Dat ik met een schop onder mijn edele derrière uit de bibliotheek verwijderd werd, vermeldde ik laatst. Zo werd ik gekatapulteerd richting stadhuis. Dat was gelukkig over geen al te grote afstand, nauwelijks enkele honderden meters. Dus gezwind, enfin met bezwaard gemoed naar het hoofdkwartier, naar de plaats waar de lakens werden uitgedeeld. Onder het mom dat men daar op een dienst zeer dringend behoefte had aan een bekwame administratieve kracht. “Mijn oor!” zeggen ze dan… Fraai excuus. Welke dienst mocht dat dan wel zijn?

Ik arriveerde. Hemeltje. Of liever: hel! De boekhouding. Wat wel bleek te kloppen, ze hadden iemand nodig. Maar of ik nu net die gegadigde diende te zijn? Na 7u en 45 minuten had ik het wel bekeken. Cijfers. Ik die gehuwd was met letters, bij voorkeur letters in een bepaalde volgorde geplaatst, tot zinnen geordend, in boeken terechtgekomen. No way. De volgende dag meldde ik me ziek. Indien ze dan toch zo om iemand verlegen zaten, zochten ze maar een ander slachtoffer. 

Twee weken later was ik opnieuw paraat, kiplekker zeg maar. Wat hadden ze nu in petto? Niets natuurlijk. Maar och, bij de dienst bevolking kan er altijd eentje bij. We zullen hem daar al stoppen. Zodoende kwam ik onder de hoede van de al bijna stokoude Marcel. Taak: identiteitsgegevens van alle nieuwe ‘burgers’ (inwijkelingen en borelingen) op metalen plaatjes printen. Deze konden afgedrukt worden waar nodig, op grote fiches van gezinssamenstellingen en andere volgens woning. Eventueel dienden deze gegevens op het plaatje aangepast, burgerlijke staat enz.

Marcel, een nukkige man. Maar indien je deed wat hij vroeg en hard werkte (dat laatste vrij ongewoon, sorry voor het cliché maar het gold voor de meesten toen) was je zijn vriend. Dat werd ik. Een vreemde vogel wel. Hoewel hij vast niet arm was, met zijn echtgenote betrok hij een kleine villa in een buitenwijk van de stad, kinderen hadden ze niet, was hij zo gierig als… tja “als de pest” zegt men al weet ik niet waar die uitdrukking op slaat. Zo ging hij steeds op het einde van de donderdagse markt zijn fruit en groenten kopen op het ogenblik dat de handelaars inpakten: het onverkochte werd dan aan dumpingprijs van de hand gedaan. Hij aarzelde ook niet om wat op de grond getuimeld was, gekneusd en als onverkoopbaar bleef liggen, op te rapen en in zijn tas te verzamelen. De dagelijkse rit per fiets was een bron van inkomsten: wat hij al niet aantrof op zijn weg! Alles verzamelde hij, alles was bruikbaar. Ooit vroeg ik hem wat hij zou aanvangen met de drie gedeukte thermosflessen die hij net veroverd had. “Die kunnen nog wel eens voor iets dienen” was het vage antwoord.

Zo’n zes maanden zij aan zij en toen was het voorbij. De bureauchef ging met pensioen. Zo’n job stelde niet veel voor, de boel in de gaten houden, verveling troef. En dus had hij zich een extraatje toegeëigend: de dienst vreemdelingen, wat ongeveer telkens een halve dag beslag op hem legde. Zijn plaatsvervanger zag dit evenwel niet zitten en schoof deze taak door naar de bevorderde onderbureauchef.

Ocharme. De brave man sloeg tilt bij de idee. Telkens iemand met een andere tint zijn loket naderde kreeg hij zowat alle kleuren van de regenboog. En de druppels transpiratievocht die zijn lichaam verlieten iedere werkdag! Niet dat hij xenofoob was, hij rilde en trilde van angst: hij had geen inzicht in de materie. En hij kon zich niet uit de slag trekken met enige vreemde taal wat weliswaar geen must was (in feite zelfs wettelijk verboden) maar bijzonder onhandig. Zodoende deed hij vrijwel onmiddellijk wat dat betrof een beroep op mij. En reeds de eerste week zond hij steeds vaker radeloze blikken mijn richting uit. Zelfs het eenvoudig verlengen van een verblijfsvergunning liet hem doodsangsten uitstaan.

Ik diende meer en meer ter hulp te snellen. Na twee weken was de zaak beklonken, ik kwam op de vreemdelingenstoel terecht en de resterende tijd kluste ik bij voor de bevolkingsdienst – wat niet lang zou duren. De administratie. Niet bepaald mijn droom. Geen idee of ik het had volgehouden zonder het tegengewicht van de nevenactiviteiten. Het recenseren, het regisseren. Ik stond ’s ochtends zelfs een uur vroeger op om te kunnen lezen, zonder dat uurtje lectuur had mijn dagtaak me onoverkomelijk geleken.

Maar het werk zelf hielp ook. Dit was niet louter administratie. Dit was omgaan met mensen, me verdiepen in dossiers waar vaak een problematiek achter verscholen was. Dit was dikwijls helpen, een gevecht tegen regels. En dus boeiend en dankbaar. Bovendien, niet onbelangrijk voor de eenzaat die ik was, hier had ik een plaatsje voor mezelf veroverd. Geen rekening houden met collega’s, geen rekenschap afleggen; behalve aan… ja aan wie, aan het grote opperhoofd, de Manitou, de burgemeester. Dat was inmiddels de alom bekende Freddy Willockx. In de stad ook wel de Turkenvriend genoemd. Of hij werkelijk een voorkeur had voor de getinte medemens heb ik nooit gemerkt, wel dat hij opkwam voor minderbedeelden en streed tegen onrecht.

Op die wijze kwam ik vaak met hem in aanraking. Het was bekend dat zijn deur openstond voor mensen met problemen. Dus klopten al die mensen van vreemde nationaliteit die met een dossier in de knoei zaten bij hem aan. Meermaals per week overlegde ik dan ook hoe een probleem kon opgelost worden. Al vlug had hij door dat we op dezelfde golflengte opereerden. Onoprechte vragen werden geklasseerd. Voor de andere, de meeste, liepen we het vuur uit onze sloffen. Een visumaanvraag voor iemand die twee maanden naar België wou komen, een ‘gezinshereniging’ waarvan de documenten niet in orde bleken wegens een administratieve fout… noem maar op.

Het hielp dat ‘Freddy’ tot de hoogste regionen kon doordringen om vriendelijke verzoeken te doen. Indien we de vraag humaan konden rechtvaardigen. De dankbaarheid was groot. En duurt, nu ik al tien jaar met pensioen ben, nog steeds verder: telkens ik me buiten begeef in de stad word ik aangesproken door ex-cliënten, inmiddels uiteraard meestal genaturaliseerd. Die eenzame job bleef trouwens niet lang duren. De komst van familieleden en vooral de vluchtelingen… Al vlug werkte ik een ganse dag aan het ‘vreemdelingenloket’, diende daarna een collega om bijstand te vragen. Tot die kleine cel tenslotte uitbreidde tot vijf personen en ik eindigde zonder contact aan het loket, nog louter de ingewikkelder wordende wetgeving lezend en de probleemdossiers behandelend.

Dit en het toenemende politieke gezeur: blij dat het pensioen tenslotte wenkte hoe prettig het ook al die jaren was. De collega’s. Suggereerde ik dat er weinig gewerkt werd, daarmee het cliché bevestigend. Sorry, natuurlijk waren er zeer plichtsgetrouwe bedienden, en er was de middenmoot. En een enkeling deed ronduit niks. Zo ging dat nu eenmaal, het weddezakje was voor iedereen even vol. Er waren de amusante ogenblikken. De verjaardagen, de jarige vergastte de bende dan op – naar zijn zin of beurs – op koffiekoeken, taartjes of, later jaren, ook belegde broodjes. Uiteraard werd er tijdens de diensturen heel wat gepraat, officieuze minuten, en tweemaal per dag tien minuten officieel als koffiepauze terwijl er in feite de ganse dag sloten koffie gezwolgen werden. Toen roken op kantoor verboden werd trokken de geviseerden als een meute naar de binnenplaats om aan een saffie te lurken. Tot de gezonde lammeren concludeerden dat de bokken wel flink in het voordeel waren: voor hen betekende dit dus per dag 2x tien minuten extra pauze om lekker longkanker op te lopen! Het licht in andermans ogen… Dus dienden de rokers de koffiepauze te benutten voor hun duivelse gewoonte.

Er was wel vaker zo’n akkefietje. Velen hadden de gewoonte om op donderdag de middagpauze te benutten voor hun aankopen op de markt, donderdag marktdag! Soms werd er een vers gebraden kip meegebracht die nog heet en geurend in de zak lag te lonken naar de hongerige magen. Maar die geur, de ganse namiddag leek het kantoor wel een kippenkraam. Na maanden kwam er protest en werden de malse kippenboutjes verbannen naar het archief. De oude dossiers wisten niet wat hen overkwam met de nabijheid van die uitdagende blote hete billen.

Vaak, één avond per week, werd er ook na werktijd een stapje in de wereld, enfin in een of andere kroeg gezet. Dat was heel goed merkbaar aan de trieste blikken de volgende ochtend, de wallen, het werktempo. Het hoeft geen uitleg dat ik mij van dergelijke uitspattingen onthield. Zoals ik bijna steeds ontsnapte aan de massale verplichte nieuwjaarsreceptie – deze jongen dook weg en huiswaarts. Zoals hij zich evenmin meldde voor het dinertje der collega’s achteraf. Me nooit beklaagd telkens ik de verhalen hoorde, het eindigde steevast in teveel drank, geroddel en soms zelfs herrie.

Er bestond trouwens iets als De Vriendenkring, voor al het stadspersoneel; de idee alleen al…! En een tijdschrift, De Belleman, dat was andere koek, daar wou ik dan mijn eenzaam steentje wel aan bijdragen in de vorm van een column. Wat ik zelfs gepensioneerd nog bleef doen. Tot – inmiddels was er een ander bestuur en een ander regime – men een passage wou censureren. Wat ik weigerde. Alles of niets. De twee partijen bleven koppig. Het werd dus niets, en meteen besloot ik geen letter meer in het blad te publiceren. Een opvolger-columnist vonden ze niet. Tot mijn afkeurenswaardig genoegen.

Allochtonen, jarenlang mijn leven en omgang. Of er ooit problemen waren? Eerlijk gezegd niet. Zelfs wanneer er een strikte ‘nee’ diende opgeworpen worden dan nog kon alles minzaam geregeld blijven. Agressie? Nee. Of toch, één keer. Met twee jongens. De enige keer dat ik zelfs de politie diende in te schakelen om hen van het loket en uit de gang te verwijderen. Wat ik me tenslotte nog beklaagde. Er was een ‘sluis’ die van uit de gang van het stadhuis via twee deuren naar buiten leidde, een kleine ruimte dus die onzichtbaar bleef voor ieders ogen. En daarin namen de twee ter assistentie geroepen pakkemannen de knapen mee. Ik zag niks maar hoorde des te meer. Het was de tijd van de harde aanpak. Heden ten dage zal dat hopelijk niet meer op die wijze gebeuren; hoe dan ook, ik was geschokt. 

Wat er nog wel gebeurde: in onze verder brave stad (toen) baatten twee broers een ‘dancing’ uit in het centrum. Waar ze Filipijnse jongedames lieten dansen. Die kwamen hierheen met een tijdelijke verblijfs- en werkvergunning. En moesten zich dus laten inschrijven. Dat veroorzaakte steevast heel wat opschudding, zo’n vier of vijf schaars geklede schoonheden aan het loket. En de procedure nam tijd in beslag: paspoorten controleren, visa, vergunningen, documenten typen… Beroering binnen het kantoor en in de gangen. Ik werd benijd. De toevoer van een nieuw contingent van al dat fraais liet nooit lang op zich wachten. Vooral omdat de broers nog een ‘bar’ in een deelgemeente bleken te bezitten. Was het dubieus? Alle papieren bleken steeds in orde. Tot ik op een avond door de politie naar hun bureau gehaald werd. Waar zich een aantal meisjes bevonden, geflankeerd door iemand van Payoke, de Antwerpse vereniging die zich inzette voor deze vrouwen. Tja, deze meisjes had ik dan niet gezien; papieren niet in orde stelde ik vast… Telefoon naar de permanentie in Brussel, uitwijzingen maken, en verder was het woord aan Payoke en de advocaat. En aan de broers die enkele maanden later hun actieterrein naar Nederland verplaatst hadden… Meteen het einde van de kleurrijke optocht in de gangen van het duffe stadhuis.

Pensioen. Goed, ik was en bleef een eenzaat. Maar toch had ik al die jaren lief en leed gedeeld met die mensen. Dus blij, om meerdere redenen, dat ik de werkzaamheden kon stopzetten, maar het afscheid… Dus bood ik iedereen toch maar een etentje aan. Waar kon dat beter gebeuren dan in restaurant ‘Het laatste avondmaal’! Daarna keerde ik definitief huiswaarts met onder de arm een reuzekalender waarop telkens foto’s van alle collega’s in diverse settings passend bij mij of bij het seizoen. Wat een herinnering… En een zwart gat? Er waren boeken, veel boeken, heel veel boeken…      

Johan de Belie          

2 gedachtes over “Het hoekje van Opa Adhemar (20)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.