Symbolischer kon niet: precies op de dag dat in Woodstock het ultieme rockfestival begon, stierf in ons eigen land Stijn Streuvels, één van onze belangrijkste schrijvers tot dan toe, maar hij had zichzelf wel enigszins overleefd. Een nieuwe generatie stond te popelen om het roer over te nemen…

Stijn Streuvels, pseudoniem voor Franciscus Petrus Maria (Frank) Lateur werd geboren in Heule op 3 oktober 1871 als derde kind van Kamiel Lateur en Marie-Louise Gezelle, een jongere zuster van priester-dichter Guido Gezelle. Vader Streuvels was kleermaker en een zwijgzaam man, in tegenstelling tot zijn vrouw, die graag en boeiend sprak en ver­telde. Nadat hij school had gelopen bij de zusters en in de plaatselijke nonnenschool, stuurden zijn ouders hem in 1883 naar het St.-Jan-Berchmanspensionaat in Avelgem, waar zijn letterkundige begaafdheid voor het eerst tot uiting kwam. Van 1886 tot 1887 leerde hij de bakkersstiel in Avelgem, Kortrijk en Heule. In mei 1887 namen Streuvels’ ouders te Avelgem de bakkerij van Kamiel Lateurs ongehuwde broers over en ver­huisde heel het gezin naar de gemeente aan de Schelde. Van 1887 tot 1905, op de 20 maanden na (1889-1891) die hij te Brugge doorbracht om zich in het bakkersvak te bekwamen, bleef Streuvels in Avelgem bakken en schrijven. Zijn eerste schetsen en gedichten verschenen in 1895 in “De Jonge Vlaming” en in “Vlaamsch en Vrij”. De volgende jaren namen ook de voornaamste tijdschriften, zoals “Van Nu en Straks”, bijdragen op van zijn hand. In 1899 verscheen zijn eerste verhalenbundel “Lenteleven”. Veertig jaar lang zou Streuvels ieder jaar minstens één werk publiceren. Op 19 september 1905 huwde hij met Alida Staelens en ging te Ingooigem zijn nieuw gebouwd “Lijsternest” bewonen, waar hij voortaan van zijn pen zou leven. Hij kreeg vier kinderen: Paula, Paul, Dina (“Prutske”) en Isa.
Stijn Streuvels werd in zijn tijd het voorwerp van een polemiek, waarbij zijn taalgebruik bestempeld werd “als een kunstmatig iets, een mengelmoes van dialect, zestiende-eeuwse Vlaams en boekentaal, door hemzelve uitgevonden, en dat, buiten hem, volstrekt door niemand wordt gesproken.” Waarop Stijn dan weer repliceerde dat de Hollanders maar moesten weten “dat zij alleen het monopolium van de taalschatterij niet hebben.”
Een auteur als Hedwig Speliers wijst er daarbij op, dat het West-Vlaamse particularisme onlosmakelijk verbonden was met het katholicisme. Het ging om “de catholijke taal van de catholijke Vlamingen“, zoals Gezelles geestesverwant De Bo het stelde. Een en ander maakte ook dat Streuvels erg populair werd in Duitsland. Dat was vooral het werk van de uitgever Adolf Spemann, die zo’n fervent bewonderaar was van Streuvels dat er wel een persoonlijke vriendschap moest uit voortvloeien. Toen die Spemann in 1933 lid werd van de NSDAP, was dit voor Streuvels natuurlijk niet erg prettig, maar hij vond het geen reden om zijn vriendschap te verbreken, ook niet toen de nazi’s België binnenvielen. In zijn naïviteit ging Spemann zo ver om Streuvels tot bij het hoogste gezag (met name Goebbels) aan te prijzen. Aan een tournee door Duitsland kon Streuvels zich nog onttrekken, maar het eredoctoraat van de universiteit van Munster kon hij niet weigeren. Wel was hij demonstratief niet thuis toen de rector de bul kwam afgeven.
Waar Streuvels anderzijds wél zelf verantwoordelijk was (en niet Spemann), was de verfilming van zijn “Vlaschaard” in 1942. Blijkbaar was zijn fascinatie voor het medium zo groot dat hij dat risico wel wou lopen. Bovendien had de hele filmploeg niets vandoen met het nazisme. In 1907 was “De vlaschaard” verschenen, die door Boleslav Barlog in 1943 werd verfilmd onder de titel: “Wenn die Sonne wieder scheint”. Stijn Streuvels was hiervoor oorspronkelijk ook niet te vinden, maar hij werd gepaaid met een Vlaamse versie met de oorspronkelijke titel, met daarin enkele Vlaamse volksliederen door boeren op het veld gezongen en, last but not least, met een cameo-rolletje voor hemzelf. De ideologie van het nazisme schreef wel voor dat christelijke elementen (zoals een kruisteken maken boven het zaaigoed) dienden te worden geschrapt en vooral dat de film een positief einde moest hebben. In plaats van zijn zoon dood te slaan, verzoent boer Vermeulen zich dus op Louis’ ziekbed met zijn zoon en zelfs met diens oorspronkelijk ongewenst lief Schellebelle. Men mag er dus van uitgaan dat Louis en Schellebelle uiteindelijk de vlasakker zullen beheren en “de toekomst lacht hen toe” (“die Sonne scheint wieder”).
Het dient wel gezegd dat Stijn Streuvels, in tegenstelling tot zijn confraters Felix Timmermans en Ernest Claes, niet is ingegaan op het “verzoek” van de bezetter om in Duitsland “een filmcursus” te gaan volgen. Zelfs op de première van de Vlaamse versie in Gent bleef hij afwezig.
In 1926 verscheen de novellenbundel “Werkmensen”, met daarin ook “Leven en dood in de ast” (*), volgens prof.Van Elslander de eerste keer dat de “stream of consciousness”-techniek in de Vlaamse literatuur werd toegepast. Toch is het tegelijk ook opgebouwd als een klassiek drama:
r.1-42: eerste bedrijf, het snijden
zeven handelingen: scheppen, opgenomen, weggedragen, omgekanteld, teruggebracht, neervalt, gevuld (verbale stijl)
gevolgd door de interpretatie van de auteur (in de tweede paragraaf), nl. “eenbaarlijk herhalen derzelfde beweging“, in een paratactische of asyndetische stijl: het naast elkaar stellen van gelijkwaardige beschouwingen
r.43-71: tweede bedrijf, het uitstrooien van de wortelen
r.72-113: derde bedrijf, de introductie van de personages
r.114-201: vierde bedrijf, het binnendringen van het tijdsbesef
r.202-292: interludium (picturaal tableau)
r.293-einde: vijfde bedrijf: tragiek van mensen die terugkijken op het leven
Door Anton van Wilderode werd het vergeleken met “Suiker” van Hugo Claus:
a) milieu en sfeer
Streuvels: ruimtelijk geïsoleerde barak in chicoreifabriek
Claus: geïsoleerde barak in suikerfabriek (in den vreemde én tussen vreemde arbeiders)
b) de personages
In beide gevallen gaat het over vijf seizoenarbeiders uit Vlaanderen (**)
Streuvels: Fliepo als geïsoleerde figuur
Claus: Kilo als geïsoleerde figuur
Streuvels: twee ouderen, Blomme en Hutsebolle; bij Claus: de twee Minnes
Streuvels: twee jongeren, Maf en Lot (***); bij Claus: Max en Jager
“Claus laat in dit stuk zien hoe weinig er van de mens overblijft in een omgeving waar alleen aan productie wordt gedacht. Waar de arbeiders langzaam verworden omdat ze geen behoorlijk eten hebben, geen menswaardig werk, geen behoorlijke ontspanning, geen menselijk contact.” (AvW)
Opvallend is dat deze mensonwaardige toestand geen opstandigheid oproept. Dat is bij Streuvels eveneens het geval. Eén van de beste voorbeelden hiervan is “Horieneke” (1905), waarbij de beschrijving van haar eerste werkdag, onmiddellijk na haar plechtige communie, bij een boer met een slechte reputatie ook referenties oproept aan “Klinkaart” van Piet Van Aken.
Eenzelfde schets van seizoenarbeid vinden we bij Streuvels in “De oogst” (1901).
Zelf vroeg ik me af of “Het leven en de dood in den ast” ook niet tot het magisch-realisme kan worden gerekend, met name omwille van de overeenkomst tussen de dood van Knorre en de droom van Blomme.
Stijn Streuvels, wiens motto was “nulla dies sine linea“, was ook in andere landen populair. Volgens Dries Vanysacker (“Koersend door een eeuw Italiaanse en Belgische geschiedenis: de Italo-Belgische connectie in en rond het wielerpeloton”, Leuven, Acco, 2009, p.156) verkoos Gino Bartali in de zomer van 1947 een bezoek te brengen aan Stijn Streuvels boven de deelname aan het wereldkampioenschap. En dat ondanks de dreigementen van selectieheer Alfredo Binda.
Stijn Streuvels overleed op het moment dat het Woodstock-festival aan volle gang was (15 augustus 1969).

Ronny De Schepper
(met dank aan Wikipedia voor de biografische gegevens)

(*) Ik weet dat er sommige leraars zijn die daar hele boeken mee vullen, maar deze ene lapsus van een leerling op een examen wil ik jullie toch niet onthouden. Die sprak namelijk over “Het leven en de dood in zak en as”. (Misschien was het één van deze vier patriotten: Walter Boeykens, Eddy Schout, Luc Van Broeck of Patrick Joos, want deze vier hebben nog een boekbespreking gemaakt over het werk.)
(**) “In 1974 waren er nog een goeie 450 seizoenarbeiders: 65 in het zetten van bieten, 5 in de bietenoogst, 63 in de vlas, 290 in de suikerbieten en 17 in de ast. Erg veel zijn er dus niet meer en het zal de schoonste dag van mijn leven zijn als de seizoenarbeid helemaal verdwenen is, want het is toch wel een mensonterend beroep.” (Leo Bruggeman, ACV-secretaris voor de seizoenarbeiders, in Humo van 14/8/1975)
(***) Maf spreekt voor zich. Lot is afkomstig van “een lotte peer”, d.i. “een buikzieke peer” (een peer die rot is in ’t midden).

2 gedachtes over “Stijn Streuvels (1871-1969)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.