Het is vandaag 45 jaar geleden dat de Gentse dichter, essayist en (toneel)schrijver Achilles Mussche is overleden.

Hij was van bescheiden komaf: zijn ouders waren arbeiders uit een arme buurt van Gent, wat ongetwijfeld heeft bijgedragen tot het feit dat hij een sociaal geëngageerde schrijver werd, wiens werk tot het expressionisme gerekend wordt. Mussche had een sterke interesse voor de geschiedenis van het proletariaat in de Industriële Revolutie, en schreef in 1950 hieromtrent de historische roman “Aan de Voet van het Belfort”, die zich in Gent afspeelt. Later schreef hij nog een roman over Rosa Luxemburg en biografische monografieën, onder andere over Cyriel Buysse en Herman Gorter. In 1954 schreef Mussche zijn belangrijkste toneelstuk, “Christoffel Marlowe of er is een duivel te veel”. De figuur van Marlowe wordt hier met die van Shakespeare gecontrasteerd: terwijl Shakespeare de beredeneerde, beheerste denker voorstelt, symboliseert Marlowe de genieter, de romantische vagebond die erop los leeft en in wezen een atheïst is, vandaar ‘de duivel’, de Faust die in Marlowe zelf huist. Mussche beklemtoonde dat zijn stuk geen historisch drama is; de figuur van Marlowe, voor wie hij uiteindelijk partij lijkt te kiezen, vertoont bepaalde karaktertrekken van Mussche zelf. De latere lyriek van Mussche leek vormelijk opnieuw ietwat conservatiever te worden. Thans doet zijn werk enigszins ouderwets aan, vandaar dat hij in bloemlezingen nogal eens over het hoofd wordt gezien. Jan Mestdagh maakte zich daar destijds erg kwaad over in De Rode Vaan…

00



« De redactie van Yang vroeg me om — naar een grondig uitgewerkt ontwerp van Daniël Van Ryssel — de Vlaamse poëzie uit de periode 1960-1965 in een bloemlezing en studie te presenteren. Van 160 dichters/essen zou 1 gedicht opgenomen worden. Een moeilijke opdracht. Ik aanvaardde de uitdaging ». Aldus Marc De Smet in zijn « Woord Vooraf » tot de in december 1985 verschenen bloemlezing « Vlaamse Poëzie 1960-1985 ».
Voor zijn moedig aanvaarden van het soort opdracht waarmee men zich gewoonlijk alleen maar narigheid op de hals haalt mogen wij hem, zo blijkt nu, wel dankbaar wezen. Uit zijn overzicht van wat de afgelopen twintig jaar (ach, hoe zere gaat de tijd !) in Vlaanderen aan poëzie werd geproduceerd, blijkt een zowel grote objectiviteit en belezenheid als een trefzekere literaire smaak.
Zeer interessant is eveneens dat de samensteller ook een ruime keuze aan kritische appreciaties heeft opgenomen, waaruit men kan opmaken hoe een auteur en zijn werk door de jaren heen (al dan niet) werden geapprecieerd. De lectuur van deze gestaag voortvloeiende stroom kritieken en kritiekjes is overigens niet onverdeeld een opwekkende bezigheid. Niet alleen gaan tal van critici zich te buiten aan een soms cryptisch en dan weer wollig taalgebruik, maar ook blijkt dat de verzuiling ook in ons literaire wereldje nog steeds een erg wortelvaste realiteit is. Voor katholieken wordt door katholieken met het wierookvat gezwaaid, terwijl vrijzinnigen bij voorkeur voor hun broeders in het ongeloof de loftrompet steken.
En niet toevallig zal het ook wel wezen, dat een reeks traditionele dichters in de jaren zeventig via de uitgave van hun « verzamelde gedichten » in de reeks De Gulden Veder een « opfrisbeurt » kregen, terwijl een uitgesproken socialistisch geëngageerde dichter als Achilles Mussche die kans niet werd gegund. Vandaar dat wij hier van hem een gedicht afdrukken uit zijn bundel « Langzaam Adieu », die in 1962 verscheen bij A.A.A.M. Stols en J.-P. Barth te ’s Gravenhalte.
Dat opfrissen was uiteraard ook niet het geval met de Vlaamse poëzie uit de negentiende eeuw, waarin we volgens prof.Van Elslander drie richtingen kunnen onderscheiden:
1) de romantische richting met als beste voorbeeld Karel Lodewijck Ledeganck (“De drie zustersteden”, “Graf mijner moeder”);
2) de realistische richting met als boegbeeld Jan Van Beers;
(Prudens van Duyse situeert zich tussen beide richtingen)
3) de formistische (sic, ikzelf zou eerder zeggen “formalistische”) richting met Johan Michiel Dautzenberg en zijn pastiches van Middelnederlandse gedichten, later diens schoonzoon Frans de Cort (die Robert Burns vertaalde) en Jan van Droogenbroeck, een navolger van Friedrich Rückert, die ook gedichten voor kinderen schreef.
Ook hier kunnen we Prudens van Duyse indelen met zijn gedichten in antieke versmaat (classicistisch).

Referentie
Jan Mestdagh, De vreselijke jaren, De Rode Vaan nr.9 van 1986

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.