De Poolse auteur Witold Gombrowicz werd op 4 augustus 1904 te Maloscyce geboren en overleed te Vence (Frankrijk) op 24 juli 1969 (foto Bohdan Paczowski via Wikipedia). Het gezin was bemiddeld en hij was in staat te studeren: rechten, filosofie en economie. Hij ging zelfs een jaar naar Parijs om zijn kennis van de taal bij te schaven.

In 1933 publiceerde hij een eerste bundel verhalen. Maar in augustus 1939, net voor de inval van de Duitsers in Polen, week hij uit naar Argentinië waar hij eerst in armoede leefde tot hij tenslotte een betrekking vond als bankbediende. Pas in 1963 – maar inmiddels had hij reeds een literaire carrière opgebouwd – keerde hij naar Europa terug. Hij vestigde zich eerst in Royaumont in de buurt van Parijs, verbleef een jaar in West-Berlijn, om tenslotte in Vence nabij Nice te belanden. 

In het dagboek 1963 – 1964, ‘Dagboek Parijs – Berlijn’ (Uitg. Moussault, Amsterdam, 1972; vert. Paul Beers), het derde deel van de dagboeken, zien we hoe Gombrowicz afscheid neemt van Argentinië. Op 8 april 1963 scheept hij in op de Federico, 24 jaren nadat hij er met de Chobry arriveerde voor een verblijf van twee weken dat gezien de inval der Duitsers in Polen tot een permanente woonst uitgroeide. Zo belandde hij “die arme, kleine wilde, die boer van de Donau (de Weichsel en de Rio de la Plato) verstoord door complexen en manieën” in Buenos Aires. Nu, zoveel jaren later, een gevierd auteur, nodigt de Ford Foundation hem uit voor een verblijf van een jaar in Berlijn. Terug naar Europa? Hij hapt toe. Neemt afscheid. Van vrienden; van zijn lokale roem; van de op dat ogenblik hem achtervolgende geruchten waar hij op alludeert, zijn dubieuze omgang met jongeren vooral van ‘lagere klasse’. Afscheid vooral van de sfeer en de stad waar hij nog vlug enkele adressen bezoekt waar hij ooit woonde, ‘El Palomar’ op Corrientes 1258, en Tacuari 242. Hij overweegt dat hij zijn leven in Zuid-Amerika in drie fasen van acht jaren kan indelen, een eerste van armoede, de tweede als ambtenaar, een laatste genietend van succes en bekendheid als schrijver. Zijn afscheid van Argentinië levert schitterende bladzijden op, het is pregnant. Maar hij is onzeker. “Misschien was ik er in geslaagd mijn verleden te bereiken, als er maar een eind was gekomen aan het worden van het heden!” 
Op 22 april 1963 arriveert hij in Barcelona, via Cannes reist hij naar Parijs. Dat hij net als in zijn jeugd ervaart als een stad van ‘bewuste lelijkheid’. Het ergste, zo oordeelt hij, is dat deze lelijkheid versierd wordt met humor, met “blague” en “esprit”. Zij lijkt op een verwelkte ballerina. De surrogaten van de schoonheid (belles manières, élégances, bon goût…) vervangen de ontluisterende smakeloosheid. Het Louvre, bijvoorbeeld, is een der domste plekken ter wereld! Hij verhaalt over Proust en Sartre – speelt hen tegen elkaar uit, de vorm van de eerste, het genie van de laatste. Over Genet heeft hij het uitgebreid – hij worstelt duidelijk met diens, en onvermijdelijk met zijn eigen, opvattingen over seksualiteit en pederastie. Het resulteert in een ode aan de jeugd, hij wil zien hoe de kunstmatigheid afgebroken wordt. En ach, al die contacten in de lichtstad, ze zijn teleurstellend. Er wordt niet echt gepraat stelt hij vast, er wordt gebabbeld over trivialiteiten. Zo ontmoet hij b.v. Butor, hoopt met hem te kunnen discussiëren over o.m. de nouveau roman… “Als enig antwoord begon de leider van de avant-garde luid te lachen, het was een beleefd maar zich verschansend lachen, volkomen hermetisch, het lachen van een blikje sardines midden in de Sahara… Barmhartige God!” 
Wat een desillusie. Op naar Berlijn zoals de bedoeling was, een jaar op kosten van de Ford Foundation zoals veel andere kunstenaars. Hij komt er op 16 mei. Al dadelijk wordt hij getroffen door een geur in de Tiergarten, een geur die terugvoert naar zijn jeugd en een reminiscentie is aan de dood, het besef ervan dat hem gedurende zijn ganse verblijf niet meer zal verlaten. Welke indrukken laat dit West-Berlijn in hem achter: dat deze stad ononderbroken haar handen wast. Zij is jong, jeugdig. Zij is losgescheurd van de geschiedenis die je wel overal doorheen ziet schemeren. Maar er zijn de toverwoorden van de Duitsers: productie, techniek, wetenschap. Hij ziet gezondheid en evenwicht maar mist genie. Hij vraagt zich af of, met zo’n beladen verleden, dit gerechtigd is of zelfs maar fatsoenlijk? Terwijl hij ook hier kennis maakt met veel Europese kunstenaars, zelf gevierd en gewaardeerd wordt, blijft hij zich ontheemd voelen – geen Europeaan, weggerukt uit Zuid-Amerika. Tot overmaat misbruikt iemand een gesprek om dit als fake-interview te publiceren, ontketent een hetze in Polen verhevigd door het feit dat hij in Duitsland, dé vijand, verblijft. Hij blijkt in zijn ‘vaderland’ nu niet alleen officieel (publicatieverbod) maar ook voor de massa persona non grata. Pijnlijk. Nadat hij tenslotte ook nog twee maanden ziek was gaat hij in mei 1964 naar Frankrijk terug. Wat was zijn conclusie: Europa, waar hij gelezen wordt, waar hij populair is, blijkt “een sfinx, een onbekende planeet, een luchtspiegeling” en “Ik ben verloren”. Kan hij beter terugkeren naar Argentinië? Dit zou “een terugkeren naar het verleden” zijn. Nee dus.
Opmerkelijk is wat hij als houding in verband met het oorlogsverleden, hij die de oorlog niet concreet meebeleefde maar wel daardoor een ontheemde en banneling werd, noteerde gedurende zijn verblijf in een land dat hij zou moeten haten. “Weest niet zo naïef: al jullie glimlachen, al het comfort dat jullie me kunnen bieden zal nooit één minuut van één enkele doodsstrijd uitwissen zoals die er in Polen bij miljoenen zijn geweest, in zoveel variaties dat het scala der folteringen oneindig was… Ik laat me niet verleiden! Ik zal niet vergeven! Ik heb niet vergeven, maar er is me niets ergers overkomen. Ik, een Pool – want ik beleefde dit ‘als Pool’ – moest een Hitler worden. Ik moest al hun misdaden op me nemen, precies alsof ik ze zelf begaan had. Ik werd Hitler en moest aannemen dat Hitler in iedere stervende Pool aanwezig was, dat hij nog steeds in iedere levende Pool leeft. Veroordelen, verachten? Dat is niet de goede methode, dat is zelfs waardeloos; al dat eeuwigdurende beschimpen van de misdaad maakt hem alleen maar bestendiger. Men moet hem doorslikken. Opeten. U kunt het kwaad overwinnen, maar alleen in uzelf. Gij, volkeren van de wereld, gelooft ge nog steeds dat Hitler alleen maar een Duitser was?”        


Gombrowicz publiceerde essays. Hij schreef meerdere toneelstukken zoals ‘Yvonne’, ‘Het huwelijk’ en ‘Operette’, werken in de lijn van Samuel Beckett en Eugene Ionesco, het absurdisme. Een genre waarvan we de sporen ook terugvinden in zijn verhalen en in de romans die hem tot één der belangrijkste Poolse auteurs maakten. Er wordt steeds verwezen naar Kafka en naar de Franse existentialisten wanneer men het heeft over zijn werken als ‘Trans-Atlantisch’, ‘Pornografie’, of ‘Kosmos’ (1965) waar twee jongemannen Witold en Fuks de eenzaamheid van het platteland opzoeken maar in hun tocht gestoord worden door enkele bizarre figuren. En dan is er het magistrale ‘Ferdydurke’ uit 1937; hier stuurt hij een volwassen man terug naar school om onvolwassen te worden! Zijn dagboeken werden postuum gepubliceerd; daaruit bleek zijn homoseksuele geaardheid (zelfs dat hij pederast was). 
Absurdisme, paradoxale visies, maatschappijkritiek, een genadeloze ontleding van de mens. Hij fulmineert tegen tradities, plichtplegingen, maatschappelijke conventies. En getuigt ook van een scherpe psychologische analyse. En dit alles gedrenkt in een saus van vlijmende humor die geen klasse of rang spaarde; en een duidelijke politieke boodschap uitdroeg. Niet verwonderlijk dat zijn werken in Polen onder het communisme verboden waren en hij in Frankrijk diende uit te geven. Later genoot hij wel de verdiende officiële erkenning, werd in 1966 genomineerd voor de Nobelprijs en 2004 werd zelfs uitgeroepen tot ‘Jaar van Gombrowicz’. Collega’s als John Updike en Milan Kundera bewonderden hem; deze laatste plaatste hem tussen Joyce en Proust. Terwijl Susan Sontag na het lezen van Ferdydurke het werk ‘briljant’ noemde. Drie romans werden verfilmd en van zijn werk werden zes opera’s gemaakt.  

De publicatie van de roman ‘Opetani’ (‘De beheksten’, Polak & Van Gennep 1990) van Witold Gombrowcz is zelf reeds een verhaal. Hij verscheen als het eerste geschrift van de auteur in 1939 in twee Poolse kranten onder zijn pseudoniem Z.Niewieski. Om dan vergeten te worden. Pas in 1969, enkele maanden voor zijn dood, vermeldt hij het bestaan ervan in een tekst in het Cahier de l’Herne dat aan hem gewijd is. Zo wordt uiteindelijk de tekst opgevist en komt het in 1973 tot een publicatie in zijn Verzameld Werk. In 1977 volgt een Franse vertaling als feuilleton in Le Monde, een Duitse in de Frankfurter Allgemeine en een Nederlandse in 1981 in de Volkskrant. Bizar: het is pas bij de publicatie als boek dat de laatste twee hoofdstukken zijn toegevoegd, die waren de lezers in 1939 onthouden…
‘De beheksten’ ontspint zich als een gothic novel maar dan wel één die de draak steekt met het genre dat dankzij Walpole, Mary Shelley en Poe zo populair was. De roman van Gombrowicz speelt rond en in een kasteel dat in een troosteloos, moerassig landschap staat – honderd kamers, ontelbare waardevolle schilderijen, meubels, kunstvoorwerpen – dreigend tot een ruïne te vervallen. Bewoond door een bijna zwakzinnige prins, een oude knecht en een roofzuchtige secretaris. En vooral: in de tot spookplaats verklaarde keuken, een handdoek die mysterieus voortdurend beweegt. De ironie: het geheimzinnige herleid tot een vuile versleten keukenhanddoek, een vod!

De tweede locatie is een nabijgelegen landgoed van verarmde landadel, gedwongen tot uitbating als pension. Daar maken we kennis met de andere hoofdpersonen, vooral deze waar het liefdesdrama (want ook dit ontrolt zich primordiaal doorheen de roman) zich voor ontwikkelt, dochter des huizes Maja en tennisleraar Marian. Wat bindt hen? Zij lijken elkaars gelijke, niet uiterlijk maar… iets ongrijpbaar, is het de fascinatie voor het lagere, het vulgaire. Het echte? Het ware, ontdaan van alle franje? Wat hen zelfs in staat stelt – onafhankelijk van elkaar – tot diefstal over te gaan. Het blijkt een relatie gedoemd tot aantrekken en afstoten, in een duistere sfeer van bedrog en mysterie waarin ze meegesleurd worden. Want er is de secretaris die de schatten van het kasteel in zijn bezit wil krijgen, er is de professor kunstgeschiedenis die al dat fraais wil inventariseren, naar waarde schatten en aan de gemeenschap schenken. Er is de prins, tot wanhoop en gekte gedreven door een herinnering, een misstap die blijkbaar Franio heet. Kortom er zijn voldoende gegevens om er een spannend verhaal uit te distilleren en dat is dan ook waar de auteur in slaagde.


Was dat de bedoeling? Enerzijds allicht wel – het moest gelezen worden. Anderzijds treffen we hier reeds alle elementen aan die terug te vinden zijn in het latere oeuvre van Gombrowicz en ongetwijfeld is dat het essentiële opzet. Hij levert commentaar op de klassen- en kastenmaatschappij zoals die toen nog uitgesproken bestond. Kritiek op de landadel net zo goed als op de kliekjes van de rijkelui in Warschau die hij genadeloos schetst; deze laatste gekoppeld aan een schildering van het mondaine leven, het bestaan en de uitbuiting van ‘gezelschapsdames’, de kleine boeven, de tenniswereld met zijn afgunst… een beeld van een verdorven maatschappij, van mensen in een oppervlakkig zielloos bestaan. Daarnaast heeft hij het over sociale omwentelingen, de nivellering van rangen en standen, het einde van de aristocratie. Wat is belangrijk voor hem – en komt tot uiting in zijn (deze van de lezer) sympathie voor de twee jonge geliefden? Morele gezondheid, menselijke waardigheid, de waarheid van karakter: “…Maja begreep dat er in het leven momenten zijn waarop je moet besluiten alles te wagen en alles te riskeren om je menselijke waardigheid te redden”. Het karakter moet boven alle schijn heersen; schijnheiligheid is voor hem als een vloek. Zwaartillend? Helemaal niet, Gombrowicz weet dit alles te verpakken in het spannend verhaal én met de nodige humor. Dikwijls zelfs hilarisch wanneer hij twee types tevoorschijn tovert, dames uit de bourgeoisie, die met elkaar optrekken maar elkaar het licht in de ogen niet gunnen, kibbelen, of in een monologue intérieur zichzelf verraden. Groteske dialogen. Hij is een meester in het uitvergroten zoals hij dat in later werk blijft doen. En dan zijn er nog de sterke sfeerscheppingen. De weergave van de natuur, van de woeste streek. Ook de beklemmende nachtelijke sfeer in het kasteel waar we ’s nachts door verlaten gangen dwalen. 
Een spookverhaal? Absoluut. Een roman met veel dubbele bodems en gelaagdheden? Zeker. De spoken, die verdwijnen uiteindelijk, de ratio wint. De andere opgeworpen problemen? Of Gombrowicz de menselijke waardigheid ooit zag zegevieren, dat is een open vraag.     

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.