Het is vandaag al 45 jaar geleden dat de Amerikaanse musicoloog Harry Partch is overleden. Hij is de vader van de indeling van de muziek in “abstract” en “corporeal”. Deze termen zijn erg bruikbaar, maar hebben helaas geen ingang gevonden in het alledaagse taalgebruik. Daar spreekt men nog eerder van “ernstige” versus “lichte” muziek, maar is popmuziek dan nooit “ernstig” en klassieke muziek nooit “licht”?

Hoe dan ook, al van bij het ontstaan van de muziek kunnen we een onderscheid maken tussen “populaire” en “ernstige” muziek. Dat onderscheid kan men grosso modo toespitsen op twee polen: de rede en het gevoel. Diezelfde tweeledigheid vinden we dan min of meer terug in de muziektheorie van Harry Partch, waarbij de pool van de rede min of meer overeenkomt met wat Partch “abstract music” noemt, terwijl de tegenpool “corporeal music” wordt genoemd, “lichamelijke muziek”.
Ongebruikelijke termen misschien, maar het onderscheid is des te duidelijker. Zo zouden we als voorbeeld voor “lichamelijke muziek” Wannes van de Velde kunnen aanhalen met zijn credo “Een zanger is een groep”. In de lichamelijke muziek is het groepsgevoel inderdaad erg belangrijk. Niet enkel in de verhouding tussen de muzikanten onderling, maar ook met de toe­hoorders. Men speelt deze muziek dan ook het liefst onder het volk. Op straten en pleinen, maar ook in cafés, dancings, zelfs bordelen (denk aan het ontstaan van de jazz). Het genre dat het meest representatief is voor lichamelijke muziek, noemen wij dan ook “volksmuziek” en in tegenstelling tot de abstracte muziek, die uit de religie voortkomt, is ze heidens van oorsprong. (*) In de ogen van de kerk was àlle muziek en vooral instrumentale muziek overigens in principe heidens. Alleen de instrumenten die in de bijbel vermeld stonden, zoals de harp van koning David en de bazuinen van Joshua (die de muren van Jericho omver bliezen) vonden genade. Later werd er meer en meer toegelaten maar de tweedeling blééf. Musicoloog Eugeen Schreurs vertelt in De Standaard van 26/7/97 b.v. over de 15de eeuw: “Er waren twee grote groepen van muziek: de kerkelijke en de wereldlijke. Die verdeling kun je doortrekken op het niveau van het hof en het stedelijke muziekleven. (…) Neem bijvoorbeeld de kloosters en begijnhoven: daar werden geen instrumenten gebruikt. Het was begijntjes tot de achttiende eeuw verboden te dansen. Ze mochten ook geen omgang hebben met lieden die viool speelden of blaasinstrumenten, want men was bang van die rondtrekkende muzikanten. (…) Speellieden die in dienst stonden van de stadsmagistraat werden op belangrijke dagen gevraagd om mee te werken, zoals vandaag de fanfare wordt gevraagd. Zo verliep het ook aan het hof, maar het Bourgondische hof had geen stadspijpers in dienst, wel trompettisten. Trompetmuziek was een voorrecht van de koning of hertog. De steden mochten geen trompettisten in dienst hebben. Ik ken slechts één grote uitzondering in de lage landen: Gent. De vader van Jacob Obrecht, Willem, was een stadstrompettist. Dat kon alleen doordat de Bourgondische hertogen daartoe hun toestemming hadden verleend. (…) Met een goede economie krijg je ook schitterende cultuur. Ik kan geen blazers inhuren als ik ze niet kan betalen, zo simpel is dat. Als men het in het buitenland over Vlaanderen heeft, dan gaat het telkens over de twee grote kunststeden Gent en Brugge, maar er werd toen ook in de kleinere steden gemusiceerd.”
Men kan dus stellen dat de abstracte muziek een typisch westers-christelijk-liberaal-kapitalistisch product is. In plaats van het groepsgevoel te cultiveren staat de onderlinge concurrentie centraal. Er is ook een groot onderscheid tussen uitvoerder en toehoorder, tussen producent en consument, waarbij deze laatste zich zelden laat gaan wat afkeuring of toejuichingen betreft. Het is immers toch “ernstige” muziek, die enkel kan worden gesmaakt in culturele tempels of in pluchen paleizen?

Ronny De Schepper

(*) En toch is het een rudimentaire opsplitsing want ook violist Nigel Kennedy zegt: “Wat muziek en sport gemeen hebben is het teamwork. Ik speel niet individueel, ik speel altijd met andere musici.” (DS Magazine, 2/7/93). Maar misschien heeft dit te maken met het feit dat Kennedy eigenlijk een cross-over artiest is…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.