Ik zie ze nog altijd zitten op de eerste rij in de lessen van prof.Van Elslander: Mieke Musschoot, nu zelf al professor emeritus, maar toen mijn generatie haar studies “germaanse filologie” aanvatten, was het voor haar het eerste jaar als assistent, geloof ik. En één van haar taken was dus ijverig noteren wat Van Elslander zoal te vertellen had. Ik denk dat het de bedoeling was dat dit eenmaal in een syllabus zou uitmonden, maar bij mijn weten is dit nooit gebeurd. Maar goed, ik zou dus aan haar kunnen vragen wanneer de professor het in zijn lessen over de “voor-hoofse literatuur” had (Van Elslander zelf is helaas al een tijdje niet meer onder ons), maar ik val haar al zo vaak lastig. Daarom zal ik er zelf maar een gooi naar doen. Als we ervan uitgaan dat hij chronologisch te werk ging, dan moet dit een van de eerste lessen geweest zijn. Daarom gok ik op 11 september 1969. Nine-eleven dus. Toen al!

Als we in ons vroegste literaire verleden duiken, dan is er eerst en vooral de heidense Oud-Nederlandse letterkunde van de vijfde tot het midden van de twaalfde eeuw. Het betreft hier literatuur in de volkstaal, die we kennen door de vermelding in Latijnse teksten en kerkelijke verordeningen, maar die niet werd overgeleverd omdat het essentieel een mondelinge literatuur betrof, die bovendien door de christelijke cultuurdragers niet werd opgetekend juist omdat hij van heidense oorsprong was (cfr. de IJslandse “saga’s” ofte familiegeschiedenissen; niet verwarren met “sagen”!).

Ze waren zowel episch als lyrisch en meestal nog een vermenging van beide. Zo waren er:
– heldenliederen zoals het vermoedelijk van oorsprong Hoog-Duitse “Hildebrandslied” uit de 8ste of 9de eeuw, dat beginrijmen (stafrijmen, alliteraties) had. Het “Ludwigslied” echter, nochtans ook uit 881, was Rijn-Frankisch, had reeds een eindrijm en inhoudelijk waren er ook al christelijke invloeden.
– dansliederen zoals de “winileodos” (liefdesliedjes) die in het capitularium van Karel de Grote (afbeelding) werden verboden.

En daarnaast was er dus de christelijke literatuur:
– in het Latijn in proza en in verzen (heiligenlevens; theologische geschriften; preken; liturgische teksten; hymnen).
– een uitgebreide Middellatijnse literatuur, b.v. “Isengrimus”, het dierenepos van Magister Nivardus uit het Gent van het midden van de twaalfde eeuw, dat ongetwijfeld invloed heeft gehad op “Van den Vos Reinaerde” van zo’n kleine honderd jaar later. Het verschil is dat “Isengrimus” een scherpe satire is op de geestelijkheid met lange betogen vol van allerlei allusies en getekend door een bitter pessimisme, terwijl bij “Reinaert” de satire a.h.w. voortvloeit uit het verhaal, dat vol levendige, functionele dialogen zit, die getuigen van een sceptisch realisme. De hypocriete rol van de geestelijkheid (in theorie is zowat alles onkuis, in de praktijk waren ze zelf haantje-de-voorsten) komt ook tot uiting in geschriften als “Phillis en Flora” of “Het Concilie van Remiremont”, waarin b.v. discussies voorkomen tussen ridders en klerken (geestelijken dus) over wie de beste minnaars zijn. En aangezien het door geestelijken is geschreven, is het niet moeilijk te raden wie als winnaar uit de strijd komt. Een vergadering van nonnetjes spreekt zelfs een banvloek uit over kloosterlingen die hun gunsten aanbieden aan ridders i.p.v. de “rechthebbende” geestelijken. En dat dit niet louter “literatuur” is, moge blijken uit de “abbatium pellicum” in Niort, een abdij speciaal voor “vrouwen van lichte zeden”, gesticht door Guillaume IX en geleid door een strenge meesteres, of de gemengde abdij van Fontevrault, gesticht door de dubieuze boeteprediker Robert d’Arbrissel (ere wie ere toekomt: hij had wel een vrouw, van 22 jaar dan nog wel, aan het hoofd geplaatst), waar de beide vrouwen van diezelfde Guillaume overigens hun laatste levensjaren sleten.
– in de volkstaal, zoals de Oud-Saksische “Hêliand” (voor 840; beginrijm) of de Rijn-Frankische “Evangelienharmonie” van Otfried von Weissenburg (870, eindrijm). Deze werken hadden tot doel een rol te spelen bij de christianisering. En er zijn natuurlijk de zogenaamde “Wachtendonckse psalmen”, een psalmvertaling uit de tiende eeuw, waarvan enkel het zinnetje “An âuont in an morgan in an mitdon dage tellon sal ic in kundon, in he gehôron sal” is overgeleverd (’s avonds en ’s morgens en ’s middags zal ik vertellen en verkondigen, en Hij zal horen), dat dan wel bijna honderd jaar ouder is dan “hebban olla vogala nestas hagunan hinase (h)ic ende thu“, dat meestal als “oudste Nederlandse literair fragment” wordt overgeleverd. En als je “literair” heel breed wil interpreteren dan kan “Gelobistu in got alamehtigan fadaer” (gelooft u in God de Almachtige Vader) uit een Utrechtse doopbelofte van het einde van de achtste eeuw als oudste zinnetje gelden. Let hier op de invloed van het Engels, aangezien de lage landen toen door Engelse en Ierse monniken werden gechristianiseerd.
– de ridderroman vooral geconcentreerd rond de figuur van Karel de Grote. Het voorhoofse zit hem in de ruwe heroïsche strijd, het christelijke element in de trouw van de ridder aan zijn heer. De benaming “roman” heeft niets met het huidige begrip te maken, maar met de taalaanduiding “Romaans”, wat hier dan staat voor “in de volkstaal” (tegenover het Latijn). Het is m.a.w. geen proza, zoals uit de Franse term chansons de geste duidelijk blijkt. “Geste” komt van het Latijnse “res gestae” (krijgsdaden), vandaar ook het Middel-Nederlandse woord “yeesten” of “geesten” (zoals ook nog later in “Alexanders geesten” van Jacob van Maerlant). Toch zijn ze een voorloper van de avonturenromans, in die zin dat ze later tot volksboeken werden bewerkt. Over de historische juistheid hoeft men zich alvast niet het hoofd te breken. Men spreekt dan over “epische integratie”, d.w.z. dat allerlei heldendaden op naam van een beroemde figuur worden geplaatst om ze nog belangrijker te maken. Omgekeerd worden allerlei gebeurtenissen i.v.m. die figuur gebracht om de gebeurtenissen aan belang te doen winnen.
Twee bekende voorbeelden hiervan zijn Karel ende Elegast en Renout van Montalbaen. De titel zal u misschien niet veel zeggen, maar dit is eigenlijk het verhaal van de vier heemskinderen.
De vier kinderen van Ayniijs waren Adelaert, Wutsaert met het Ros Beiaard, Ritsaert en Reinaert of Reinout. In 814 sterft Karel de Grote. Hij wordt o.a. opgevolgd door Lodewijk De Vrome die onthoofd wordt. Vooraf veegt hij wel met een boomstam Jerusalem schoon. God had hem namelijk kracht gegeven na de vraag tot vergiffenis van Reinout.

Ronny De Schepper

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.