Giorgio Bassani werd geboren te Bologna op 04 maart 1916 maar bracht zijn jeugd door, tot 1943, te Ferrara, een stadje in Noord-Italië, waar het gezin inwoonde bij de grootouders van vaders zijde; deze betrokken een grote woning in het joodse getto. Zijn vader, een gynaecoloog, was hoofd van de Italiaans-joodse gemeenschap van Ferrara; zijn moeder was de dochter van de hoofdgeneesheer van het Sant’Anna-ziekenhuis van de stad. De familie bewoog zich dus binnen de hogere standen. Bassani studeerde letteren aan de universiteit van Bologna en later ook kunstgeschiedenis. In 1936 publiceerde hij enkele novellen en kritieken maar toen in 1940 een roman het licht zag gebeurde dat onder het pseudoniem Giacomo Marchi om te ontsnappen aan de heersende rassenwetgeving… In 1943 zou hij enkele maanden als antifascist in de gevangenis belanden. Eenmaal vrij verhuist hij naar Rome waar hij zijn verdere leven, gehuwd, zal wonen, kinderen opvoeden, lesgeven en vooral schrijven, artikels, poëzie, verhalen, romans… Op 13 april 2000, na een strijd tegen alzheimer, overlijdt hij te Rome. Maar zal begraven worden op het joods kerkhof van zijn geliefde Ferrara.

Ferrara… alles in het werk van Bassani ademt de sfeer van dit stadje en zijn bewoners. Bassani is Ferrara. Het was onontkoombaar dat zijn zes belangrijkste werken zouden ondergebracht worden onder één titel ‘Il Romanza di Ferrara’ (1974). Gelukkig bestaat er een zeer goede Franse vertaling ‘Le Roman de Ferrare’ (Gallimard), voorzien van een zeer uitgebreide commentaar over de periode, de stad en de auteur, met een introductie van Pasolini, en talloze foto’s. Maar ook in het Nederlands is ‘Het verhaal van Ferrara’ beschikbaar (Meulenhoff, 1998), goed vertaald door Tineke van Dijk en Joke Traats. En er is natuurlijk ook de film van Vittorio de Sica ‘Il Giardino dei Finzi-Contini’ (1970) met Dominique Sanda en Fabio Testi. Daarnaast leverde Bassani nog het scenario of verhaal voor zo’n vijftien andere films,. o.m. van ‘I vinti’ van Antonioni die in Ferrara geboren is. Maar nu, het verhaal van Ferrara… dat begint met ‘Dentro le Mura’ (‘Binnen de muren’; 1956), een bundeling van vijf novellen.
In ieder van deze verhalen plaatst Bassani een persoon centraal. Met ‘Lida Mantovani’ schetst hij een vrouw die een leven ondergaat van troosteloosheid, totale vergeefsheid. Bedrogen in haar jeugd, uit het moeras van de eenzaamheid gehaald door een veel oudere buurman, blijft de diepe wanhoop toch voortdurend op de loer liggen. In ‘De wandeling voor het eten’ is er de confrontatie, zoals vaker, de discrepantie tussen arm en rijk in het stadje, die evenwel niet belet dat het lot beschikt: de Jodenvervolging zal niemand sparen. Een weerkerend thema. Dat zeer schrijnend uitgewerkt is in het volgende verhaal, ‘Een gedenkplaat in de via Mazzini’: een teruggekeerde uit de concentratiekampen (de enige van de weggevoerden uit Ferrara die het overleefde) vindt geen wortels meer in het stadje, en na eerst als held te zijn onthaald blijkt dat de gemeenschap hem niet kan of wil begrijpen – de afstand is te groot; hij vindt geen emotionele beschutting voor de geleden pijn en herinneringen. In de laatste verhalen ‘De laatste jaren van Clelia Trotti’ en ‘Een nacht in ’43’ gaat de auteur vooral de politieke zijde belichten, enerzijds via een oude dame, socialistisch voorvechtster – intriges, bedreigingen, gekonkel… In het tweede verhaal de gruwelijke beelden van een executie van elf personen in het stadje door de fascisten. De auteur maakt dit – mét de nodige politieke duiding – extra sterk door het gebeuren een ooggetuige te schenken: de verlamde apotheker die jaren later zal moeten getuigen op het proces tegen de fascisten… maar in hoeverre is zijn geest aangetast door de feiten waarvan hij getuige was? Schitterende portretten zijn het, psychologisch sterk genuanceerd. Maar ieder evoluerend binnen een sociale en politieke context, binnen het gebeuren van fascisme, van opkomende Jodenvervolging.
Politiek en jood zijn, het speelt minder in het tweede boek: ‘Gli occhiali d’oro’ (‘De gouden bril’; 1958) dat in 1987 verfilmd werd door Giuliano Montaldo met Philippe Noiret in de hoofdrol van dokter Fadigati. Deze geneesheer ‘met zijn gouden bril’ is zeer geliefd bij zowel de arme bevolking van Ferrara als bij de high society. Ondanks het feit dat hij een eenzaat is met enigszins afwijkend, bizar gedragspatroon. Zelfs wanneer na jaren langzaam doorsijpelt dat hij homoseksueel is, wordt dit welwillend getolereerd… zolang men het stilzwijgend kan negeren. Alleen enkele studenten met wie hij vriendschap tracht te sluiten, maken toespelingen, en één onder hen is bepaald kwetsend. Het is deze die tenslotte tot zijn ondergang zal leiden: hij zorgt er voor dat Fadigati op hem verliefd wordt. De dokter belijdt zijn geaardheid nu openlijk zodat de ganse gemeenschap zich, hypocriet als zij is, zich van hem afkeert. Terwijl de jonge student hem, na hem beroofd te hebben, verlaat. Zijn carrière en leven zijn ten gronde gericht. Deze roman schetst heel knap hoe een ganse groep zich opstelt tegenover een individu: de schijnheiligheid binnen een gesloten, beperkte gemeenschap als deze van het stadje. Bassani hanteert hiertoe enkele families die hij tegen elkaar uitspeelt. Met de verteller als welwillend getuige, diens vader als ietwat aarzelend tussenpersoon, en de opponenten die hun afschuw zelden uitspreken (daarvoor zijn ze te fatsoenlijk!) maar in daden laten blijken: ze zullen de dokter negeren en aan zijn lot overlaten. Met fatale afloop. Ook dit is Ferrara…
Corso Ercole 1 d’Este, Ferrara. Dat is het adres. Van de woning, zeg maar paleis gelegen in de tuin van de familie Finzi-Contini. Een tuin van 10 hectaren, met 6 kilometer wandelpaden. Meteen bevinden we ons in de sleutelroman ‘Il giardino dei Finzi-Contini’ (1962; De tuin van de familie Finzi-Contini). Bewoond door professor Ernesto, zijn echtgenote Olga, hun kinderen Alberto en Mical en de oude moeder Regina, een aristocratische joodse familie, grootgrondbezitters, met een rits bedienden. Fantastische wandelingen maken we in deze lusthof, samen met de verteller en de dochter des huizes Mical die alle honderden verschillende bomen, aangevoerd uit de ganse wereld, kent. Een fascinerende dwaaltocht langs lanen, kleine kronkelige paadjes, door bos en kreupelhout, bloemen, priëlen. Op dat ogenblik schrijven we reeds 1938: in september werden de eerste rassenwetten van kracht en alle niet-Ariërs dienden geweerd uit het verenigingsleven. Zo ook te Ferrara waar tot voordien de joodse bevolking zonder onderscheid samenleefde met de ganse gemeenschap en zelfs een prominente plaats innam. Dit is dan ook de aanleiding tot het openstellen van hun tennisbaan/tuin door de familie F-C nadat de jeugd uitgesloten werd uit de tennisclub. Maar in feite begon de roman in 1929. En met welke vondst! Bassani startte met een beschrijving van het protserig grafmonument van de F-C-familie, een unieke introductie en de mogelijkheid om kennis te maken met het geslacht. Daarna leren we Ferrara kennen. Zijn bewoners. De straten, de pleinen, de gevels. Maar veel meer, het zonlicht bij dageraad, de kwijnende zonnestralen, de seizoenen die zich over de daken van het stadje laten verglijden, de geluiden van de klokken, de venters, gejoel van kinderen, schrille vrouwenstemmen, politieke commentaren in de bars, nachtelijke stilte. We springen mee op de tram, zien het rijtuig van de F-C halt houden voor de schoolpoort waar de kinderen examen afleggen. We dromen weg starend over de Po. Met de verteller fiets ik over de Via Cavour, de Corso della Giovecca, zo langs de Via Montebello tot het Cimitero Israelita. Terwijl de zon genadeloos brandt… Ach dat Ferrara van Bassani! Waar zich in deze roman ook de liefdesgeschiedenis ontwikkelt tussen de student-verteller en Mical, die eindigt voor ze echt begint maar toch ontroerend-mooie bladzijden oplevert. Helaas, de geschiedenis kan geen halt toegeroepen worden. Zelfs de tennisbijeenkomsten in de tuin worden verboden. Maar de ik-persoon komt wel dagelijks ten huize F-C zodat we nu kennismaken met het innerlijk van het paleis. Op Pesach 1939 voorziet hij, wegdromend, de rampzalige toekomst van familie en vrienden: de kampen, de Entlosung. Zo zal helaas ook gebeuren; in het nawoord lezen we dat het gezin Finzi-Contini in september 1943 naar Duitsland werd afgevoerd om er een smartelijk einde te vinden.
Het is bijzonder boeiend te zien hoe de zes hier ondergebrachte werken zich tot een geheel vlechten. Vaak ontmoeten we personen die in het ene werk prominent aan bod kwamen, als nevenfiguur in een ander. Zo bvb. doken dokter Fadigati en Clelia Trotti ook op in ‘Finzi-Contini’. Maar vooral: Bassani slaagt er in via discussies tussen zijn personages en via de lokale gebeurtenissen, vervlochten met commentaren op het wereldgebeuren (niet door de auteur rechtstreeks maar bij monde van zijn ‘acteurs’) een inzicht te bieden in de politiek, de opkomst van het fascisme, de Jodenvervolging… Hoe bizar immers: in ‘De gouden bril’ laat hij iemand zeggen: “Om te beseffen dat een strikte scheiding tussen het joodse ‘element’ en het ‘zogenaamd Arische’ in ons land praktisch niet te verwezenlijken was hoefde je maar aan Ferrara te denken, een stad met een ‘sociaal profiel’ dat het gemiddelde aardig benaderde. De Ferrarese ‘Israëlieten’ behoorden allemaal – of bijna allemaal – tot de welgestelde burgerij, waarvan ze in zekere zin zelfs de kern, de ruggengraat vormden.” En kijk… even later waren er de rassenwetten van Mussolini en de gevolgen, ook in Ferrara, zoals overal, voor buren en vrienden…
Niets daarvan, of toch slechts heel secundair aangestipt, in ‘Dietro la porta’ (1994; ‘Achter de deur’). Hier verhaalt de ik-persoon in wie we steeds weer, ongeacht de leeftijd waarin hij als verteller optreedt, Bassani zelf herkennen, over de moeilijkste periode van zijn jeugd: oktober 1929 tot juni 1930. Het eerste jaar lyceum, na de lagere school en vijf jaren gymnasium. “Verpieteren achter de deur van het lyceum…” heet het. De ik-persoon woont met zijn ouders, vader nog zelden practizerend geneesheer en hoofd van de joodse gemeenschap, broer Ernesto, zusje Fanny, drie dienstboden, in het grote huis op de eerste verdieping: twintig kamers staan daar ter beschikking. In die sfeer groeit hij op. Neemt afscheid van zijn jeugdvriend die elders gaat studeren. Concurreert ongewild met een andere om de beste cijfers. Sluit een kameraadschap die niet bepaald bevredigend is. Om steeds meer tot de conclusie te komen dat hem niets rest tenzij eenzaamheid, wantrouwen. Dat hij omringd is door hypocrisie, leugens, gekonkel. En dat dit de voorafschildering is van de volwassen maatschappij. Zodat hij, jong als hij is, bitter moet besluiten: “Geen denken aan dat ik, vanaf mijn geboorte gedoemd tot afzondering en afgunst, de deur waarachter ik me nu ook weer verborgen hield zou opengooien. Ik zou het niet kunnen, helaas. Nooit van mijn leven.” Een wel heel bitter besluit van het groeiproces dat hij heeft doorgemaakt. Terwijl dit alles geschiedde, uiteraard, tegen de achtergrond van Ferrara waar hij wandelt, fietst, voetbalt, schoolkameraden bezoekt, interieurs beschrijft, mensen ontmoet; zich van de sfeer bewust wordt, het kleinsteedse, het soms groteske – terwijl er desondanks veel is om van te houden, achter de eigen gesloten deur…
‘L’airone’ (1968; De reiger) straalt dan opnieuw politiek uit. Het zijn de communisten die de plak zwaaien en dat zal de hoofdpersoon, de joodse advocaat Edgardo Limentani geweten hebben. Zijn bezitting La Montina, een agrarisch bedrijf, dreigt hem door de vingers te glippen: de arbeiders komen steeds vaker in opstand. Maar dit is, in 1947, slechts een nevenaspect. Evenals het feit dat zijn neef het joodse geloof ruilde voor het katholicisme met het oog op een huwelijk. Of de confrontatie met een vroegere fascist die nu een riant hotel uitbaat. Nee advocaat Edgardo blijft de spil. Hij start en eindigt in Ferrara maar het verhaal speelt in het ommeland, een klein stadje nabij en vooral in de lagune van de Po waar hij jaagt op watervogels samen met een bediende. Ontredderd als hij voortdurend is slaagt hij er niet in één schot te lossen in tegenstelling tot de bediende die zo’n veertig vogels neerhaalt, inclusief – tot ontsteltenis van de advocaat – een reiger van wie hij de doodsstrijd van nabij moet meemaken. De dag vordert, naar huis terugkeren… hij wordt steeds moedelozer, de gebeurtenissen van de dag, van zijn ganse leven drukken zwaarder en zwaarder, uitzichtlozer. De reiger… “hij moet zich ongeveer hebben gevoeld zoals hij nu: van alle kanten ingesloten, zonder enige kans om uit te breken. Maar met dit verschil, in zijn nadeel: dat hij leefde, zonder meer, dat hij geen druppel bloed had verloren.” De reiger had dus het voordeel te kunnen sterven… In het stadje verwijlt hij bij de etalage van een preparateur, staart naar al die opgezette dieren, ze zien er echter en levender uit dan ooit – en tussen hen ontwaart hij zijn spiegelbeeld. Die dieren, ze zijn niet meer bedreigd door ellende of verval. Terwijl hij… zijn leven. Slaagt hij er nog in te houden van zijn echtgenote Nives en dochtertje Rory? Vanuit de dood zou hij hen pas echt liefhebben overweegt hij, depressief als hij is, ontgoocheld over alles. Hij rijdt naar huis. Neemt ’s nachts naar gewoonte nog afscheid van zijn dementerende moeder, en… het einde.
Tenslotte is er ‘L’odore del fieno’ (1972; ‘De geur van hooi’) dat een aantal korte semi-autobiografische schetsen bevat. Het start met twee sprookjes, het ene bitter en toch liefdevol-ontroerend; het tweede vooral mysterieus beklemmend. Een verhaal over Bruno Lattes toont hoe een wederzijdse verliefdheid tussen een joodse jongen en een katholiek meisje strandt op de uitgevaardigde rassenwetten, hoewel dit taboe nooit uitgesproken wordt; het is voldoende dat het als een dreigende schaduw boven de relatie hangt. In de tekst ‘Ravenna’ haalt Bassani vooral herinneringen op aan meerdere gelegenheden wanneer hij in deze stad, niet zo ver van Ferrara, kwam – meestal met ouders, broer en zus. En dit hoofdzakelijk, zoals hij vaak doet, aan de hand van ontmoetingen met personen. Hij memoreert ook dat hij er acht dagen verbleef in augustus 1943 ter gelegenheid van zijn huwelijksreis; inderdaad op 4 augustus was hij te Bologna gehuwd met Valeria Sinigallia. Het echtpaar zal twee kinderen krijgen, Paola en Enrico. ‘Les neiges d’antan’: hij schildert hier enkele figuren uit zijn jeugd en hoe hij hen, even terugkerend uit Rome, tientallen jaren later weervindt in Ferrara; tot wat of wie ze geworden/verworden zijn – de troosteloze zieligheid van het verval en niet ingeloste beloften. In ‘Drie apologieën’ keert hij, reeds jarenlang sedert zijn huwelijk in Rome wonend, na een bezoek met zijn echtgenote aan Ferrara naar huis terug. Zint het hem zijn geliefde stad geruild te hebben voor de metropool? “Hoe kan iemand die geboren is in een middelgrote stad in de Povlakte zonder angst in Rome terugkeren? Hoe kunnen mensen zoals wij in godsnaam midden in de nacht weer die monsterlijke Tiberbrug oprijden, die met die lantaarns en die vreselijke adelaars, de brug naar de immense, vormeloze bijenkorf van cement waarin we onze kinderen geboren hebben laten worden?” De tweede apologie herinnert hem aan politieke hongerdagen in Napels, de derde is een bitter, cynisch verhaal opgehangen aan een foto – indringend triest. Met ‘Daar, aan het eind van de gang’ verduidelijkt Bassani één en ander over zijn schrijven. “Het is waar dat al mijn gedichten, al mijn korte en langere verhalen, al mijn romans en essays en zelfs al mijn gelegenheidsstukjes min of meer zijn ontstaan: moeizaam, en grotendeels door toeval.” En Ferrara? Eerst een decor maar al vlug merkte hij dat dit niet werkte: en dus “Ferrara stond nu ook op de voorgrond, tegenover de hoofdrolspeler, samen met hem voor het voetlicht.” Tot op een bepaald ogenblik: “Ferrara, het door mij bedachte, afgescheiden wereldje, zou me niets wezenlijk nieuws meer kunnen onthullen. Als ik wilde dat het me weer iets zou gaan zeggen moest ik zorgen dat degene die, na het te hebben verlaten, jarenlang bezig was geweest binnen de rode muren van zijn vaderstad het theater van zijn eigen literatuur op te zetten, ikzelf dus, erin werd opgenomen. Wie was ik eigenlijk?” En zodoende duikt – in de straten van Ferrara – na enkele vertellingen waar we hem niet zien, toch over vrijwel het ganse oeuvre de figuur van Giorgio Bassani op, wandelend, fietsend, dromend, schrijvend…
Ferrara… ooit liep ik er zelf, als verdwaalde, verdwaasde toerist. Geïmponeerd toen ik de eerste schreden richtte over het plein en voor het Villa d’Este stond, het indrukwekkend paleis met zijn vier vierkante torens. En daarna het Castello Estanse, het Palazzo de Ludovico il Moro. Maar vooral werd ik getroffen door de sfeer in de achterafstraatjes. De buurt van de joodse bevolking, het getto. De synagogen, Italiaanse, Spaanse, Duitse… Hoe kon ik anders dan zwijgend stilstaan bij de marmeren gedenkplaat met de namen van de 183 gedeporteerden, tegen de gevel van het gebedshuis in de via Mazzini, waar in augustus 1945 de enige levend weergekeerde Geo Josz (zoals verhaald in ‘Een gedenkplaat…’) ook zijn eigen naam ontdekte. Ferrara, ik had toen nog niets van Bassani gelezen maar werd verliefd op het stadje dat met zijn 130.000 inwoners in feite een stad is, maar niet die indruk geeft. Licht, kleur, geluid… langzaam bewegen doorheen straatjes, langs verweerde gevels, tot het joods kerkhof, de omwalling. En misschien naar de Corso Ercole 1 d’Este, speurend naar het verleden, luisterend of in de tuin van de familie Finzi-Contini nog jeugdige stemmen klinken bij het tennisspel – vergeefs natuurlijk, hun geluid werd gesmoord achter prikkeldraad. Ook dat is het verhaal van Ferrara.    

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.