek-Bever en het oeuvre van Winnetou Stradevarus bij Juthro.

Het gaat om het soort geschriften dat Freddy de Vree, zelf geen onverdienstelijk amateur-pornograaf (met name in 69 + 1 James Klont, als bij toeval uitgegeven bij … Walter Soethoudt), omschrijft als “hitsige pseudodetectives, absurdsurrealistische sprookjes gemengd met pornografie en gebrodeerd rond een western”. Freddy had het over een haast geniale roman, genaamd Sodoms Appel – met als onvergelijkelijke uitschieter de trilogie Foediralaladitoe, “waarvan het eerste deel een uitstekend derde hoofdstuk bevat, van een antiklerikalisme zoals maar zelden in onze populaire literatuur melding kan worden gemaakt”. Met dat soort grammatika kom je dus bij Radio 3 of Klara terecht.

Ik zeg dat hier achter een kommuniebank. Onder een gewelfsel dat eeuwenlang bewierookt is geweest. In een kapel die, eilazie, al meermaals het oord is geweest van godslasterlijke en verderfelijke ontboezemingen. Gij weet het wellicht niet, maar Soethoudt Walter heeft hier, op deszelfs plek in de kleine kapel, nog maar recentelijk een ontkleedpartij gehouden, voor de rolprent Het Veenlijk, die maar node is doorgeslikt door zijn pensioengerechtigde kollega-uitgever Armand Nauwelaers, vandaag een gevierd cruiseschippassant en filmliefhebber van het meer dekoratieve genre.

Ik beken, ik was daarbij betrokken. En de blauwe onderbroek van Walter Soethoudt heb ik sindsdien gemeden als blauwe bonen, zoals hijzelf een hekel had aan het sorteren van de vuile was die zijn moeder zaliger destijds, in het repressietijdvak, voor de weldenkende goegemeente moest doen. Dezelfde goegemeente die na de bevrijding vrouwen kaalschoor en opsloot in de leeuwenkooi, die trappen gaf in de buik van zwangere vrouwen zodat hun kind – het kon wel Walters zusje zijn – een vijs mankeerde, die onder Duitse foltering namen van het verzet prijsgaf maar na de oorlog de geschiedenis herschreef.

Ik zei het: Walter is een zwijn. Sus in het Latijn. Het zwijn lijkt het meest op de mens, lever, hart en maag zijn zonder afstotingsverschijnselen over te planten. Soms denk ik dat het omgekeerde even vaak gebeurd is – met als gevolg dat sommige zwijnen meer gelijk zijn geworden dan andere. Want het relaas van Walter Soethoudt i dat van George Orwell geworden: de geschiedenis van de napoleontische uitgeverswereld. Dat het zwijn Walter daarbij gesnuffeld heeft in de vuilnisbelt van al het liederlijke dat deze maatschappij ons te bieden heeft, valt hem niet ten kwade te duiden. Iemand zei het onlangs nog op een vergadering hier in De Zwarte Panter: “Die Soethoudt, da’s een rechtse zwartzak”. Hoe dat te rijmen valt met zijn “haat voor de zwarten” (dixit De Vree) is mij een raadsel – en ons Nadine is toch van Oostende ten slotte.

Ik weet het, Soethoudt heeft Robert Verbelen uitgegeven, notoir SS’er die lelijk heeft huisgehouden in Meensel-Kiezegem, maar als informant van de CIA in Oostenrijk de dans ontsprong (de tijden zijn blijkbaar niet veranderd, al heet Verbelen vandaag Belliraj). Maar Verbelen is ook de uitvinder van de Vlaamse spionageroman: Gott hat geschlitzte Augen, Der Affe auf dem Galgen, Mister Inkognito, De Rode Spion en nog van dat fraais – in het Duits, maar Maeterlinck of Verhaeren schreven ook in het Frans, zo koosjer moeten we nu ook weer niet zijn. Ten slotte is het een publiek geheim dat Hendrik de Man veel beter was in zijn Zwitserse ballingschap dan als roerganger van het Plan van de Abeid. Wie mij niet gelooft raad ik zijn twee standaardwerken aan over vissen met de werphengel uit begin jaren vijftig.

Soethoudt heeft ook ander ongedierte uitgegeven. Walter Roland bij voorbeeld, die in 1977 Welkom in Siberië schreef, Van Spooktrein tot repressie. De Oostfronter Roland bracht een trilogie over de stomme idealisten in de antibolsjevistische strijd – een kinderkruistocht van een even dwaas gehalte. Het leuke van deze verzamelbundel is dat Michel Oukhow hem inleidde – Michel, zelf de zoon van een gevluchte Wit-Rus, officier van de tsaar, en later de grootste pleitbezorger van het officiële onderwijs dat zich moest verzetten tegen de stompzinnigheid en de arrogantie van het zogenaamde vrij, en dus enggeestig onderwijs. Ach, er staan verademende bladzijden in de getuigenissen van Walter Soethoudt, over de politieke korrektheid van Jos Geysels en zijn cordon sanitaire, over de geborneerdheid van ene Herman de Coninck die sommigen voor een dichter houden, over de pseudo-aanmatiging van Nik Van Bruggen en Paul Snoek, die ijdeltuiterij voor engagement aanzagen, of over de kleinmenselijkheid van schrijvers en uitgevers waarvan Cor Ria Leeman, John Vermeulen of Mark Andries het slachtoffer werden.

En toch is Soethoudt een zwijn. Een knorzwijn, dat bij de eerste de beste tegenslag met bravoere en hooggeborstzetterij de Noordzee in wil lopen om zich te verzuipen – en het houdt bij koude voeten en een portie verse garnalen. Onder het mom van “ik wou spelende kinderen geen trauma bezorgen”. Een beetje ernst, mijnheer Soethoudt. Dat allemaal omdat een voorraad boekjes niet tijdig klaarkomt voor de Boekenbeurs. En uiteindelijk toch klaarligt. En dan maar klagen over de leeftijd, waardoor je niet in aanmerking komt voor een seniorenpas, komaan zeg.

Soethoudt is een zwijn, omdat hij uit alle ruiven eet. Blote wijven, zwarte horden, rode roedels – niemand anders durfde de gortdroge maar boeiende geschiedkunidge studies van Wim Geldolf uit te geven -, jemige jeugdliteratuur, Pink Poets gedaas, zelfs goeie dichtbundels en knappe vertalingen, Walter heeft het allemaal gebracht, één grote trog van geschriften. Waarin twee dingen opvallen: Walter durft. En Walter heeft smaak. Dat klinkt vreemd na al wat ik gezegd heb, en toch is dat zo. Samen met Banana Press en in de jaren dertig de uitgeverij Anti heeft Soethoudt de allicht meest verbazingwekkende kollektie uitgaven opgebouwd, die elke beschrijving tart. En dat heeft te maken met wat hij zelf zijn rechts anarchisme noemt. Dat hij scheep ging met Hugo Schiltz, de Volksunie en hun Franstalige Jo-met-de-banjo, Henri-Floris Jespers, dat lag voor de hand. Maar dat hij evengoed schunnige pastiches uitgaf als De Bloedige Terugkeer van Cyriel Verschaeve van de Gebroeders De Rouck, een boekje dat naast Hara Kiri en Fluide Glacial mag gezet worden, dat tart elke verbeelding. “We presenteren het aan de pers in een rijdende tram”, schrijft Soethoudt (121), “zodat we geen overvallen van de Vlaamse Militanten Orde op onze nek krijgen. Dat zal later echter alsnog gebeuren, wanneer ik word gevraagd om een aantal eksemplaren van Het Boek der Schande af te leveren in café Odal, het ‘zwarte’ café van Antwerpen waar medestichter van de VMO Bert Eriksson de scepter zwaait. Ik word er herkend door een van de klanten, die me zonder aarzelen een oplawaai verkoopt. Het enige wat ik kan doen is zo snel mogelijk vluchten”. En dat voor een man die een Inleiding tot de pugilistiek heeft geschreven ! Liever blode Walter dan dode Walter.

Soethoudt heeft voor meer dan één vermelding in het Guinness Book of Records gezorgd. Geen enkele uitgever is erin geslaagd meer zetfouten te produceren dan hij in de eerste besmuikte uitgaven van Histoire de Juliette ou les Prospérités du Vice door DAF de Sade deed. Geen enkele uitgever heeft zo’n spagaat gezet van uiterst rechts tot onweldenkend links, van indexliteratuur tot de jeugdromans bij Facet, van slechte poëzie tot baanbrekende essays. Geen enkele uitgever hield zoveel in eigen hand en betaalde zijn rekeningen op tijd als Nadine Lusyne – en soms Walter Soethoudt ook.

Dames Heren. Uitgevers komen in de hemel is een leugenachtig boek. Het is volstrekt ongeorganiseerd, zoals de werkelijkheid (en is nog erger geworden nadat ik de eerste versie had gelezen). En wie ook maar gelooft dat er een helling van 0,3 graden ligt in Opdorp (162), het geografische centrum van Vlaanderen met de mooiste dries van het land en de slechtste wielerkriteria voor artiesten, is een oen. Overtuigend is dan weer wel dat Paul Koeck Soethoudt zonder demarreren uit de wielen reed. Dit is dus een boek dat bol staat van drank, seks en petite histoire. Wie de gangmakende rol van Heere Heeresma in de Vlaamse letteren wil leren kennen, hij of zij leze Soethoudt. Wie wil begrijpen hoe de Vereniging ter Bevordering van het Vlaamse Boekwezen zichzelf om zeep hielp, hij leze Soethoudt. Wie de draf, de potgrond, de turf van de Vlaamse letteren wil doorgronde, hij leze Soethoudt.

Ik mis maar één groot verhaal. Of nee twee. Of drie. Soethoudt is er nooit in geslaagd Kurt Köhler opnieuw uit te geven. Een gemis. Soethoudt is er nooit in geslaagd Mau Marssen alias Maurits Mus en zijn Oscar de Pisser opnieuw uit te geven. Een tekort. Soethoudt heeft nooit gehoord van Jan Arnold Van der Borght, de grootste Antwerpse dichter voor Van Ostaijen en Willy Vandersteen. Een onvergeeflijke zonde. Want Van der Borght, eigenlijk afkomstig uit het Peeldorp Weert in Nederland, was de inkarnatie van Soethoudts uitgeverij: een ‘triplen’ artiest: hij deklameerde, hij dichtte, hij dekoreerde. Lang voor Soethoudt stond hij op de tafel van wat nu De Berenbak is – we schrijven het begin van de negentiende eeuw. In één van zijn ontzaglijke dithyramben, Den Razenden Napoleon, toonde hij zich een voorloper van Walter Soethoudt: er stonden meer leestekens, uitroeptekens, gedachtenstrepen, puntkomma’s, witvelden op een bladzijde dan er letters stonden. Het is Van der Borght vergaan zoals Soethoudt het voor zichzelf gewild zou hebben. Na het achteroverslaan van talloze neutjens – hij deklameerde eerder wankel dan oprecht na de aanbetaling van een stoop jenever – is hij huiswaarts gesukkeld, maar miste helaas aan de brug bij de Minderboedersrui (die toen nog een rui was) het opstapje. De volgende morgen is hij, volgens het politieverslag dat ik in amechtig Frans kon raadplegen in de Lange Nieuwstraat, teruggevonden: fier rechtsopstaand, weggezakt in de modder, maar helaas met het hoofd onder water en dus verzopen.

Die man, die verongelijkte dichter, is in feite de patroon van alle Soethoudts: de groot-nederlander (het is geen toeval dat één van de eerste boeken die Soethoudt uitgaf van de verzetsman Jos De Freyne was, die ooit een traktaat schreef, Van Socialist tot Groot-Nederlander). De hele geschiedenis van de Soethoudts is er één van oranjeklanten, of het nu bij Vlaanderen Morgen was of in het toenmalige Oranjehuis hier schuin tegenover.

En zoals alle Groot-Nederlanders heeft Walter Soethoudt altijd een boontje gehad voor de Engelsman. Zonder Soethoudt was Anthony Horowitz geen wereldster geworden. Zonder Soethoudt was Quinn van Seamus Smyth nooit vertaald. Zonder Soethoudt was Ken Bruen nooit hier te lande geïntroduceerd. En dan spreek ik alleen over meesterwerken. Zonder Soethoudt had ik nooit, om halfacht des morgens, een interview kunnen doen in een kamer van het Crest-hotel (nu Crowne Plaza) met Monty Pythons Terry Jones – zelden is er ook een slechtere foto van ons beiden gemaakt dan door Walter. Soethoudt is beter in de kernachtige beschrijving van zijn kompanen. Zo trekt hij eind november 1985 naar Montréal, met de u niet onbekende Weverbergh. Een man zonder smaak, laat ik u dat vertellen. Ik herinner me de uitreiking van de Arkprijs in 1986 aan Tone Brulin. Die had zijn hele kroost mee, een horde hongerige hologige hondenbrokslobberaars. Weverbergh had een maaltijd geregeld in de Schildersstraat. Die bestond uit zout met onbestemd voer in. De enige die at was Weverbergh zelve. En zo klinkt het bij Soethoudt: “Bijna dagelijks bezoeken we Chinatown om er kreeft te eten, die er bijzonder goedkoop is. Weverbergh kreeft zien eten, doet denken aan een botten verpulverende wolf die al weken niet meer heeft gegeten” (111). En dan blijft Soethoudt nog beleefd. Ik kan hem trouwens geruststellen. Mark Verreckt die in 1976 bij jou nog de krypto-fascistische dichtbundel Doodshoofdverbanden heeft uitgebracht, verkoopt niet overal ter wereld “metalen voorwerpen”. Hij is dood. En hij verkocht, met redelijk veel sukses trouwens, stofzuigers in Libië. Ook Wilfried Adams en Michel Bartosik hebben ons intussen helaas verlaten. En Erik Kloeck, de man die je er ooit toe verleidde op de lijst van dat schandpartijtje Vivant te gaan staan, zit zonder werk. ’t Is maar dat je ’t weet.

Want dat is de pijn eigen aan onafhankelijke uitgevers. De erosie van de vrijheid. Vrijheid van woord, vrijheid van drukpers, vrijheid van meningsuiting. In 42 jaar heeft Walter Soethoudt die vrijheid beleden, vaak meer uit domheid dan uit berekening. Maar dat siert hem. Het is de vrijheid om iedereen alles te laten weten, en nooit op de rem te gaan staan. Daarom is Soethoudt een tegenstander van het cordon sanitaire. Daarom is hij de straat opgegaan met zijn schriftjes, het opvallendst van al met zijn bulkboeken. “’t Is goed in ’t eigen hert te kijken”, parafraseert Soethoudt de diva-mannenverslindster Alice Nahon (137). “Dat zou Patty Voorsmit eens moeten doen, want zij loochent nog altijd dat ik de bedenker ben van de Bulkboeken, die in het begin verschenen onder dubbele titel Literatuur op Straat-Bulkboek” – terzijde: ik denk dat ze toen tien frank kostten, op krantenpapier waren gedrukt (zoals Leo Geerts later computerpapier zou recykleren voor Da-daders), en dat ik het eerste nummer nog altijd heb. Want, zo vervolgt Soethoudt: “Ja, zij (Patty Voorsmit dus) en haar man Theo Knippenberg hadden al eens oude kranten uitgegeven, maar ze hadden er nooit bij stilgestaan dat je op een dergelijke manier literatuur aan de man kon brengen. Er is in ieder geval het bewijs dat het eerste Bulkboek, Schroot van Jef Geeraerts, in mijn opdracht werd gedrukt op de persen va drukkerij Het Volk en dat er nadien aan mij werd gefaktureerd”.

Ik wou met andere woorden, Dames en Heren, ook iets goeds zeggen over Soethoudt. Ik neem daarbij Hubert Lampo tot leidraad, net als Georges Adé mijn voorganger als redaktiesekretaris bij het Nieuw Vlaams Tijdschrift. (Over de onwaarheden in Soethoudts beschrijving bij de stichting van Diogenes doe ik het zwijgen; over de kwaliteit van de soep in De Zwarte Panter ben ik het ook helemaal oneens met hem). Schreef Lampo niet: “Pudeur is mooi, doch het is de zwakte van de Vlaming dat hij, oog in oog, geen gemeend vriendelijke dingen durft te zeggen” (213). Dat is hier meteen goedgemaakt. Ik zal nog meer zeggen: Walter Soethoudt heeft als Volksunist ook het debuut van de onvervalste belgicist Geert Van Istendael uitgebracht, een dichtbundel met de veelzeggende titel: Vlaanderen. Een Gedicht uit 1982 – voorgesteld op de verjaardag van mijn dochter in De Ultieme Hallucinatie. Die ook al te koop staat. (Het kafee, niet mijn dochter).

Walter Soethoudt heeft zijn boekenstock voor de schamele aalmoes van 250.000 frank van de hand moeten doen. En met pijn moeten vaststellen dat boeken door hem gemaakt en uitgewerkt met imprint Clavis verschenen. For Soethoudt is an honorable man. The man you’d love to hate. Maar zoals hij zelf besluit: “Het doel heiligt nooit de middelen”. Maar de middelen wel het doel. En daarom was zijn levenswerk geen parels voor de zwijnen. Ik weet niet of uitgevers in de hemel komen. Maar in de Zwarte Panter zeker wel. En als de uitgever van Soethoudts memoires beter is dan Soethoudt zelve, dan heeft hij nu ten minste een eksemplaar van het boek bij, kan ik de drukproeven weggooien. Walter bedankt, Nadine proficiat om het zo lang met hem vol te houden, en als het niet lukt tot tot in de zevende hemel, dan ten minste tot in de Spleet.

Lukas De Vos

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.