De Amerikaanse schrijfster en Nobelprijslaureate Toni Morrison is maandagnacht overleden in New York. Ze werd 88 jaar oud.

Toni Morrison werd op 18 februari 1931 geboren te Lorain (Ohio)als Chloe Anthony Wofford. Haar pseudoniem leidde zij af van haar tweede echte voornaam en Harold Morrison was haar echtgenoot van wie zij evenwel is gescheiden. In 1993 ontving zij de Nobelprijs voor literatuur omwille van haar visionair, poëtisch beeld van een essentieel aspect van de Amerikaanse realiteit. In 1988 had zij reeds de Pulitzer Prize gekregen voor haar roman ‘Beloved’. En in 2012 werd haar de hoogste civiele onderscheiding van de US toegekend, de Presidential Medal of Freedom.

Morrison schreef talloze romans, kinderboeken (samen met haar zoon Slade), toneelstukken, historische werken. Zij kwam steeds op voor de minderheden, in haar boeken en in haar leven. De zwarte gemeenschap, de mensen aan de zelfkant… Zelf was zij opgegroeid in een sfeer van rassenhaat en werden zij en haar ouders rechtstreeks geconfronteerd met de problemen die de Afro-Amerikanen ondervonden. Toen Obama president werd noteerde zij dat zij zich pas dan vaderlandslievend voelde en als een kind… Hij was het trouwens die haar voorstelde voor de Medal of Freedom. Zij gaf ook les aan diverse universiteiten, o.m. in Houston en New York. De universiteit van Oxford kende haar een eredoctoraat toe. Morrison hield op met schrijven toen één van haar twee kinderen, Slade, stierf. “Please, Mom, I’m dead, could you keep going…” deze woorden dacht zij hem wel postuum toe.
THE BLUEST EYE
‘Het blauwste oog’ (The Bluest Eye; 1970) is de eerste roman van Morrison. Zij laat het verhaal grotendeels vertellen door Claudia McTeer, een 12-jarig zwart meisje dat met haar twee jaren oudere zus Frieda en haar ouders in Lorain, Ohio woont. We schrijven 1941. Maar zoals ook in de latere werken van Morrison: de auteur keert steeds terug in de tijd om ons te confronteren met de voorgeschiedenis van de personen, van hun familie en met de geschiedenis en de problematiek. Twee zussen, maar centraal in het boek staat het buurmeisje Pecola Breedlove. Haar ouders Cholly en Pauline, zo leren we elders, kwamen vanuit het zuiden naar het noordelijke Ohio afgezakt. Werden daar met een andere cultuur geconfronteerd, vooral met een andere relatie zwart – blank. En het gezin, met nog een zoon Sammy, werd ronduit gewelddadig tot op het einde Cholly zijn 14-jarige dochter Pecola verkracht en zij zwanger is. Over de voorgeschiedenis laat de auteur moeder Pauline zelf aan het woord in dagboekstijl. Via haar leren we ook hoe erg de minderheidspositie was van de zwarte vrouw ten overstaan van iedereen. Over Cholly vernemen we hoe ingrijpend vernederend een seksuele ervaring was in zijn puberteit, met twee blanke mannen zodat hij, gezien hij zich tegenover hen machteloos wist, zijn haat die hen moest treffen, kanaliseerde naar een zwart meisje. Een vrolijke jeugd kende hij niet: verstoten door een zwakzinnige moeder, zonder vader, opgevoed door een oude tante die overlijdt als hij 14 jaar is; hij gaat op zoek naar zijn vader die aan de drank blijkt en start zo een moeizame zwerftocht.
In Lorain is het overigens niet alleen de confrontatie zwart – blank, maar ook de kleurlingen minachten de zwarten. En aarzelen niet om hen woorden toe te voegen als “vies zwart mormel”. Apartheid, wat is dat? Wat leest Claudia in de ogen van een blanke winkelier:“De leegte waar nieuwsgierigheid thuishoort. De volslagen afwezigheid van menselijke erkenning: de glazige apartheid. (..) Het is een leegte met een harde rand; ergens in het onderste ooglid schuilt afkeer.” Het is in dat jaar, hoewel de slavernij afgeschaft is, nog erg gesteld met de apartheid: het mooiste park van de stad is verboden voor zwarten.
Stilistisch is Morrison ook in dit eerste boek reeds op haar best. Zo begint de roman met een tekst van een heel jong kind dat, eenzaam, een speelkameraad zoekt, mama, papa, poes, hond, vriendinnetje… Deze tekst wordt onmiddellijk driemaal herhaald, telkens in een ander lettertype. En fragmenten ervan komen in de roman op cruciale ogenblikken terug. Er is ook een mooi, beklijvend intermezzo over drie prostituees die boven het gezin Breedlove wonen. De beschrijving, motieven, karakters…
En dan zijn er uiteraard ‘de blauwe ogen’. Niet zomaar blauwe ogen, ze symboliseren alles wat mooi is, wat blank is. Dit is het ideaal voor de meisjes Claudia, Frieda en Pecunia. Shirley Temple, Jane Withers… Het is niet toevallig dat Claudia verhaalt hoe zij een hekel heeft aan haar kerstcadeau, een blanke pop met blauwe ogen, en haar vernielt. Want zijzelf zijn niet alleen zwart, ze zijn – daarvan zijn ze overtuigd – ook lelijk. Hadden ze maar blauwe ogen…! Zodat de inmiddels zwangere Pecola zich wendt tot een pedofiele kleurling pseudo-dominee om bij hem de tussenkomst van God af te smeken om blauwe ogen te bekomen. In een dialoog (met haar spiegel of met Claudia?) blijkt zij ervan overtuigd inderdaad blauwe ogen gekregen te hebben.
Een boeiend verhaal waar het probleem dat Morrison steevast zal aankaarten, apartheid, zwart – kleurling – blank, diepgaand wordt behandeld. En al in deze eerste roman ontdekken we haar liefde voor het gebruik van kleuren: reeds de openingszinnen “Hier is het huis. Het is groen met wit. Het heeft een rode deur. (..) Daar komt Jane. Ze heeft een rode jurk aan.” Maar tekenender nog: “Groen en blauw uit mijn moeders stem”, klanken als een kleur benoemen… Maar ook de verliefdheid symboliseert zij zo: met het paars en geel van jeugdherinneringen. En dan zijn er uitdrukkingen die zelfs de vertaling overleven: “de druipende honingzon” en“De jaren vouwden zich samen als zakdoeken”. Wat een beeldspraak…
‘The Bluest Eye’ is moeilijk een debuut te noemen. Het was een roman die een schitterende schrijfstersloopbaan aankondigde.
SULA
Met ‘Sula’ (1973), de tweede roman van Morrison bevinden we ons in De Bodem, een nederzetting van zwarten op een onvruchtbare heuvel boven het dal waar het stadje Medallion (Ohio) gevestigd is. In het eerste hoofdstuk maken we kennis met Sadrach die in 1919 in de oorlog een shellshock opliep, een jaar in het ziekenhuis verbleef en geestelijk ontwricht naar De Bodem terugkeert als marginale figuur. Hij sticht de jaarlijkse Zelfmoorddag, die door alle inwoners als een gewone feestdag zal gevierd worden! Het is een indringend portret waarmee het boek start.
Dan treedt het eerste echte hoofdpersonage op: Nel, dochter van Wiley Wright en Hélène Sabbat. Reeds vlug confronteert de auteur ons met de problematiek: wanneer het meisje met haar moeder naar New Orleans reist voor de begrafenis van haar grootmoeder belanden ze in de wagon voor blanken… paniek; we schrijven 1920. En naar toilet gaan in de stations: alleen voor blanken, zij worden naar de berm verwezen. Deze reis betekent een bewustwording voor Nel: “Ik ben ik. Ik ben niet Nel. Ik ben ik. Ik.”
Na hun terugkeer zal Nel vriendschap aanknopen met Sula. Deze is de dochter van Hannah, haar vader is gestorven. Zij woont in een groot huis, eigendom van haar grootmoeder Eva Peace (gehandicapt: verloor een been onder een trein, blijkbaar opzettelijk om vergoeding te krijgen), en waar ook haar oom Ralph inwoont. Deze laatste keerde niet ongeschonden uit de oorlog terug: hij is drugverslaafd, voert niets uit; en later in het boek zien we hoe zijn moeder Eva hem met petroleum overgiet en levend verbrandt. Eva Peace heeft nog een dochter, net als zij Eva genaamd, die men Pearl noemt, maar deze is gehuwd en naar Michigan verhuisd. Bovendien haalt zij in haar grote huis soms verschoppelingen binnen, zo o.m. drie verweesde jongetjes.
Sula en Nel zijn twaalf en hebben elkaar gevonden, in een prille belangstelling voor jongens, en in een strijd tegen jonge blanke pesters waarbij Sula gruwelijk optreedt (zij schrikt hen af door zichzelf een vingertopje af te snijden!). Helaas hoort zij haar moeder zeggen “Ik hou van Sula maar ik mag haar niet…” Hoeveel invloed zullen deze woorden hebben? En dan, bij een onschuldig spel, verdrinkt door hun toedoen een jongetje. De gekke Sadrach is de getuige denken ze; daarom gaat Sula naar hem toe en staart hem vragend aan. Hij is geïmponeerd en stamelt alleen “Altijd” wat zij interpreteert als ‘altijd zwijgen’: dit bezoek zal twintig jaren later nog impact en gevolgen hebben… Een jaar later sterft Hannah, zij verbrandt zich tijdens het koken – het is duidelijk dat Sula niet ingrijpt maar veeleer geboeid toekijkt! Wie wel vergeefs toespringt en zich daarbij verwondt is de moeder van Hannah, grootmoeder Eva Peace die ooit zelf haar zoon in brand stak; hoeveel cynischer kan het?
Inmiddels hebben Sula en Nel een perfecte relatie; ze koesteren geen afgunst ten opzichte van elkaar. In 1927 huwt Nel met Jude Greene, een kelner die een betere job ambieerde maar tot de vaststelling kwam dat die voor hem als zwarte niet weggelegd was – het huwelijk bleek voor hem een reddingsboei. Een prachtige bruiloft in De Bodem, mede georganiseerd door Sula… en deze laatste vertrekt meteen daarna en we zullen ons dadelijk tien jaren later in 1937 bevinden. Gelijktijdig met een treklijsterplaag (!) arriveert Sula terug in het stadje om ruzie te maken met haar zieke oma (zij dreigt haar en de ganse stad in brand te steken!) die zij al vlug overbrengt naar een verzorgingstehuis. De twee meisjes, jonge vrouwen nu, pikken de vroegere relatie weer op. Nel vooral is verrukt: Sula was nooit een rivale, met haar spreken was een gesprek met zichzelf, Sula zag haar tekortkomingen als een karaktertrek en niet als fouten… Wat weet zij over de afwezige Sula, dat deze in Nashville verbleef, er studeerde. In werkelijkheid trok zij het ganse land door, had overal een onstuimig seksleven en studeerde inderdaad her en der. Nel heeft drie kinderen.
Helaas, Sula verleidt Jude, de echtgenoot van Nel, met de gedachte dat er als voorheen geen sprake kon zijn van rivaliteit tussen haar en Nel. De tijden zijn veranderd, ook Nel: zij is ‘één van hen’, van de gemeenschap geworden. Sula is Jude dadelijk beu, gooit hem buiten en deze vertrekt naar Detroit. Sula start een liederlijk leven, er gebeuren ongelukjes in haar nabijheid: zij wordt als een heks beschouwd, een paria. Zij waagt het ook als zwarte vrouw met blanke mannen te slapen, not done! “Een kunstenaar zonder kunstvorm is gevaarlijk” schrijft Williamson. Even denkt zij een vaste relatie te kunnen aangaan met de negen jaar oudere Ajax maar deze verlaat haar zohaast hij de dreiging van de strop voelt. Dan plots slaat de eenzaamheid toe in dit poëtisch verwoord beeld: “De spiegel bij de deur was geen spiegel bij de deur, maar een altaar waar hij even voor had gestaan om zijn pet op te zetten. De rode schommelstoel was zijn schommelende bekken als hij in de keuken zat.”
Later, in 1940, ligt Sula eenzaam ziek in bed. Nel komt haar nog een eerste – en laatste – keer bezoeken. Een bittere ontmoeting. “Mijn eenzaamheid is van mij, jouw eenzaamheid is van een ander…” zo isoleert Sula hen definitief. En: alle vrouwen sterven als boomstompen, zij zal als een sequoia ten onder gaan! Er zou hoop komen voor De Bodem: de bouw van een tunnel en van een verpleeginstelling; aan beide zouden de zwarten mogen meewerken. Niets blijkt uiteindelijk minder waar: de arbeidskrachten worden elders gehaald. En in 1941 raakt de gemeenschap ontwricht, grotendeels omdat door de dood van Sula een katalysator ontbrak. En bovendien heerste er een zeer strenge winter, met hongersnood en ziekten tot gevolg. Tot de eerste lentedag: die is meteen Zelfmoorddag en Sadrach trekt er op uit, met bijna de ganse gemeenschap achter zich. Maar eerst vernemen we nog hoe – ontroerend – in zijn vreemde brein de herinnering is blijven leven aan de ontmoeting met de kleine Sula jaren geleden, en hoe hij haar nu dood zag liggen… Hij was het trouwens niet die getuige was van de verdrinking van het jongetje maar Ralph die door zijn moeder Eva vermoord werd (deed zij dat opdat hij, drugverslaafde, dit geheim niet zou kunnen onthullen en zo de meisjes in gevaar brengen?). De optocht eindigt in een waar pandemonium: de bouwwerken van de tunnel worden vernietigd en daarbij komen tientallen mensen om het leven… In een laatste hoofdstuk maken we een sprong naar 1965: Nel bezoekt de hoogbejaarde Eva in het nieuwe bejaardentehuis en aanhoort de beschuldiging i.v.m. de dood van het jongetje. De Bodem werd inmiddels ingepalmd door rijke blanken voor vakantiehuizen, Medallion is een mix van zwart en blank, de ganse leefsituatie is gewijzigd…
Een boeiende roman, de evolutie van de twee personages is boeiend: de vrijgevochten Sula, Nel die zich conventioneert. Maar uiteraard het engagement, de strijdbaarheid i.v.m. rassenproblematiek en nog meer deze van de zwarte vrouw. En dan is er de combinatie van de hardheid, wreedheid zelfs, en de poëzie die telkens in de roman opduikt want Morrison tovert met woorden. Zoals zij ook – in haar ganse oeuvre – geboeid blijft door kleuren. “Een geelgroene jurk, roomkleurige broeken, citroengele gabardine” Maar ook middagen kunnen citroengeel zijn, en zonsondergangen zijn paarsrood. En wat met een beeld als “chocolabruine gangen” of “Nel had de kleur van nat schuurpapier”. Wanneer de kleur rood voorkomt in een droom betekent dit vuur, en vuur is prominent aanwezig in deze roman; kobaltblauw in de droom duidt dan weer op gemis. En de meisjes dromen in technicolor… Met Sula bevestigt Morrison de reputatie die zich met haar eerste roman aankondigde.
SONG OF SOLOMON
De belangrijkste van haar romans zijn ‘Jazz’, ‘Song of Solomon’, ‘Beloved’ en ‘Love’. ‘Song of Solomon’ (‘Het lied van Solomon’/’De hemelvaart van Solomon’, 1977) is een roman met een op het eerste gezicht chaotische inhoud. Van de hak op de tak, en een complex verhaal. Maar dankzij het meesterschap en de vertelkunst van Morrison raakt de lezer toch nooit de draad kwijt. Integendeel, alles blijft mooi in elkaar passen – en alles verwijst uiteindelijk naar alles. Zo start het verhaal (dat speelt tussen ongeveer 1930 en 1960) met de poging van een verzekeringsagent om vanop een dak, met aangeplakte vleugels, te vliegen. Hij stort neer; de moeder van de hoofdpersoon uit het boek, Macon Dead jr., bevalt ter plekke door de shock bij het zien in aanwezigheid van haar twee dochtertjes Lena en Korinthiërs. De jonge Macon zal later door het leven gaan – en nog alleen zo genoemd worden – als Milkman; een naam die hij dankt aan het feit dat zijn moeder hem jarenlang één keer per dag op schoot nam om hem te zogen. Een feit dat ontdekt werd door de bediende, de factotum van zijn vader, Freddie, die hem met deze spotnaam bedacht waarvan het ganse stadje in het middenwesten van de US (Michigan) de oorsprong zou kennen behalve Milkman zelf noch zijn familie. De vader van Milkman, eveneens Macon Dead genaamd, is een rijke huisjesmelker. Hij huwde Ruth Foster, dochter van gerenommeerd en bemiddeld arts wat hem in staat stelde zijn imperium op te bouwen. Er wordt hem verweten dat hij de dood van de dokter op zijn geweten heeft, en dat hij aandrong op abortus bij Milkman. Hoe dan ook, voor hem telt alleen bezit en geld en aanzien als één der belangrijkste zwarten in de stad.
Behalve dit gezin woont in het stadje een tweede gezin dat een essentiële rol speelt. Pilatus, zus van Macon Dead sr., haar dochter Reba en kleindochter Hagar. Geen der vrouwen is gehuwd. We moeten voor de logica teruggrijpen naar de jeugd van Pilatus en Macon. Ze woonden als kleine kinderen op een vrije grote boerderij met hun vader. Deze werd voor hun ogen doodgeschoten door blanken die zijn bezitting wilden inpalmen. Een vrouw hielp de kleintjes onderduiken gedurende korte tijd. Daarna trokken ze de wereld in maar eerst gebeurde een drama dat hun leven zou beïnvloeden: schuilend in een grot stuiten ze op een man die ze veeleer uit angst doden en ontdekken bij hem een voorraad goud. De kleine Macon gaat er vandoor, Pilatus blijft achter. Wanneer Macon drie dagen later terugkeert om zijn jonger zusje te halen is zij onvindbaar en hun levens verlopen sindsdien gescheiden tot Pilatus zich onverwacht aandiende in het stadje waar de volwassen Macon inmiddels de plak zwaait. Zij leeft aan de zelfkant, verkoopt zelfgestookte wijn. Macon haat zijn zuster, hij weigert iedere band. Zo niet Milkman – deze zoekt zijn familie op, wordt verliefd op zijn nicht Hagar, ze krijgen een twee jaren durende relatie die hij tenslotte beëindigt. Hagar, vrijwel krankzinnig van liefdesverdriet heeft moordplannen die zij niet volvoert, maar zal tenslotte wel aan de emotionele pijn bezwijken en sterven.
En dan is er Guitar, de goede jeugdvriend van Milkman. Vreemde jongen die, ouder geworden, aansluit bij ‘De Zeven Dagen’, een groepje van zeven zwarten die voor iedere zwarte die vermoord wordt een blanke op gelijkaardige wijze executeren op een overeenkomstige weekdag. Maar tussen de jongens loopt het fout wanneer Milkman in het huis van Pilatus een mysterieuze zak ontdekt; bevat deze het goud dat de kleine Pilatus eertijds meenam uit de grot? De twee vrienden besluiten, met medeweten van vader Macon sr., het ‘goud’ te stelen. Ze worden betrapt, de zak bevat slechts beenderen (een menselijk geraamte!) en stenen die Pilatus van ieder stadje meebracht op haar omzwervingen door de US als herinnering. Een vreemde vrouw deze Pilatus, zij spreekt met de doden, voorspelt de toekomst, maakt liefdespoeders… niet verwonderlijk: zij is geboren zonder navel, wat haar tot een tovenares bestempelt. Magie, mysterie, het is nooit ver weg bij Morrison en sluipt haar intriges steevast binnen zonder hen te overweldigen, ze zijn nooit cruciaal.
Milkman zal op zoek gaan naar het goud dat zich mogelijk nog in de grot aan de andere kant van het land bevindt in Danville. Hij maakt er kennis met de stokoude Circe, de vrouw die ooit de jonge Pilatus en Macon redde na de moord op hun vader. In de grot vindt hij evenwel alleen nog een geraamte maar één en ander laat hem besluiten dat hij op zoek moet naar zijn roots, naar zijn overgrootouders, naar het Indiase bloed dat ook in hem schuilt. In het kleine stadje Shalimar, in wezen Solomon, schuiven de stukken van de puzzel in elkaar via een kinderlied, losse mededelingen, een legende… Vrijwel iedereen daar heeft banden met Solomon, die zich ooit van een heuvel naar beneden stortte – hij vloog weg! En zo keren we terug naar het begin van de roman. Terwijl op dat ogenblik Guitar achter Milkman aan zit om hem te vermoorden, woedend omdat hij hem ervan verdenkt het (verloren gegane) goud te hebben gestolen. Tenslotte zullen Pilatus en Milkman de beenderen gaan begraven op de plaats waar het allemaal begon, de oude boerderij, de moord…, in het land waarover de vermoorde Macon ooit zei: “In mijn huis komt niemand om van de honger, in mijn huis huilt niemand en als ik zo’n huis kan hebben kun jij dat ook! Grijp het. Grijp het dit land! Pak het, hou het vast, broeders, bewerk het, broeders, schud het, knijp het, draai het, wring het, sla het, schop het, kus het, gesel het, kneed het, spit het, ploeg het, zaai het, oogst het, pacht het, koop het, verkoop het, bezit het, verbouw het, vermenigvuldig het en geef het door; horen jullie me? Geef het door!” Een oer-begrafenis als hoogtepunt met een tragisch slot.
Zoals de inhoud hier verteld werd dient hij zich niet aan in de roman. Daar is hij chaos, losse eindjes. En desondanks raakt de lezer de draad uit het kluwen niet kwijt. En meer zelfs, het verhaal kennend zal dit vast niet het genoegen ontnemen van een lezing want de puzzel openbaart zich op steeds nieuwere wijzen, vertakt zich, de verwijzingen zijn legio. Het is een magistraal boek. Met de bekende thema’s, uiteraard, waarover zou Morrison schrijven, armoede, schijnheiligheid, racisme… En er schuilt zoals altijd opstandigheid in haar werk, maar ook weemoed, ontroering, liefde, passie. Zij houdt van de mens.
TAR BABY
‘Zwarte Lokvogel’ (‘Tar Baby’; 1981) is minder expliciet strijdvaardig wat betreft de kleurlingenproblematiek dan de andere romans van Morrison. Minder nadrukkelijk maar onderhuids is het wel steeds aanwezig, en misschien is de suggestie die zij hier oproept middels de ogenschijnlijke sympathie van de blanke hoofdpersonen voor hun zwart ‘personeel’ nog wel sterker in de nawerking. Om te resulteren in een schrijnend slot waar de vervreemding van de zwarten zelf – hun identiteit – pijnlijk bod komt.
Het boek start met een soort inleiding: een man, later (we zullen hem pas na meer dan honderd bladzijden opnieuw ontmoeten) geïdentificeerd als de zwarte Son, springt van een schip en bereikt met moeite het eiland in de Caribische Zee, Isle des Chevaliers. De handeling verplaatst zich naar het prachtige landgoed daar, l’Arbe de la Croix. Een luxueuze, buitenissige villa van Valerian en Margaret Street. Hij is gepensioneerd als directeur van een snoepgoedconcern, kocht dit eiland, verkavelde enkele percelen, en trok zich inmiddels hier definitief terug. Met zijn zwarte butler Sydney Childs, diens echtgenote Ondine als kokkin, hun nichtje Jadine, en twee tijdelijke hulpkrachten voor allerlei klussen.
Jadine, 23 jaar, heeft een lichte gelaatskleur. Zij studeerde kunstgeschiedenis aan de Sorbonne, financieel geholpen door haar oom en tante maar vooral door de liefdadigheid van Valerian. Inmiddels logeert zij op het landgoed, als gast, na een carrière als fotomodel die haar zelfs tot de cover van Elle bracht en een filmrol bezorgde. Ook Margaret Street moet ooit beeldschoon geweest zijn, met haar bijnaam ‘Mooiste Meisje’ en ‘Miss Maine’. Een eerste verwijzing: in Parijs maakt een zwarte vrouw een minachtend gebaar naar de bijna blanke Jadine – dit beeld blijft lang in haar spoken…
Het echtpaar Street heeft een zoon Michael die in de US is blijven wonen en nooit naar het eiland komt. Margaret heeft hem uitgenodigd om kerstavond te komen vieren. De sfeer aan een diner is gespannen: Margaret vreest dat haar zoon niet komt, Valerian is nerveus dat hij wel zou komen; Michael houdt zich namelijk bezig met antropologie. Volgens Valerian is hij: “een leverancier van exotica, een culturele wees die andere culturen zocht die hij pijnloos en zonder risico zou kunnen beminnen.” “Valerian haatte die culturen, niet uit haat tegen een minderheidscultuur of omdat een cultuur hem vreemd was, maar om wat er naar zijn inzicht vals en bedrieglijk was aan dat antropologisch standpunt. Het Indiaanse probleem was een probleem tussen Indianen, hun geweten en hun eigen lef.” Michael wil dat de zwarten terug gaan naar hun roots, het wordt niet vermeld maar het verwijst wel naar Black Panther. Het diner verloopt ruziënd over hun zoon, Margaret trekt zich terug. En stormt even later de kamer weer binnen, hysterisch: er zat een zwarte man verscholen in haar kleerkast… ontsteltenis, butler Sydney met getrokken pistool er op af. Iedereen blijkt overstuur behalve Valerian, hij nodigt de haveloze schooier – vuil en onwelriekend – aan tafel waar deze met hem en met Jadine geniet van het diner… Hij wordt zelfs ondergebracht in de logeerkamer en later worden voor hem nieuwe kleren en schoenen gekocht, zijn haar geknipt, hij neemt een bad – kortom hij ziet er twee dagen later fatsoenlijk uit. Vanzelfsprekend: dit is Son, eerst ondergedoken in de bossen, en sedert zo’n vijf dagen rond en in de villa dwalend op zoek naar eten. In huis blijven de meningen verdeeld, pro en contra; evenals de motieven die veeleer gesuggereerd worden door de auteur. Tussen Son en Jadine komt het tot een conflict in haar kamer terwijl zij anderzijds denkt: “Ruimten, bergen en savannes lagen in zijn voorhoofd en zijn ogen. Al die colleges kunstgeschiedenis hadden haar kennelijk niet scherpzinnig gemaakt maar zwakzinnig.” Een eerste toenadering deze gedachte… In ieder geval gaat zij met hem op picknick. Als ze terugkeren hebben ze geen brandstof en blijft Jadine alleen achter bij de jeep; zij gaat op wandel, komt in een moeras terecht en zinkt deels weg in de zwarte blubber, de ‘tar’, de teer… zij is de tar baby, de zwarte lokvogel terwijl boven haar de moerasvrouwen uit een oude legende krijsen…
Inmiddels weten we nu ook dat Son gedegradeerd werd in het leger, ontslag nam, rondzwierf onder meerdere identiteiten, gehuwd was, zijn vrouw betrapte met een jonge knaap en haar doodde: doodslag geen moord, en recent als matroos droste van een schip en zo op het eiland belandde, zonder papieren.
Kerstavond, en alles mislukt. De zoon Michael daagt niet op, andere gasten evenmin. De spanning stijgt ten top. Margaret die nooit kookt heeft plots de heerschappij over de keuken opgeëist, tot ergernis en woede van kokkin Ondine. De vreemde jarenlange relatie tussen deze twee vrouwen, blank en zwart, riep steeds vraagtekens op. Nu komt de waarheid: Ondine reveleert dat Margaret gedurende de eerste levensjaren baby Michael met spelden in de billetjes prikte, pijnigde… Niemand wist hiervan. Het huis staat na deze onthulling op stelten. Wat concludeert Son: “Blanke mensen en zwarte mensen zouden niet aan één tafel moeten eten. Ze zouden af en toe samen moeten werken, maar ze zouden niet samen moeten eten of samen moeten wonen of samen moeten slapen. Die dingen in het leven die persoonlijk zijn, die moeten ze niet samen doen.”
De voorbije week waren Son en Jadine naar elkaar toegegroeid en hadden ze besloten samen op te trekken. Na het debacle van kerst vertrekt Son met geld van Jadine en een geleend paspoort naar New York waar zij zich later bij hem voegt. Hij voelt er zich ontheemd, voor haar betekent het ‘een stad voor zwarte vrouwen’. Voorlopig beschikken ze over voldoende geld, onbekommerde maanden dus. Maar Son wil zijn geboortestad, het stadje van zijn familie bezoeken: Eloe, een onooglijk iets met nauwelijks enkele huizen, een exclusief zwarte enclave. Terwijl hij daar, alleen, zijn vader opzoekt en Jadine aan een bar laat wachten, neemt zij enkele foto’s van de nieuwsgierige inwoners: het lijkt wel aapjes-kijken. Dan blijkt dat ze onmogelijk samen kunnen slapen ongehuwd als ze zijn! Dus dient Jadine ondergebracht bij een tante in een kamertje zonder raam, snikheet. Er is een bijna-conflict over het feit dat zij naakt slaapt en zij moet zelfs een onderjurk van tante aantrekken in bed. Een nachtmerrie waarin alle vrouwen van Eloe haar bestoken en bespoken is het gevolg… Jadine verlaat het stadje na enkele dagen. Son zal haar volgen belooft hij. Wat hij doet, maar pas maanden later… De relatie hapert. Net als de carrière van Jadine, zij zou naar Parijs moeten om als model opnieuw van start te kunnen gaan. Andere opties: een winkel openen met geld van de aandelen die zij bezit van Valerian, dit weigert Son – geen geld van een blanke; hijzelf verder studeren, maar inschrijvingsgeld univ: idem. Het fundamentele is: zij betekent iets in de blanke wereld, hij wil zijn eigenheid bewaren in de zwarte wereld. Zo beseft Jadine, en zij vertrekt, via het eiland waar zij heel even afscheid neemt, definitief naar Parijs. Son zoekt haar vruchteloos, hij heeft alleen de foto’s die zij nam in Eloe: hen bekijkend ziet hij nu uitsluitend domme, afgestompte gezichten, ook daar zou hij zich niet meer thuis voelen. Jadine? Het eiland? Hij gaat er heen, te laat verneemt hij van kennissen, zij is naar Parijs, het adres… dat zal men in de villa wel weten. Een vrouw vaart hem in een gevaarlijke tocht naar een plaats zodat hij doorheen het woud de villa zou kunnen bereiken… zou, indien hij de ‘blinde zwarte ruiters’ uit de legende weet te trotseren?
De ruiters, de moerasvrouwen, er zijn ook ‘de ongetrouwde tantes’ die in de villa aanwezig zijn, en er is vaak sprake over genees- en andere middeltjes, magie en mythe komen dus ook in dit boek aan bod. En de symboliek eveneens, zo zijn er b.v. de vechtmieren die steeds opduiken, vrouwtjes die alles vernietigen, maar de soort in stand weten te houden.
‘Tar Baby’ steunt, veel meer dan ander werk van Morrison, op dialogen. En ook hierin schittert zij. Uiteraard blijft haar thema zwart-blank essentieel maar het lijkt alsof zij zich ietwat op de achtergrond houdt, minder een standpunt neemt. Zij laat de personages elkaar aftasten en verwoordt geen conclusie. Niet over dit thema, evenmin over – secundair – het kapitalisme van de VS. Een meeslepende roman met krachtige tekening van alle personen. Maar het zijn vooral de vrouwen die centraal staan. Zij bezitten de ‘tar’, de teer waarin Jadine wegzakte, de kleefstof. In een interview zei de auteur dat deze stof het mandje van Mozes kon dichten en ook de stenen van een piramide zou kunnen hechten en behoeden voor instorten: de zwarte vrouwen zijn de ‘tar’ van de zwarte samenleving.
BELOVED
Toen Oprah Winfrey ‘Beloved’ (‘Beminde’) (1987) gelezen had wou zij hiervan dadelijk een verfilming maken. En die kwam er in 1998 met Oprah in de rol van Sethe; er kwam zelfs een opera door Morrison zelf geschreven onder de titel Margaret Garner. Deze laatste was de vrouw op wier levensverhaal en rechtszaak ‘Beminde’ losjes gebaseerd was. Het boek kreeg de Pulitzerprijs, en in 2006 bekroonde de New York Times het als het beste boek uit de Amerikaanse literatuur van de voorbije 25 jaar. Of dat alles veelzeggend is? In ieder geval, de lezing blies mij uit mijn zetel. Schitterend!
‘Beminde’ speelt in Cincinnati, hoofdzakelijk nog ten tijde van de slavernij. Maar op de plantage van Garner ‘Sweet Home’ verloopt het soepel, vrij progressief – geen harde aanpak, grote vrijheid. Zelfs zo dat één der slaven Halle zijn moeder met geld, verdiend buiten de plantage, mag vrijkopen. Deze moeder opoe Baby Suggs betrekt dankzij welwillende blanken gratis een groot huis nr.124 – het centrum van het gebeuren van de roman. Een zeer wonderlijke figuur deze oma die acht kinderen had. Zij staat in de bres voor de ganse gemeenschap. En ontpopt zich zelfs tot een soort predikant als zij iedere zondag in het bos de slaven toespreekt. Een prachtige monoloog is dit, Morrison overtreft hier stilistisch en inhoudelijk alles – Martin Luther King waardig. Elders in het boek laat zij iemand zeggen: “geen preek, geen kanselrede, ze riep op en het gehoor gaf gehoor”.
In dat huis 124 duiken eerst drie kinderen op van haar zoon Halle en diens vrouw Sethe. Na de dood van de eigenaar Garner van ‘Sweet Home’ werd het regime op de plantage immers zoals elders, streng, bloederig zelfs. En de slaven trachten te vluchten. Deze nog kleine kinderen zijn ontsnapt. Later arriveert ook Sethe met een pasgeborene, Denver. De met haar ontsnapte slaven werden inmiddels weer gevat en hoe het er dan aan toeging levert geen fraai schouwspel op. Wat dat betreft is ‘Beminde’ ook een hard, helaas maar al te realistisch boek. Ook Sethe ondergaat dit lot, slavenjagers vinden haar en haar kinderen ondergedoken bij Baby Suggs in 124 – en dan voltrekt zich het noodlot. Opdat haar kinderen niet als slaven verkocht zouden worden, slaagt zij er in hen nog net voor ze gegrepen worden alle drie te doden. Alleen de pasgeboren Denver wordt gered en met haar gevangen weggevoerd. Maar dankzij de belangstelling over de kindermoord (en het feit dat de slavernij vrijwel overal afgeschaft is inmiddels) kopen blanken haar vrij en keren zij naar opoe Baby Suggs terug. Maar huis 124, ooit zo gastvrij, waar iedereen kon onderduiken, een woord en eten en drinken vond, wordt nu geschuwd. Het is na de moorden een spookhuis. Spookt het echt? Ja, er gebeuren onverklaarbare dingen. Volgens Sethe – die in haar geest volhoudt dat haar twee jongens leven en gevlucht zijn, en dat alleen haar dochtertje gestorven is (“voor Sethe was de toekomst alleen een kwestie van het verleden op een afstand te houden“) – dwaalt de geest van Beminde in het huis. Beminde… haar naam dankt zij aan het feit dat deze op de grafsteen staat, voor meer letters ontbrak het geld. Spoken, mysterie, bijgeloof, magie, het komt wel vaker voor in het boek zoals in al het werk van Morrison. Wat b.v. te denken over het raadselachtig blanke meisje dat Sethe in het bos hielp bevallen, realiteit, een geest…
De lezer komt in feite terecht in het boek wanneer Baby Suggs overleden is. Het verhaal grijpt in flarden terug naar het verleden. Zoals het ook voortdurend verteld wordt door andere personen. Stilistisch sterk. Terwijl dus Sethe en haar dochter Denver 124 eenzaam bewonen arriveert er een meisje. Dat zich Beminde laat noemen. De jonge meisjes worden vriendinnen, bijna zusters. Dan duikt Paul D. op, één van de vroegere slaven van ‘Sweet Home’; ook het relaas van zijn omzwervingen en vreselijke belevenissen als voortvluchtige komen we in delen te weten. Hij wordt tijdelijk de minnaar van Sethe maar onder mentale druk van vooral Beminde verlaat hij tenslotte het huis dat eerst door zijn toedoen ‘spookvrij’ gemaakt was. En later blijkt dat Beminde zwanger is door hem. Inmiddels groeide het geloof van Sethe dat Beminde haar (overleden, gereïncarneerde? weergekeerde?) dochter is; en Beminde gedraagt zich ook zo. Wat Denver met lede ogen ziet gebeuren. Uiteindelijk gaat 124 bijna ten gronde tot Denver met de hulp van een blank echtpaar ingrijpt. Wat toch nog bijna tragisch eindigt. Maar er blijft een sprankel hoop.
Een sterke roman. En meteen een getuigenis over rassenhaat, discriminatie, haat. Dat o.m. de zwarten een kermis één dag exclusief mochten bezoeken, nikkerdag. Maar verder de gruwelen uiteraard. En het ergste: “De blanke kon je niet alleen laten werken, je vermoorden of je verminken, hij kon je bevuilen. Je zo erg bevuilen dat je niet meer van jezelf kon houden. Je zo erg bevuilen dat je vergat wie je was en er niet meer op kon komen”. Dit boek beklijft.
JAZZ
“Ik wil geen nikker zijn; ik wil vrij man zijn.” Dit is misschien wel dé cruciale zin in ‘Jazz’ (1992), het tweede deel van de Dante-trilogie van Morrison. In 1906 reizen Joe en Violet Trace vanuit het platteland, via omwegen en allerlei jobs, eindelijk zoals zovele zwarten naar de Stad, het beloofde land, New York. In een trein met toen nog een compartiment voor kleurlingen: “…toen de bediende langskwam, vriendelijk maar zonder een glimlach, want dat hoefde niet in een wagon vol kleurlingen”. Die grote trek was reeds in 1870 begonnen. En inmiddels had NY heel wat zwarten geannexeerd.
We ontmoeten het echtpaar Trace dan definitief twintig jaren later, 1926, ze zijn 50 jaar. Ook zij hadden zich snel aangepast aan de grote stad: “Hij (Joe) vergeet een zon die als de dooier van een plattelandsei, dik en oranjerood laag in de lucht omhoog schoof en hij mist hem niet, kijkt niet naar boven om te zien wat ermee gebeurd is en ook niet naar de sterren die in het niet vallen bij het licht van de opwindende, verkwistende straatlantaarns.” Joe verkoopt, succesvol, van deur tot deur cosmeticaproducten. Violet is kapster thuis of bij mensen aan huis. Zoals steeds bij Morrison zullen we in de loop van het boek langzaam geconfronteerd worden met het verleden van de personen, en met de algemene historiek. Violet gedraagt zich de laatste jaren soms bizar: blijft verstard staan op straat, spreekt fout of volhardt in zwijgen, zelfs is er een ‘semi-ontvoering’ van een baby… Heeft dit alles te maken met drie miskramen en een pas nu, te laat, ontdekte kinderwens? En dan ontmoet Joe, die onberispelijke man, het jonge meisje Dorcas Manfred en begint met haar een verhouding die drie maanden zal duren. Deze Dorcas heeft, hoe jong ook, reeds een bewogen leven achter de rug: ouders vermoord, opgevoed door haar tante Alice, zelf losgeslagen…
Maar ook Joe kende een bizarre jeugd. Hij werd ergens ter wereld gebracht door een meisje dat in het wild leefde (en die men ook Wild noemde), en geen contact had met de wereld. Opgevangen door True Belle, die we later nog ontmoeten, hoort hij dat van hem geen spoor was (without a trace… hij adopteert Trace als zijn naam). Tenslotte zal hij meermaals vanuit NY op zoek gaan naar zijn moeder en haar, bijna mythisch, aantreffen.
En Violet… ook haar jeugd was niet makkelijk. Moeder pleegde zelfmoord. Vader was een avonturier die slechts iedere twee jaren langskwam met geschenken. Zij werd opgevoed door haar oma.
En dan is er, samenhangend met de bevalling van Wild, een quasi intermezzo, waarin we zien hoe een blank meisje, zwanger van een zwarte, door haar ouders verstoten, terechtkomt bij True Belle. De vader was verdwenen. Als het kind tot volwassene uitgegroeid is, (zelf blank) gaat hij op zoek naar zijn vader, en zal hem vinden. Hij is het is trouwens die de baby van Wild geboren helpt worden, toevallig, en naar True Belle brengt omdat Wild inmiddels alweer in het woud verdwenen is.
Dit alles komen we, als gebruikelijk bij Morrison, met mondjesmaat te weten. Maar nu ontmoette Joe de 18-jarige Dorcas, huurt tweemaal per week een kamer, overstelpt haar met geschenkjes. Tot zij na drie maanden een nieuw vriendje vindt, na die ‘oude man’. En Joe haar bezig ziet op een feestje, en haar daar neerschiet. In de verwarring, en ook omdat Dorcas de dader niet noemt in haar laatste ogenblikken, wordt hij niet vervolgd al kent iedereen de dader. Ook Violet heeft weet van de toedracht. Haar haat richt zich op het meisje en bij de begrafenis stort zij zich op het lijk en verminkt het met talloze messteken. Totaal het noorden kwijt laat zij alle vogels die zij in hun appartement verzorgt, inclusief haar papegaai (een symbool), uit hun kooien en stuurt hen de winter in; zij neemt gedurende twee weken een minnaar. En zij wil de identiteit van Dorcas achterhalen. Vreemd genoeg zoekt zij daartoe de tante van het meisje op, die haar – hoewel eerst met tegenzin (de verminking van het lijk!) – binnenlaat. Tot er een bizarre vriendschap ontstaat tussen de vrouwen. Tante Alice zal zelfs de kleding van Violet (die nu Violent genoemd wordt in de buurt) herstellen. En de droefheid van Joe die een tijdlang apathisch en werkloos door het leven glijdt, lost langzaam op. Tot ook de relatie tussen het echtpaar tenslotte in orde komt en hun leven zich geruisloos verderzet.
Jazz. Wat zegt Morrison er zelf over: “Niemand weet eigenlijk precies wat jazz eigenlijk betekent, maar ook nu nog gebruikt iedereen de term zonder het gevoel, de wortels van de jazz werkelijk te begrijpen. Jazz is beweging, dynamiek en improvisatie, jazz is de taal van de verbeelding en dat vinden de lezers terug in mijn roman.” Wat lezen we in het boek zelf b.v.: “Zij was niet opgewassen tegen een Stad die druipt van muziek; muziek die dag in dag uit dringend riep en uitdaagde: ‘Kom maar’ zei de muziek, ‘kom maar zondigen'”. En ook: “En waar geweld was, was toch ook verdorvenheid? Gokken. Vloeken. Vreselijk vervelend aan elkaar klitten. Rode jurken. Gele schoenen. En jazz natuurlijk om ze aan te vuren.”
In ‘Jazz’ verhaalt Morrison in flarden de historiek van de discriminatie die er nog steeds was in die beschreven periode, vooral aan de hand van kleinere maar niet minder beklijvende gebeurtenissen. En zij stelt vooral scherp hoe zeker de vrouwen minderwaardig waren in die stedelijke samenleving waar de mannen zich nog enigszins konden profileren. Maar de andere ‘anekdoten’, buiten de stad, laten het beeld zien van de algemene ongelijkheid zwart – blank. Ook in dit boek komt zij op voor die ene bevolkingsgroep. Maar nee, zij predikt in feite voor de ganse mensheid, voor het individu. Prediken, wat een fout woord… zij ijvert, smeekt, huilt, bidt en vecht om mededogen. Om liefde. Dat is Morrison.
PARADISE
‘Het paradijs’ (‘Paradise’ 1997) is het derde deel van wat Morrison zelf haar Danteske trilogie noemde, samen met ‘Beloved’ en ‘Jazz’. De werken delen niet hun personages, evenmin hun locatie noch handeling. Wat dan wel: de auteur bouwde via hen een geschiedenis op van de zwarten in Amerika. En zij besluit deze dus in ‘Paradise’, dat speelt in Ruby, Oklahoma, een heel klein stadje exclusief bevolkt door zwarten – een enclave. Deze bevolkingsgroep, zo’n vijftien families onder leiding oorspronkelijk van Big Papa, trok gedurende tien generaties, na de vrijlating van de slaven, op zoek naar eigen geschikte grond. Vanuit Louisiana vertrokken, komen ze terecht in Haven waar ze zich eerst vestigen, tussen de blanken, maar tenslotte verdreven worden. Om verder, in het gebied van de indianen, tenslotte een eigen plaats te veroveren en Ruby te stichten. Ruby, hun eigen stad, geïsoleerd, met wantrouwen tegenover vreemden, spaarzaam, waar ze trachten behoedzaam met elkaar om te gaan.
Maar er is een tweede locatie in het boek, even belangrijk als het stadje: het Klooster, zo’n twintig kilometer van Ruby verwijderd. Terwijl we meemaken wat zich in de stad afspeelt, tussen de heel diverse personen met wie we kennis maken, hun liefdes, hun conflicten, hun achtergronden, de botsende kerkgenootschappen met de progressieve dominee Milner als spilfiguur en de tweeling Deek en Steward als de bemiddelde bankeigenaars die Ruby domineren, leeft het Klooster. Morrison vertelt nooit rechtlijnig in haar boeken; het zijn puzzels, schuiframen waaruit langzaam de geschiedenis van ieder personage opduikt. De lezer ontdekt met mondjesmaat de ware toedracht, karakters en gebeurtenissen worden in fragmenten onthuld. Dat maakt de lezing boeiend, soms verwarrend, maar je moet alert blijven. Ook hier, in ‘Paradise’. Waar ieder hoofdstuk als titel de naam meekreeg van één der vrouwen die langzaam het Klooster komen bevolken. Want, wat eerst het landhuis was van een decadente en perverse grootgrondbezitter (getuige de inmiddels grotendeels verwijderde muurschilderingen, versieringen, e.d., een oord van verderf dat tot de verbeelding van de bewoners van Ruby bleef spelen), werd via hun Orde en door een rijke mecenas ter beschikking gesteld aan Portugese nonnen. Die er een school voor Indiase kinderen vestigden. Tot Ruby gesticht werd, de indianen verdwenen, en tenslotte ook de zusters. Alleen Connie (Consoluta) bleef over (met de zieke moeder-overste die jaren later zal sterven). Geen non evenwel deze Connie, wel opgegroeid in het Klooster nadat zij als jong (blank) meisje als 9-jarige uit de goot werd opgepikt en tot nu bij de zusters verbleef. Zij slaagt er in op het grote domein groenten en kruiden te verbouwen, voor zichzelf, en voor inwoners van Ruby die vaste klanten worden. Niet onbelangrijk: nog vrij jong heeft zij een relatie met een man uit Ruby. Om haar heen zweeft ook een sfeer van magie die op het einde ten top zal gedreven worden.
Dan arriveert Mavis, een vrouw die op de vlucht is voor haar man en drie kinderen die haar – vermoedt zij – willen vermoorden, maar vooral voor zichzelf: zij had in haar afgesloten auto haar twee baby’s achtergelaten, deze waren gestikt… Nu strandt zij toevallig in de buurt van het Klooster, zoekt hulp en blijft er. De derde bewoonster zal Gigi (Grace) zijn. Zij arriveert wanneer Mavis reeds drie jaren in het Klooster woont, en op het moment dat deze een maand op reis was, net als de moeder-overste gestorven is en Connie duidelijk overstuur is. Ook zij besluit te blijven, al zal vlug blijken dat het voortdurend zal botsen tussen haar en Mavis zohaast deze terug is. Seneca is een meisje dat in pleeggezinnen opgevoed werd. Als zij een vrouw helpt die op de dool is belandt zij zelf in het Klooster, eveneens om er een plaatsje te veroveren. Zij lijdt aan zelfmutilatie. Tenslotte daagt de jongste van het gezelschap op, 16 jaar, Pallas, bedrogen door haar oudere vriend en op de vlucht uit schaamte voor ouders en school.
Terwijl in de loop van het boek deze vrouwen, hun relatie en hun achtergrond geschetst worden, maken we verder kennis met allerlei mensen die Ruby bevolken. En met de Oven, een bijna mythisch gegeven: een oven die ze gedurende al die jaren hebben meegesleept, ook alle stenen, telkens heropgebouwd, om hem centraal te plaatsen. De Oven gaf warmte, er werd voedsel in bereid, en hij deed dienst als centrale vergaderplaats. En… zal nu oorzaak worden van een generatieconflict betreffende de halfvergane tekst die er op stond. Hoe hem te vervangen? En zijn functie: inmiddels palmt de jeugd hem vaak in als ontmoetingsplaats voor feestjes, drank, drugs… De nieuwe generatie: recent de moord op M.L.King, er wordt gesproken over de terug naar Afrika-beweging, de Black Panther… ook de kerkgenootschappen laten zich niet onbetuigd in deze strijd. En tussendoor verhaalt Morrison via diverse personen die ze al dan niet zelf aan het woord laat, de geschiedenis van de ganse trektocht van Louisiana tot in Ruby, de vernederingen, de pijn, de honger, de ellende, de samenhorigheid. Het is de schooljuffrouw Pat die dit alles op schrift wil stellen. Tot zij het plots zo zinloos vindt: zij verbrandt alles. “Ze droogde haar tranen en tilde het kopje van de schotel. Onderin kleefden de theebladeren. Nog wat kokend water, even trekken, en de zwarte blaadjes zouden weer wat opleveren. En weer. Altijd weer. Tot… Tja. Wie zal het zeggen? Het was zo helder als glas. De volgende generaties moesten niet alleen raszuiver zijn, maar ook vrij van overspel. (…) ‘Goeie God’, mompelde ze. ‘Goeie God, ik heb de papieren verbrand'”. De desillusie over Ruby, over de ganse geschiedenis en waartoe deze geleid heeft, komt hier samen. Ruby stort in. Ook omdat de jeugd, net als in andere kleine stadjes wil wegtrekken, terwijl de ouderen zwelgen in nostalgie (“verdoofd door het gebral over de eigen geschiedenis”).
Terwijl in Ruby een en ander verandert staat ook in het Klooster de tijd niet stil. De inmiddels oud geworden Connie heeft zich terug getrokken in de wijnkelder die zij als kamer inrichtte, zij heeft nog nauwelijks contact met de andere vrouwen. En de spanning tussen Mavis en Gigi loopt vaak hoog op. In Ruby wordt een bruiloft gevierd. Iemand nodigde de Kloostervrouwen uit die zich inderdaad melden voor het feest en zich daar te zeer laten opmerken wat drank en dans betreft. Dit huwelijk – op zich reeds een scharnierpunt – zal ook voor de relatie Ruby/Klooster definitief blijken. Een groep mannen zal even later een complot smeden om de vrouwen te verjagen of te doden. De vroedvrouw die getuige was van de samenzwering gaat de vrouwen verwittigen maar wordt op ongeloof onthaald: tot dan was de relatie met het stadje hartelijk… Connie, steeds in het bezit van enige magische krachten zo werd gesuggereerd, roept alle vrouwen samen. Ze moeten op de grond gaan liggen, hun contouren met krijt aftekenen, en daarin symbolen aanbrengen van hun verleden of van wat hen bezwaart… een bizar ritueel waarin de vrouwen zich als het ware tot een hecht genootschap samen smeden. Diezelfde nacht trekken de mannen er op uit: tegen de ochtend vallen ze het Klooster binnen. Eén vrouw wordt gedood, de anderen weten zich te verzetten, er worden nog uitsluitend mannen gewond en de andere vrouwen ontkomen. Dagen later blijkt het Klooster verlaten, de vrouwen zijn verdwenen, hebben hun vermoorde vriendin meegenomen – politie van het naburige Haven werd blijkbaar nooit ingeschakeld… Maar Ruby, de enclave, is teloor, die zal de wonden likken. In een laatste hoofdstuk vernemen we nog hoe het met de onderscheiden overlevende vrouwen verder gaat, ieder apart hun leven…
Met ‘Paradise’ voegde Morrison weer een prachtig boek toe aan haar oeuvre. Niet in het minst om haar stilistische kracht en schoonheid die spreekt uit zinnen en beelden als “Ze wist dat ze verging van de honger omdat de watermeloenrode zon eetbaar oogde”. Maar ook omdat zij zo indringend schrijft over de mensen, met zoveel warmte, zo scherp ook. Ontledend de confrontatie zwart-blank, de historische duiding met uiteraard de zwarte slachtofferrol maar desondanks nooit eenzijdig: voor haar zijn er ook steeds de goede blanken en ook de slechte zwarten, er zijn bovenal individuen… En boven en om dat alles heen is er de natuur, zijn er de seizoenen, creëert Morrison hiermee een sfeer waarin planten, bloemen, kruiden, geuren, en vooral ook zoals in ieder boek de kleur bepalend is om de lezer mee te slepen in het verhaal.
LOVE
Met Bill Cosey heeft Toni Morrison in ‘Love’ (2003) een intrigerende hoofdpersoon gecreëerd. Hoewel men zich zou kunnen afvragen in hoeverre hij de werkelijke hoofdfiguur is. Want om hem heen zijn er de vrouwen die zijn leven bepalen. Er is May, zijn schoondochter, weduwe van zijn zoon. Haar dochter Therese en haar boezemvriendinnetje Heed, een meisje uit de zelfkant. En er is L, de kokkin die in een reeks schitterende tussenkomsten het gebeuren en de karakters becommentarieert, objectief.
Cosey heeft met het dubieus verworven geld van zijn vader een luxueus hotel gebouwd in het zuiden van de US. Alles loopt prima, ook tussen de personen, tot Cosey besluit met de 11-jarige Heed te huwen. De relaties lopen nu mank, persoonlijk, en langzaam – naarmate Heed ouder wordt en meer van het hotelwezen begrijpt – ook hiërarchisch. May en Christine gaan Heed haten; wat niet verbetert wanneer May tekenen vertoont van kleptomanie en verwardheid. Cosey verkoopt gronden aan een bouwpromotor, er zijn raciale onlusten, het hotel gaat langzaam ten gronde. Cosey sterft. May sterft. En noodgedwongen trekken Heed en Christine zich terug in hun huis in de stad. Bekvechtend om de erfenis waarop ze beiden recht menen te hebben. Christine wordt behandeld als slaafje, Heed bezit het geld en zij neemt een meisje in dienst, Junior, om tegen haar rivale te intrigeren. Deze Junior komt uit een heropvoedingsgesticht en ook zij draagt een verleden mee dat ons niet onthouden wordt. Prachtig zijn de momenten waarin deze Junior, dwalend door het huis en door het oude maar niet echt vervallen hotel, als het ware in contact komt met ‘de oude man’, Cosey – hoe zij hem zich voorstelt. Mysterieus, maar Morrison blijft het heel koel benaderen, geen magie. Veeleer poëzie, wat de figuur van de ruige Junior, in voor wilde seks, een extra mooie dimensie geeft. Het verhaal sluit verbijsterend af.
Zoals vaak heeft Morrison het in dit boek over de zelfkant van het leven. De mensen die trachten te overleven… En ook raciale problemen komen aan bod, al is het minder nadrukkelijk, niet bepaald pamflettair; zij dienen hier vooral om de teleurgang van de streek te onderlijnen. En uiteraard, met de tekening van dergelijke vrouwelijke karakters, is de thematiek van het feminisme niet veraf. Maar ook hier, geen pamflet, geen theorie, alles via mensen van vlees en bloed; en de lezer oordele zelf… Het boek is ongemeen spannend van opbouw, de intrige toont met mondjesmaat de relaties en hoe deze zich konden ontwikkelen, de karakters, de mensen zijn sterk getekend en genuanceerd. Tegen een warme, hete achtergrond van het zwarte zuiden van de US. Sterk.
A MERCY
In wezen zijn alle werken van Morrison historisch vermits ze een blik werpen op de evolutie van de relatie tussen de zwarte en de blanke populatie in de US. Maar met ‘Een daad van barmhartigheid’ (‘A Mercy’; 2008) schreef zij pas echt een geschiedkundig boek, het speelt namelijk in de tweede helft van de 17de eeuw.
Het is zo dat Morrison in ieder boek met scènes werkt, flashforwards, flashbackwards, zijsprongen… er bestaat geen rechtlijnig verhaal. Ik schroom dus telkens om die inhoud dan toch chronologisch om te zetten: het doet haar onrecht; maar het zou anders wel al te verwarrend zijn. Dus… Jacob Vaark heeft een kleine boerderij in Virginia die hij uitbaat samen met Lina, een Indiaans meisje van 14 dat hij onder zijn hoede nam. Deze zag als zesjarige hoe haar dorp werd platgebrand omdat de pest heerste, vrijwel iedereen dood was; zij werd meegenomen naar een zendelingenschool. Nu kan zij als dienstbode werken. Jacob ontmoet een timmerman – in diens gezin werd enkele maanden voordien een meisje opgevangen dat ze Sorrow noemden (omdat zij zoveel last berokkende). Deze was, leren we later, de dochter van een kapitein; het schip waarop zij haar leven tot dan doorbracht (16 jaren) werd gekaapt, iedereen vermoord, zijzelf als bij wonder gespaard en ‘aangespoeld’. Of Jacob haar niet kan gebruiken? Medelijden drijft hem en hij neemt haar mee. Wanneer blijkt dat zij zwanger is (van de zoon van de timmerman) helpt Lina haar zich van de baby te ontdoen (zij laat hem wegdrijven op de rivier – het bijbels element). Sorrow heeft een fictieve ‘Tweelingzus’ aan wie zij haar noden toevertrouwt… ontroerende momenten. Jacob wil huwen en plaatst, gebruikelijk, een advertentie in een Britse krant. Even later is Rebekka onderweg, in het ruim van een schip.
Opgesloten met vijf andere vrouwen uit veiligheid voor de mannen aan boord; de andere vrouwen zijn trouwens dieveggen, prostituées, allen gedwongen naar de US verscheept. Het is een hallucinante reis zoals we die beschreven zien wanneer Rebekka haar later doodziek herbeleeft in haar koortsdroom. Het gaat niet goed met de boerderij, Jacob is niet echt een landbouwer en hij begint zich toe te leggen op de handel. Terwijl hij twee mannen, semi-slaven want in feite Europeanen met schulden/straffen, in dienst neemt voor zijn bedrijf: Willard en Scully. Zelf moet hij naar een Portugees handelaar die hem geld schuldig is. We leren Jacob, zelf als wees opgevoed in een armenhuis, kennen als edelmoedig, eerlijk, zachtaardig voor mens en dier: hij bevrijdt twee wasberen uit de klem, hij is woedend wanneer hij ziet hoe een paard geranseld wordt, en hij is tegen mensenhandel… De handelaar kan hem niet betalen, biedt hem ter compensatie een keuze uit zijn slaven aan. Als uitdaging aanvaardt Jacob een vrouw met baby van wie hij weet dat de handelaar nu net deze vrouw niet kwijt wil; tot hun verrassing smeekt de vrouw zelf tot Jacob om haar oudere dochter Florens mee te nemen! Zij doet dit zo dwingend, wanhopig, dat Jacob zich laat overhalen: hij aanvaardt. En Florens, 16 jaar, wordt de spilfiguur van de roman.
Bij de Angolees heeft Jacob diens luxueuze woonhuis gezien en dat is nu zijn droom geworden; hij heeft inmiddels dankzij de handel in rum voldoende verdiend om zich dit te veroorloven. Ondertussen worden we ook geconfronteerd met de kleinzieligheid van de religieuze gemeenschappen: het echtpaar verloor eerst drie kinderen bij hun geboorte en later een dochtertje door een ongeluk – geen der kinderen kreeg een christelijke begrafenis omdat de ouders niet aan de normen van de gemeenschap beantwoordden, hoewel Rebekka wel katholiek was. Dat daardoor spanningen groeiden tussen het dorp en de boerderij is evident. Jacob start de bouw van zijn huis, geholpen door aangeworven arbeiders en vooral door een smid uit een veraf gelegen dorp die voor het kunststuk zorgt: smeedijzer op de poort. Met deze smid krijgt Florens een relatie, voor de duur van zijn werk… Het huis is voltooid; helaas Jacob zal het niet betrekken: de pest breekt uit en hij is het eerste slachtoffer. De vrouwen dragen hem nog tot in de voorkamer van zijn nieuwe woonst waar hij meteen overlijdt. Ook Rebekka wordt ziek. Zij stuurt Florens naar de smid in de hoop dat deze haar kan genezen; tijdens zijn verblijf had hij Sorrow van een kwaal afgeholpen en bleek hij op de hoogte van heel wat middeltjes. Het wordt een bizarre verre tocht voor Florens, een tocht met veel ervaringen – zij ontmoet wat blijkbaar vogelvrijverklaarden zijn, ook Indianen, brengt eenzaam de nacht in het woud door, vindt onderdak bij een weduwe met een zieke dochter en wordt daar door enkele mannen van het dorp bijna gelyncht; alleen een brief van Rebekka die zij als vrijgeleide meekreeg stelt de executie uit en de dochter helpt haar ontsnappen… Zij arriveert bij de smid, ziet dat hij een jongetje onder zijn hoede heeft genomen. Hij, vernemend dat Rebekka hem nodig heeft, vertrekt dadelijk terwijl zij op de jongen moet passen. Op het ogenblik dat hij terugkomt heeft zij net ruzie met de jongen, slaat hem. De smid pikt dit niet, verstoot haar, noemt haar een ordinaire ‘slavin’. Florens neemt een hamer en … met welk gevolg? Zij keert naar huis terug en arriveert daar ‘onder bloedspatten’. Om te vernemen dat Rebekka genezen is; de smid kwam er, bekeek Rebekka en stelde vast dat zij in feite reeds genezen was en alleen moest rusten.
Kan het leven op de boerderij verder gaan? Rebekka verbiedt dat iemand het nieuwe huis zou betreden. Er verlopen zes dagen en binnen die tijd is het verval reeds merkbaar. Sorrow bevalt (zwanger door de smid?), heeft nog enkel oog voor de baby en herdoopt zichzelf tot Complete – weg van de verfoeide naam Sorrow. De vrouwen drijven uit elkaar. Gelukkig zijn er Willard en Scully, zij helpen de boerderij er bovenop, niet belangeloos – ze worden betaald en hopen op een toekomst voor henzelf. En het nieuwe huis… is het waar dat ’s nachts de geest van Jacob Vaark er rondwaart? Of doolt Florens er soms rond, het verbod negerend? “Als ik in het begin naar deze kamer kom, weet ik zeker dat mijn vertellen mij de tranen zal brengen die er nooit zijn. Ik vergis me. Met droge ogen hou ik pas op met vertellen als de lamp opbrandt. Dan ga ik tussen mijn woorden slapen. Het vertellen gaat door zonder dromen en als ik wakker wordt duurt het even voor ik me losmaak.” “Eén verdriet zal blijven. Dat ik niet weet wat mijn moeder tegen me zegt. En zij kan niet weten wat ik tegen haar wil zeggen. A minha mae!” Maar het laatste hoofdstuk laat de moeder, minha mae, aan het woord om te verklaren waarom zij Florens zo graag aan Jacob wou geven: zij wist hoeveel veiliger haar dochter zij bij hem zou zijn, zij had in zijn ogen de goedheid gelezen…
Een boek over wat Morrison steeds intrigeert, de onderdrukking, hier niet alleen van de zwarten en de vrouwen maar ook van de Indianen. Religieuze (en andere) bekrompenheid. Geweld. Zij heeft het over tradities, mythen, rituelen, magie, medicijnen… ook dat is boeiend. Er wordt aandacht besteed aan het heersend bijgeloof, de invloed van de natuur op alles, op mens en dier. Het zijn de klassieke thema’s maar in een werkelijk historische roman – en er blijkt weinig veranderd; is dat de conclusie… En wat een sterke tekening van de vrouwenfiguren. Ook daarin toont Morrison haar meesterschap. En stilistisch uiteraard, de opbouw van de roman én het verhaal zelf houden de aandacht iedere seconde vast. En op deze wijze ‘verkoopt’ zij haar thematiek.
HOME
Net als in ‘Beloved’ hanteerde Morrison in ‘Home’ (vert. ‘Thuis’, 2012) flashbacks. Zo o.m. wanneer zij de hoofdpersoon Frank Money laat terugblikken op zijn vreselijke ervaringen in de oorlog in Korea. En hoe het gezin Money ooit met de nog heel jonge Frank gedwongen verhuisde naar het onooglijke stadje Lotus in Georgia, waarbij zijn zusje Cee langs de straatkant geboren werd en ze moesten intrekken bij de grootouders Salem en Lenore. Ook het verhaal van deze laatste – een hardvochtige vrouw die gedurende de enkele jaren dat haar kinderen Luther en Ida met de twee kleinkinderen bij hen inwonen – de kleintjes mishandelt, hen geen eten geeft, wordt in een terugblik verhaalt. De roman start in feite op het ogenblik dat Frank uit de oorlog terugkeert, eervol ontslag, medaille op de borst – maar: in het leger was blank en zwart gelijkwaardig. Niet zo in de gewone wereld, hij loopt verwezen rond, belandt even in de ziekenboeg van de gevangenis in Fort Lawton. Het is duidelijk dat hij een shellshock heeft, hij verliest soms alle kleuren (ziet alles grijs worden), schrikt van geluiden en bewegingen, wordt agressief. Het bericht bereikt hem dat zijn geliefde zus Cee met wie hij een zeer sterke band heeft (hun ouders zijn inmiddels gestorven) ernstig ziek is en hij wil zo vlug mogelijk naar huis. Moeilijkheden, financiële en andere, geholpen door mensen die hij op zijn weg via Portland en Chicago ontmoet, zo gaat hij op weg. En af en toe wordt hij geconfronteerd met racisme hoewel dat officieel niet meer bestaat – zo beleeft hij een pijnlijke scène op een stationsperron, of door het feit dat hijzelf spontaan op de achterbank van de bus plaatsneemt om moeilijkheden te vermijden en steevast de achteraf pensions en restaurants opzoekt, meer geschikt voor zwarten… de realiteit is weinig veranderd ondanks de wetgeving. Tenslotte verblijft hij enkele maanden bij een jonge vrouw Lily maar zet dan toch zijn tocht naar Cee, naar Atlanta waar zij inmiddels woont, verder. Cee was gaan werken bij een dokter. Deze had haar gebruikt voor een medisch experiment; als gevolg hiervan is zij stervend. Frank ontvoert haar uit het huis van de dokter en brengt haar naar hun eigen stadje Lotus waar zij door de vrouwen genezen en gered wordt. Tenslotte trekken broer en zus terug in in het ouderlijk huis. Het leven in het kleine stadje herneemt zijn dagelijkse gang. Frank blijkt eveneens hersteld. Het wordt niet letterlijk gezegd maar blijkt uit zijn belangstelling voor het kleurrijke deken uit patchwork dat Cee maakt. En hoe de roman besluit… samen met Cee begraaft hij in dit deken het geraamte van een man die ooit door zijn zoon in een gedwongen tweegevecht (tot één van beide dood was) gedood werd (omdat de blanken de hondengevechten te saai vonden). Kleur – het thema vonden we ook al in de roman ‘Beloved’, hoezeer Baby Suggs hunkerde naar twee gele vlekken op een grijze deken b.v., en andere kleurelementen. Morrison is, hoewel dit niet haar belangrijkste roman is, toch weer sterk in het suggereren van alles wat discriminatie, haat, afgunst, woede, maar ook liefde en medemenselijkheid betreft. Nooit al te expliciet, het verhaal en de personages spreken. Bovendien weet zij te beschrijven. Hoe zo’n stadje van honderd inwoners als Lotus er uitziet: “…daar was geen toekomst, slechts een eindeloos doden van de tijd. Daar viel niets anders te doen dan ademen, daar viel niets te winnen, en, afgezien van het rustige heengaan van een ander was er niets wat je moest zien te overleven en niets wat de moeite van het overleven waard was. In Lotus wist niemand iets en wilde niemand iets leren.” Zo analyseert Frank het stadje, en op het eind zal hij zeggen dat ze er “de tijdloze tijd doden”… wat een echte Morrison-formulering. Net als deze woorden van haar hoofdpersonage tot de lezer gericht: “Volgens mij snap je niets van de liefde. Noch van mij.”
Morrison was ‘Home’ aan het schrijven toen haar zoon Slade overleed aan een pancreastumor in 2010. Zij besloot eerst niet meer te schrijven maar voltooide dit werk en droeg het aan hem op.
GOD HELP THE CHILD
Lula-Ann Bridewell, die zich Bride zal laten noemen, is de hoofdpersoon in ‘God sta het kind bij’ (‘God Help the Child’; 2015). Zij is geboren uit een blanke vader die dadelijk uit beeld verdween, en een moeder geboren uit een blanke vader en een zwarte moeder maar zelf blank. Lula-Ann/Bride is zwart, erg zwart, pikzwart, duivels zwart in de ogen van haar moeder Sweetness die zich schaamt en de baby niet durft te tonen aan de buren, die er nauwelijks de straat mee op durft; en die als zij het kind later naar school brengt, het nooit een hand zal geven. Dat dit traumatiserend werkt, het kind voelt hoezeer haar moeder een afkeer heeft van haar zwarte huid… En zal er alles voor over hebben om haar liefde en vooral waardering te winnen. Dat gebeurt ook als zij acht jaar is. Het meisje, in een overwegend blanke school, wordt daar ook voortdurend gepest. De lezer kan in de loop van het verhaal wel vermoeden wat er precies gebeurde bij de kentering al onthult Morrison het expliciet pas in de laatste bladzijden.
We ontmoeten Bride in feite op het ogenblik dat zij een succesvolle zakenvrouw is, manager van een cosmeticabedrijf. Na talrijke baantjes ontmoette zij een stilist die haar op weg zette: haar donkere huidskleur gebruiken in combinatie met kleding, accessoires… en dit werkte in de zakenwereld, zij werd opgemerkt. Haar carrière bloeide. Maar nu heeft haar vriend, Booker Starbern, haar bruusk verlaten en zij raakt in een depressie. Haar rest gelukkig nog een vriendin, Brooklyn. Bride verneemt dat een vrouw, Sofia Huxley, na vijftien jaren gevangenis wegens kindermisbruik, vrij komt en wacht haar op. Om haar tenslotte in haar hotelkamer te gaan bezoeken met de bedoeling haar geld te geven als start voor een nieuw leven. Ooit had zij, Bride, als achtjarige, deze Sofia aangewezen als schuldig aan misbruik. Het eindigt ermee dat de vrouw haar in elkaar slaat en het geld weigert. Bride belandt een poos in het ziekenhuis maar vooral mentaal, wegens het gebeurde met Sofia, de breuk met Booker (zij streelt zich over het ganse lichaam met zijn achtergebleven scheerkwast!), de herinneringen uit haar jeugd (zij heeft geen contact meer met haar moeder die zij de afschuw van haar huidskleur verwijt) gaat het slecht met haar. En Morrison zou Morrison niet zijn: dit innerlijk wordt ook op magische wijze veruitwendigd: de gaatjes in haar oren (gekregen na de rechtszaak als soort ‘beloning’ voor haar kranig getuigenis) zijn dichtgegroeid, zij vermagert drastisch, menstruatie blijft uit, haar borsten verdwijnen volledig net als haar oksel- en schaamhaar… een totale regressie dus. Een toeval (briefje voor het herstellen van een trompet) brengt haar op het spoor van Booker. Zij gaat op zoek…
Booker Starbern: oorspronkelijk een mysterieuze figuur, niet alleen voor de lezer, ook voor Bride die hem zes maanden als vriend had. Hij leefde bij haar maar in feite wist zij niets van hem. Hij werkte niet, hing wat rond (dacht zij). Met mondjesmaat – typisch Morrison – wordt ons de geschiedenis van Booker onthuld. Hij blijkt een intelligente man te zijn, ook bekwaam trompettist. Getekend door de moord op zijn broer in zijn jeugd. Het is dit overlijden, deze broer dat hij niet kan loslaten, nooit kon verwerken. Waarbij hij zich vastklampt aan een tante, Queen Ollivee, die hem de raad gaf in deze te wachten: zijn broer zou zelf wel aangeven wanneer het tijd was om hem te laten gaan – maar inmiddels verstreken de jaren; en zijn obsessie, want dat werd het, groeide uit tot een conflict met zijn familie.
Bride zoekt en vindt Booker: hij had zijn toevlucht gezocht bij zijn tante Queen Olivee. Deze laat haar enkele teksten van Booker lezen, geschreven over Bride. Zij beseft dat hij van haar houdt. Zij zoekt hem op in zijn huis even voorbij de caravan waarin zijn tante woont. Hij verwijt haar het bezoek aan de kinderlokster Sofia terwijl zijn broer verkracht en vermoord werd door zo’n misdadiger. Zij bekent hem (en ons de lezers) dat haar getuigenis in de rechtszaal vals was en louter diende om haar moeder voor zich te winnen, om zich als achtjarige zwarte een status te verwerven, liefde… De twee verzoenen zich. Helaas sterft Queen Olivee na een brand in haar caravan. Booker zal haar as in de rivier verspreiden en zijn trompet, meegebracht door Bride, haar achterna gooien. Op het einde blijkt Bride alle lichamelijke kentekenen van volwassenheid te hebben terug gewonnen, en zwanger te zijn.
In het laatste hoofdstuk komt de moeder, Sweetness, aan het woord om haar houding tegenover Bride/Lula-Ann te verklaren: haar dochter sterken voor die duivelse wereld waar haar kleur niet zal aanvaard worden. Zij weet inmiddels dat Bride zwanger is, en haar woorden – haar ‘heilwens’ – zijn: “Veel succes en God sta het kind bij”, vrij bitter…
Morrison behandelt in haar boeken steeds de problematiek van de zwarten versus de blanken, de geschiedenis, de trauma’s, de conflicten. Zij doet dit aan de hand van gemeenschappen en individuen, en zij belicht het nooit eenzijdig. In dit boek evenwel gaat het over slechts één persoon en is het ganse gebeuren herleid tot wat Bride beleeft. Hoe zij, als zwarte, de wereld van de blanken moet trotseren. Zelfs de enge wereld van haar moeder van wie zij alleen waardering weet te krijgen na die vreselijke leugen in de rechtszaal. Een wereld waarin zij, op school gepest, op straat beschimpt wordt. Een wereld waarin zij moet knokken voor een carrière die zij pas verovert dankzij de glamour van een stilist. En dan nog, want in de loop van het verhaal zal zij – ondanks het modieuze en haar luxeauto – als zij, gestrand in een dorp en daar met een klein blank meisje op wandel is, door jongens beschoten worden met een hagelgeweer; ook dan blijft zij als zwarte kwetsbaar. In die zin is deze roman thematisch een goede verderzetting van wat Morrison met haar Danteske trilogie beoogde: de geschiedenis van de zwarten in de US. Inmiddels kunnen zij zich als individuen profileren… maar ten koste van…

Johan de Belie

2 gedachtes over “Toni Morrison (1931-2019)

    1. Bedankt, Henk, voor de mooie woorden. Er was geen specifieke aanleiding om deze tekst te publiceren. Mijn goede vriend en trouwe medewerker aan mijn blog, Johan de Belie, had een boek van haar gelezen en was zwaar onder de indruk. Dat wilde hij even kwijt en ik heb met plezier hem daartoe een platform gegeven.

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.