Ieder huisje heeft zijn kruisje. Dat zal misschien wel, maar je zal maar geen dak boven je hoofd hebben. Dacht ik zo. Daarom ging ik eens na onder welke pannen ik in de loop van mijn leven al terechtkwam.

Kijk, zo gek veel waren het er niet. Er zijn mensen die totaal niet honkvast zijn en om de haverklap verhuizen, die er een hobby van maken te verkassen. Sommige van mijn bekenden zochten zelfs verre oorden op, de wereld is nu eenmaal gekrompen. Niet ik dus. Mijn leven blijkt zich op dezelfde voorschoot grond afgespeeld te hebben; bij wijze van spreken.

Aan de eerste woning bewaar ik niet echt persoonlijke herinneringen, ik verliet haar toen ik nauwelijks vijf was. Ik ging er niet in mijn eentje vandoor, uiteraard niet – onder de vleugels van mijn ouders en begeleid door mijn negen jaar oudere broer. Dat huis was gelegen in een boomrijke laan met ‘makadam’. Wat ik er over weet dank ik aan verhalen en stomme getuigen. Zoals het gat geslagen in de kleerkast op de ouderlijke slaapkamer in een later huis: te danken aan bomscherf die belandde op het bed waar minuten voordien mijn toen nog babybroer lag te slapen. Andere getuige: een foto waar ik op het binnenplaatsje poseer naast een kruiwagen met een emmer vol water en lange grassprieten. Mysterieus. De verklaring werkte niet bepaald verhelderend: ik verkocht palingen. Waar haalde die vierjarige de idee vandaan om als Jan de Mosselman op te treden? Gedurende mijn eerste levensjaren moet ook nog de moeder van mijn mama bij ons ingewoond hebben tot zij, lijdend aan Alzheimer, agressief en zelfs voor mij gevaarlijk werd, en geplaatst werd ergens in het Brusselse bij liefhebbende ‘gespecialiseerde’ nonnetjes. Tot een onverwacht bezoek van mijn mama haar aantrof: vuil, verwaarloosd, het hoofd vol luizen… tot zover de liefdadige kundigheid der Zusters. Die straat waar we woonden liep dood op een kasteel, het Paddeschoothof (zie foto), gebouwd in 1626, op de plaats waar reeds in 1236 een herenwoning gestaan had. Geen al te groot kasteel, zeven slaapkamers, vijf badkamers, een tennisplein, een vijver… en uiteraard een grote tuin, bomen. Daar hoorde in het verleden ook een watermolen bij, uiteraard ook water: de Puyenbeek. Toen we verhuisden zou ik met die gracht, veel meer was het niet meer, kennis maken onder een nieuwe meer populaire naam. Voorlopig bleef het bij het Paddeschoothof en de legende dat om middernacht een koets onder het poortgewelf kwam rijden, aan boord een dame, de straat (voormalige oprijlaan) op en neer draafde en terug verdween. Of zij behoorde tot de familie van de eigenaars, de gerenommeerde Nobels-Peelman, metaalconstructie, o.m. bekend dankzij de fameuze ijzeren ‘noodbrug’ die tussen de Italiëlei en de Frankrijklei te Antwerpen jarenlang het uitzicht domineerde, dat weet ik niet.
Tweede halte: mijn ouders namen het heft, of de schoffel, in eigen handen. Symbolisch dan: ze lieten een eigen woning bouwen op zo’n 500 meter van het eerste bivak. Dat was meteen een behoorlijk grote wigwam. Met op de eerste verdieping de master bedroom, twee kamers voor mijn broer en mij, en een zeer ruime badkamer. Zo ruim dat er zelfs een bidet geïnstalleerd was naast het toilet. Waartoe dat ding diende? Eerlijk ik heb het nooit in gebruik gezien. Vermoedelijk heeft niemand van het gezin zijn derrière er ooit in gespoeld, noch andere minder edele delen. Je kon hem desnoods nog als voetbad hanteren… maar nee, hij bleef een nutteloos ornament, een statussymbool. Over dat huis schreef ik reeds eerder. De living met zijn complexe schouw en kastjes, de ‘koer’ met schilderingen en bogen, de tuin met mijn radijsjes, het hok voor het varken, de ongebruikte mooie kamer waar ik sinterklaas ontmaskerde. Ik sliep in de kleinste kamer achteraan, roze geschilderd, met op de muur Sneeuwwitje en haar kleine minnaars, met de signatuur van mijn begaafde broer. Daar kon ik wegsoezen op het geluid van de treinen die op korte afstand voorbij reden, een geluid dat je al vlug gewoon werd. Toen mijn broer het huis verliet aarzelde ik niet om zijn domein in te palmen: ik kreeg meer ademruimte en beter zicht. Dat zicht was ook letterlijk te nemen vermits tegenover ons o.m. twee meisjes woonden; en de oudste accordeerde mooi in leeftijd. Hoewel er nooit een amourette gegroeid is. Maar wel ontelbare uren praten, ik vanuit mijn raam, zij hangend vanuit een dakvenster – hoofdzakelijk laatavondlijke, zeg maar nachtelijke uren. Tot ik mij op bed terugtrok met een transistorradio op mijn buik, luisterend naar Europe Nr. 1 of France Inter. Overdag zat ik wel eens, op zonnige dagen, in de vensterbank, wat tokkelend op een gitaar die ik absoluut niet kon bespelen. Pas enkele jaren geleden vernam ik dat dit op haar jongere zus zo’n indruk gemaakt had (horen wàt ik deed kon zij gelukkig niet, alleen het beeld fascineerde haar) dat zij toen erg gecharmeerd raakte van mij; hoe schijn bedriegt!
Schijn… naast ons woonde een vriendelijk echtpaar, heel keurig. Toen we er enkele weken onze intrek genomen hadden nodigden ze ons uit voor een drankje. Tot verbijstering van mijn ouders hing in hun salon een levensgroot schilderij van de dame des huizes, naakt; een ‘nu’ zoals ze er trots extra de aandacht op vestigden. Enfin, mijn ouders, vooral mijn moeder, waren vast niet preuts, maar deze confrontatie van het steeds aanwezig levend model naast de deur met de voorstelling op het netvlies van mijn puberende broer… Er kwam verder geen gevolg, later zou ik zelfs bij hen gaan babysitten, en ja de ‘nu’ knipoogde mij nog toe. Maar die rozige, wellustige, uitgestalde vleesmassa liet mij even onberoerd als ‘De oorsprong van de wereld’, het schilderij van Gustave Courbet met de grootse en groteske vulva, of de runderlapjes van onze toenmalige slager Zaman. Dit huis bevond zich dus niet ver van het eerste huurhuis. En hier kon ik die befaamde Puyenbeek dan eindelijk in levende lijve aanschouwen. Zij liep op nauwelijks honderd meters van onze deur. Onze de benaming Zwarte Beek. Ook over haar, stinkend, van kleur wisselend dankzij de textielindustrie en de ververijen, krioelend van de ratten, speelterrein van de krolse katten, heb ik reeds geschreven. Inmiddels is zij mooi overdekt, weggestopt, en – het leven maakt rare sprongen – woon ik boven haar. Maar dat moet nog even wachten. Want inmiddels is dit huis, waar zelfs twee doden te betreuren zijn, de ene geen familie, de andere mijn vader (het werd desondanks geen spookhuis wat mij toch wel tot enige inspiratie had kunnen dienen!), verkocht toen mijn moeder besloot naar een appartement uit te kijken. Wanneer ik er voorbij kom zie ik, na enkele tientallen jaren, nog steeds dezelfde gordijnen boven aan de ramen hangen. Die zijn vrij kunstig, met engelen e.d., en moeten heel wat werkuren, werkweken gekost hebben. Kitsch of camp? Het zal wel het eerste zijn. Gemaakt door ‘make’. Zij was de moeder van een jongedame die ooit diende bij mijn ouders. Hoe het kwam weet ik niet maar, mogelijk bij gebrek aan nabije grootouders, blijk ik hen als dusdanig geadopteerd te hebben: make en pake dus. Twee van de meest goedhartige mensen die ik ooit ontmoette. Hij was baanwachter, aan een onooglijke spoorwegovergang telkens de slagbomen bedienen. Toen werd er nog telefonisch verwittigd dat een trein in aantocht was. en hop alle hens aan dek. Sluiten. Uren heb ik daar bij hen doorgebracht, bij haar in de keuken, bij hem aan het spoor. Ver hoefde ik niet te rijden op mijn fietsje, autoverkeer was er weinig en al helemaal niet in die contreien. Waar we toen woonden hield de beschaving bijna op: even verder was er hoofdzakelijk braakliggend terrein (spelen!) en verder wat boerderijen. Tien jaren later werd alles volgebouwd. En toen… maar dat is voor dadelijk.
Want eerst was er het huwelijk. En klein begonnen: dus uitkijken naar een appartement. Zelf had ik geen inkomsten, studeerde nog of wat daar moest op diende te lijken. Gelukkig had de bruid wel gewerkt, beschikte over een spaarpot om meubelen te kopen, huur te betalen, en had reeds een voorraad keuken- en beddegerei aangelegd. “Hebde gij meubelen en hebde gij huisgerief, dan kunde gij…”. Zelfs eetalaam was er opdat we niet, exotisch gewijs met onze tien geboden of met stokjes moesten eten die eerste maanden. Een klein optrekje, maar gezellig. Met diverse voordelen: centrum stad, wandelafstand werk echtgenote en station (voor mij), nabij bushalte voor bus richting dorp schoonouders. Een likje verf zou volstaan. De muze der plastische kunsten waakte over mij: ik waagde mij aan de buitenkant van een venster. Helaas, koos ik verf voor binnenmuren, en zo dik en onhandig. Dank weze gezegd aan de goden, nooit meer werd mijn vaardige hand ter hulp geroepen voor dergelijke klus. We bewoonden de eerste verdieping, boven een ouder echtpaar dat onze komst en hippieuitzicht tamelijk argwanend begroette. Wat vlug, na nadere kennismaking, in wederzijdse sympathie ontaardde. In zorgzaamheid zelfs, b.v. toen we in onze vermetelheid deelnamen aan een wandeltocht van 50 km, totaal onvoorbereid, en gedurende enkele dagen letterlijk geen poot meer hadden om op te staan. En in quasi liefde toen onze eersteling geboren werd. De start van ons leven daar verliep tamelijk chaotisch: na de toch al korte huwelijksnacht vertrokken we voor een korte, driedaagse, reis naar Heidelberg (ik diende tijdig terug te zijn voor een examen in het conservatorium). Ontbijt was er niet, wie denkt aan het vullen van een koelkast of aan platvloerse geneugten als boterhammen op zo’n dag. Maar wat er wel was, of beter wie: de leverancier van het bestelde kookvuur. Om acht uur! Op de eerste huwelijksdag. Op het ogenblik dat wij met de valies in de hand stonden. Terwijl we protesteerden was het duivelse ding al de trap opgedragen en in onze gang geposteerd. “Aansluiten duurt maar vijf minuten”. Tja, maar die treinen wachten geen vijf minuten natuurlijk. No problemos signor, hij zou ons naar het station brengen, we zouden de trein halen. Nerveus en bezweet en op een holletje en alle leveranciers naar de hel wensend, oef, nog net, inderdaad. De reis kon beginnen. Zonder drinken, zonder eten, doorheen ons land, Duitsland… overal mooi uitgekiend dadelijk aansluiting en nergens kans een werk van barmhartigheid te volvoeren zijnde de hongerigen spijzen, de dorstigen laven. Toen we bijna op het einde van de reis, in de late namiddag, tegenover een meisje zaten dat gulzig met handenvol rozijnen zat te eten… dat werd bijna ‘Murder in de boemel naar Heidelberg’.
Na enkele maanden zou in het nog kleinere optrekje boven ons, op onze instigatie, iemand haar intrek nemen: een vriendin van mijn echtgenote. Een wel heel vreemde vogel die zich niet alleen via haar kleding, zoals wij, onderscheidde van het burgerdom, maar ook haar gedragspatroon was tamelijk afwijkend. Zij werd dan ook met argusogen bekeken door onze benedenburen. Niet dat zij in werkelijkheid veel last veroorzaakte. Och, een omgegooid voetbadje zodat wij met het water ons haar konden wassen, zo’n accidentje is snel vergeten. En toen zij een vriend kreeg bleek alles tamelijk gehorig zodat wij of de radio luider moesten zetten of genieten van een soort al te intieme woordeloze rap avant la lettre.
Maar ik schreef het: een kind werd ons geboren en dat optrekje werd ietwat te klein. Uitkijken naar iets anders. En zie: in dezelfde straat vonden we een vrij groot huis. Drie slaapkamers, fraaie tuin, immense dubbele living, alles er op en er aan. Verhuizen dus. Bovendien beschikte ik daar op de bovenste verdieping, ongestoord, nog over een heuse man’s cave. Nee, maak u geen illusies, er stond geen biljart, u vindt er geen vogelpikbord, en spiritualiën treft u er ook niet aan. Boeken, papier, een pen, een schrijfmachine, dat completeerde het tafereel dat de zeldzame bezoeker geboden werd. Buren? De ene een opslagplaats, ter andere zijde een echtpaar ouder dan wij met wie we al snel bevriend werden. En onze kroost die inmiddels verdubbeld was, bleek zeer geliefd bij dit kinderloos koppel. Toen de bengels oud genoeg waren hadden ze de gewoonte in de tuin eenstemmig een liedje aan te heffen, Chacha, chacha, cha… om de buurvrouw op hun aanwezigheid te attenderen. En deze had steeds de betreffende populaire reepjes ChaCha in voorraad in voorraad. Indien het fout liep met de culinaire opvoeding: de buurvrouw! Net als met mij, vermits de echtgenoot mij ooit meesleepte naar de vernissage van een vrij bekend kunstenaar en we pas in het holst van de nacht huiswaarts keerden. Waar de twee dames ons dodelijk verontrust zaten op te wachten. Het sprak in ons voordeel dat we, geloof het of niet, zo nuchter waren als goudvissen in een bokaal Spa. 
We woonden daar heerlijk maar het lot zou anders beschikken. Kijk, daar kwam als bij toverslag Beëlzebub uit zijn krocht gekropen en wierp mij ter aarde. Nogal letterlijk, want hoewel ik op dat eigenste ogenblik geknield zat maakte ik – wegens een onvoorziene medische aandoening – toch een lelijke smak en kwam weinig zachtzinnig met moeder aarde in aanraking. Dus tot verbijstering van mijn drie huisgenoten afgevoerd en overgeleverd aan Asklepios, de Griekse god van de geneeskunst; een onkundig ezelsveulen dat men dadelijk van de top van de Olympus dient te gooien. Het ging zo fout dat ik er levenslange invaliditeit aan overhield. Dus mij gewend tot Ogmios, deze keer een Keltische god (van de welsprekendheid en de advocaten) want de Zeus-adepten genoten mijn vertrouwen niet meer. En zie: riante schadevergoeding na minnelijke schikking, en met ons bescheiden spaarpotje en een kleine lening (vooral bedoeld om mijnheertje Staat ieder jaar een beetje te paaien op onze belastingbrief) konden we een aantal eigen bakstenen kopen. En die vonden we, reeds in juiste volgorde naast en op elkaar geplaatst, in de tamelijk nieuwe wijk op zo’n 200 meter afstand van het huis waar ik mijn jeugd doorbracht en waar mijn ouders nog langzaam de jaren telden. Zo kwamen we, na een nieuwe (voorlopig laatste) verhuis waarvoor nog maar eens mijn schoonfamilie kwam opdraven, terecht precies boven de Zwarte – excuseer – Puyenbeek. Drie slaapkamers, net voldoende om ieder kind van een eigen territorium te voorzien. Mijn ‘keef’ schoot er voorlopig bij in, dat alles diende verdeeld over de woning en voor het schrijven installeerde ik mij in de echtelijke intimiteitsvoorzieningen.
Onze inbezitneming van het pand ging niet onopgemerkt voorbij, althans niet voor één buurvrouw. Zij werd reeds de tweede dag opgeschrikt door een kwartierlang gehuil, gebrul, woest geklop op de glazen binnendeur, alles veroorzaakt door onze vijfjarige dochter. Wat zij zich daarvan mocht voorstellen: een opgesloten, gestraft kind – niet te vermurwen ouders. Toen zag zij, oh onverbiddelijke overmaat, de politie arriveren en twee stoere pakkemannen zich aanbieden en toegang verschaffen tot de woning. Even later: geklop, glasgerinkel… Hier kon voor het arme mens nog enkel een kalmeringspil redding brengen (vertelde zij ons later). Ach toch: die kleine spruit had zichzelf opgesloten in de garage, de sleutel van de binnendeur omgedraaid en kreeg die niet uit het sleutelgat; wij hadden de sleutel van de poort nog niet en dus ten einde raad de arm der wet ter hulp geroepen. Sloten openbreken? Nee daartoe waren ze niet bevoegd, maar het glas van die deur bood weinig weerstand en dan konden ze de sleutel nemen – klus geklaard! Het zou het enige ‘incident’ zijn. Met de twee buur-echtparen werden we best bevriend.
Inmiddels zijn de kinderen uitgevlogen. En zijn het de kleinkinderen die binnen waaien. Zodat de kamers andere functies kregen. Bedden voor meerdere kleintjes; al schuift dat langzaam op want dat groeit allemaal als kool. En binnen dat alles eigende ik mij toch een wat beperkte ruimte toe. De hall die licht overdreven groot is, inclusief een brede marmeren trap, is overwoekerd door speelgoed: dozen en dozen vol, zelfs een kindertuin volgepropt met allerlei. Ook in de veranda kan je over al dat tuig struikelen. Over die buitenissige trap nog dit: de eerste eigenaar, en bouwheer, die er overigens niet lang gewoond heeft wegens het geven van zijn pijp aan Maarten, was steentjeszetter. En dit huis moet dan zowat zijn laatste klus geweest zijn waarop hij zich danig uitleefde, of hij moet over veel restanten beschikt hebben. In ieder geval: de woning is héél erg ‘betegeld’.
Dit is, althans voorlopig, mijn laatste onderdak. Zal er hierna nog een ander komen? En zo ja wat wordt het dan? Een kleinere toevlucht, een appartement? En of een serviceflat? Of zal ik mij moeten toevertrouwen aan een gemeenschapshuis, sarcastisch ‘De Zonnewende’ genaamd? Tenzij ik dit pand tenslotte toch zal verlaten in de kleinste behuizing, tussen enkele notenhouten planken… wie zal het zeggen. Voorlopig zing ik mijn laatste noten nog eventjes hier uit.  

Johan de Belie  

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.