Joshua Sobol (foto YouTube), een niet-gelovige jood, geboren in Polen, doet in zijn stukken een poging om de ingewikkelde relatie tussen jodendom, zionisme en de staat Israël te onderzoeken. Hij stelt zich niet alleen kritisch op in zijn theaterwerk, maar stelt ook het theater op zich in vraag. Heeft het theater vandaag nog zin ? Is het maatschappelijk relevant ? Ghetto dat in de lente van 1987 in de Antwerpse KNS liep, is o.a. een poging tot antwoord op die vraag.

In het ghetto van Vilna (Litouwen) leefden circa 20.000 overlevenden van de 80.000 joden die in deze stad woonden voordat de Duitsers er bezit van namen. Het was een stad met een sterke joodse cultuur. Begin ’42 werd in het ghetto een theatergezelschap opgericht. Initiatiefnemer was Jacob Gens (Frank Aendenboom), zelf van joodse afkomst en door de nazi’s aangesteld als politiechef. Als instrument in de handen van de Duitsers doet hij al het mogelijke om datgene wat erger is dan afschuwelijk vanuit zijn « machtspositie » te voorkomen.
Het ghetto van Vilna stond onder leiding van SS officier Kittel (Herbert Flack), een artiest, zanger, muzikant en jodenvervolger die met de ene hand het pianoklavier bespeelt en met de andere een gevangene neerschiet. Korte tijd na de oprichting van het ghetto opende de joodse bibliotheek. De bibliothecaris Herman Kruk (Marc Janssens) hield een dagboek bij waarvan na de oorlog een aantal fragmenten werden teruggevonden. Deze fragmenten liggen mede aan de basis van het stuk van Sobol. In die optiek zijn zowel plaats en handeling als de personages historisch.
De voorstelling begint met de oude Srulik (Bert Struys) de enige overlevende van het theater uit het ghetto die, geïnterviewd door journalisten, het verleden oprakelt. Dat verleden is dan datgene wat we te zien krijgen in een indrukwekkend, zeg maar prachtig, decor (Jean-Marie Poumeyrol) : een gigantische bibliotheek die de hele voorstelling op de voorgrond blijft ondanks de imposante decorwisselingen waarbij de mogelijkheden van de KNS-scène optimaal en functioneel benut worden. Ze staat zowat symbool voor de kennis en de overlevingsdrang van het joodse volk en zijn cultuur. Symboliek is trouwens een constante in de voorstelling en zit meer dan eens in een aantal visuele details die wat onhandig zijn ingebracht zodat je er als toeschouwer niet altijd direct blijf mee weet.
Wanneer de achterwand van de bibliotheek b.v. openbreekt en een imponerend beeld wordt gecreëerd door een kolos van een locomotief die langzaam puffend naar de zaal toe bolt, geflankeerd door in lompen gehulde joden, terwijl in het ontstane gat op de scène een miezerige regen de desolate vlakte buiten weergeeft, stokt je even de adem in de keel. Ik mag echter een kniesoor wezen, maar dit beeld wordt geweld aangedaan wanneer blijkt dat men deze truuk, zij het in licht gewijzigde vorm, nog een aantal keren herhaalt.
De nieuw aangevoerde joden die in het ghetto worden gebracht zijn de leden van een theatergroep waaronder de zangeres Chaja (Christine Bosmans) en de jonge Srulik (Hubert Damen), zowat de leider van de troep die als buikspreker kracht, relativering, zelfspot en passieve agressie legt in zijn handpop (voortreffelijk gebracht door Rafael Troch). De figuur van Chaja is in zoverre historisch doordat ze geënt is op de zeer bekende joodse zangeres Ljuba Levicka, die professor was aan het conservatorium van Vilna en in’43 werd terechtgesteld nadat ze betrapt was op het smokkelen van wat eetwaar.
Het stuk draait verder rond de twee centrale figuren Gens en Kittel. Gens probeert als zionist alle middelen uit die binnen zijn mogelijkheden liggen om de bewoners van het ghetto productief en dus noodzakelijk te maken voor de Duitse oorlogsmachine om zodoende zowel de joodse cultuur als zoveel mogelijk mensen te redden van de vernietiging. Kittel daarentegen zal op het einde met een mitrailleursalvo het hele gezelschap liquideren.
« Ghetto » werd voor de KNS geregisseerd door Daniel Benoin (°1947) en werd tot hiertoe door het KNS-publiek op staande ovaties onthaald. Het dient gezegd dat « Ghetto » een opvallende productie geworden is met meer dan lovenswaardige acteursprestaties, maar de voorstelling draagt weinig bij tot wat bekend is van de joodse holocaust. De thematiek is interessant maar wordt verdrongen door een publieksaantrekkelijk musicalsfeertje. In die zin blijft het, de schitterende enscenering ten spijt, een typische KNS-voorstelling.

01

Toevallig liep tegelijk in het NTG eveneens een musical met het fascisme als onderwerp, « Claire » van auteur Manfred Karge en componist Stanley Walden. Hier verdrinkt de schrijnende thematiek echter helemààl in een hopeloos dun verhaaltje, gebaseerd op een fictieve ontmoeting tussen twee maar al te reële personages : Joseph Goebbels en de cabaratière Claire Waldoff. Eigenlijk is het onbegrijpelijk dat een dergelijk mager beestje door de zo befaamde “beleidsgroep” van het NTG is geglipt. Of zou het dan toch waar zijn dat Frans Redant verliefd is op de karamellenverzen die hij erbij mocht bedenken ?
De muziek van Walden is, ondanks reminiscenties aan Weill of Eisler, niet te pruimen en een playback-band met een beperkt BRT-orkest kan daar uiteraard onmogelijk meer allure aan geven. Waar de NTG-acteurs overigens de lof op hun zangprestaties hebben gehaald is ons een raadsel. Lieve Moorthamer harkt zich behoorlijk door haar rol als Claire, maar Herman Coessens is met zijn totaal onmuzikale Goebbels veeleer typisch voor het hele gezelschap, daaraan kan zelfs de aangezochte Koen Crucke in de ensembles niks aan verhelpen.
De regie is in handen van de jonge Christian Elbing en de scenografie van Heidi Bramback, beiden uit de entourage van Karge die duidelijk met een soort nouvelle vague-vormingstheater bezig is (Krupp die met Goebbels naar bed gaat !).
Samengevat valt er over deze « Claire » dus niks positiefs te zeggen. Vandaar dat zelfs de zelfspot op « Prinses Maleine », die er door Redant werd ingebracht, totaal ongepast is. We zouden niet zover willen gaan door de monoloog van Hugo Van den Berghe over het « strontstuk » van Goebbels toepasselijk te maken op deze musical, maar zijn uitspraak dat « één verknalde avond niets is in vergelijking met een duizendjarig rijk » vatte onze opinie toch een beetje samen…

Referentie
Piet Loose & Ronny De Schepper, Er waren eens fascisten tralalalaliere, De Rode Vaan nr.11 van 1987

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.