Het fenomeen bibliotheek heeft een tweeslachtige rol gespeeld in mijn leven. Als consument, dat is logisch – en die functie handhaaft zij nog steeds. Maar eveneens, een poos, als heuse loon… ja zeg maar loonslaaf!

Bibliotheken. Het lijkt ons moeilijk voor te stellen dat er reeds 2000 jaar voor Christus bibliotheken waren in Egypte waar papyrusrollen bewaard werden. In diezelfde periode waren er ook bij de Assyriërs, bij de Babyloniërs, en een zeer beroemde te Ebla in Syrië. Daar waren het kleitabletten die onder de hoede van de bibliothecaris bewaard werden. Meestal gingen ze vermoedelijk samen met een tempel. De priester als boekenbewaarder, voorwaar dat lijkt me eervol! De beroemdste bibliotheek uit de oudheid is ongetwijfeld deze van Alexandrië, opgericht in de derde eeuw voor Christus. Zij bevatte, naast uiteraard de opslag van het leesmateriaal, wat we nu een leeszaal noemen. Maar ook een ‘cafetaria’ en een babbelruimte waar kon gediscussieerd worden. Boven de ingang van de plaats waar de boekrollen bewaard werden hing het opschrift: “Plaats voor de genezing van de ziel”. Bestaat er een betere omschrijving voor lectuur?
Dan wil ik nog even de aandacht vestigen op de bibliotheek van Berytos (thans Beiroet). Omdat (mijn geliefde dichter) Kavafis deze vermeldt in een grafschrift over de Griekse grammaticus Lysias. Deze, geboren 445, overleed in 380 (voor Christus) in ballingschap op een onbekende plaats, waar hij begraven werd is evenmin bekend. Kavafis legt hem te ruste “Vlak bij de bibliotheek van Berytos, rechts van de ingang, begroeven wij de wijze Lysias, grammaticus. De plaats is bijzonder toepasselijk. Wij legden hem dicht bij datgene waaraan hij misschien ook ginds denkt – commentaren, teksten, analyses, varianten, vele boeken verklaringen van Grieks idioom.” Het lijkt mij geen slechte plaats om eeuwig te gaan rusten, in de onmiddellijke nabijheid van zoveel literatuur, zoveel schoonheid.
Tot zoveel beschouwing was ik vast nog niet geneigd toen ik mijn eerste stappen zette op de houten trap die me voerde naar de Katholieke Bibliotheek Het Centrum van onze stad. Het was telkens een flinke klim. Boven wachtte onveranderlijk een nogal vreemde figuur, mager, tanig, schuw maar vriendelijk, ietwat wereldvreemd. Hij nam de in te leveren boeken in ontvangst, controleerde, en hielp je daarna weer buiten met een verse lading. Meestal zwijgend. Hein. Jaren later zou ik hem leren kennen, close leren kennen zelfs. Zij aan zij boeken uitlenend. Wat een vreemde wereld.
Geen idee hoeveel boeken ik daar buiten heb gesleept maar het moet een vrachtwagen vol geweest zijn. Ik las en las. Zoveel dat – wat ik reeds eerder vertelde – aan zee een pastoor-bibliothecaris mijn leeshonger wou inperken. En de hoeveelheid boeken die ik wekelijks kreeg beperkte. “Minder lezen, meer spelen!”. Tot mijn groot verdriet, en tot woede van mijn moeder die als een beschaafde furie richting pastoor stormde. Maatregel dadelijk ingetrokken. Ja mijn moeder, beter vriendjes mee blijven.
Die Katholieke Bibliotheek, in mijn herinnering is het een grote stoffige zolder. Maar wel een heel grote zolder. En natuurlijk doolde ik die jaren uitsluitend over de verdieping waar de jeugdlectuur gehuisvest was. Nu nog ontmoet ik heel nostalgisch in enkele boeken het stempel van die bibliotheek. Immers, de ganse inboedel werd later overgenomen door het stadsbestuur en vele boeken bevinden zich nu nog in de ‘Stadsbibliotheek’.
Een stap verder, een reuzestap meteen. Studerend, allerlei vormen van theater en woordkunst aan diverse instellingen, en inmiddels gehuwd, drong zich de idee op dat er misschien ooit geld in het laatje moest komen. Voorlopig zorgde de andere helft van het echtpaar daar exclusief voor maar ja… Vermoedelijk ook onder lichte druk van de ouders nam ik tenslotte deel aan een vergelijkend examen van het stadsbestuur voor een betrekking in de administratie. Niet bepaald mijn droom. Wel met het voordeel dat wanneer men jou voor een job uitnodigde, je kon weigeren; dan werd de volgende van de lijst genomen en kwam je daarna opnieuw aan de beurt. Uitstel telkens verzekerd dus. Oef. Pech, ik eindigde als eerste. Dat hebben ze dus geweten. Men diende mij iedere keer uit te nodigen, ik weigerde steevast prompt, hop naar de volgende. En zo hield ik het bijna twee jaren vol. Toen bezweek ik. Natuurlijk kon je met zo’n systeem overal in zo’n stadsdienst belanden. Secretariaat, onderwijs, toerisme, cultuur, de taakverdeling bij de vuilnisophaaldienst. Bofte ik eventjes: de bibliotheek. Zou dit, naast de onzekere toekomst van het toneel, me van een iets stabieler inkomen verzekeren?
Het werd in ieder geval een avontuur dat twee jaren zou duren. Alle soorten werk deed ik daar. Boeken op hun plaats zetten, het beginnelingwerk. Aan de balie, uitlenen. De discotheek, toen nog uitsluitend LP’s, de cd bestond nog maar in het brein van enkele wetenschappers. En wat me ook werd toevertrouwd, de Bibliotheca Wasiana, een archief over alles wat met het Waasland te maken had. Een heerlijke job, het excerperen van kranten en tijdschriften, klasseren, eventueel aanleggen van nieuwe mappen, aankoop van boeken… en een job die me de kop zou kosten. Daar vond ik trouwens ook een map met mijn naam. Vreselijk, met jezelf geconfronteerd worden in de vorm van een bestofte map vol nietszeggende achterhaalde knipsels en daar uitgespreid liggen als een voorhistorisch dier. Diverse ‘publicaties’ van mijn hand stonden er ook gerangschikt (toneel, romans, poëzie); het besef dat geen mens het nog ooit in zijn hoofd zou halen er ook maar één op te vragen om te lezen, zo word je te tenminste nederig. Uitgeknipte recensies van mijn hand trof ik ook veelvuldig aan. Vreemde sensatie. Bovendien liet ik me – bij al mijn tamelijk drukke nevenactiviteiten – overhalen om extra werk te doen: ik klopte veel overuren in een filiaal in het Koopcentrum aan de rand van de stad, druk bezocht. Twee avonden, zaterdagnamiddag, zondagochtend. Daar winkelden ook veel Nederlanders, Hulst is vlakbij, en dat was merkbaar in het lezersbestand: blijkbaar kon men in Holland niet zoals hier gratis ‘ter bibliotheek’ gaan en dus pikten de zuinige Nederlanders tijdens het winkelen graag een graantje, in casu een gratis boekje, mee. Wat men mij nog aansmeerde: het volgen van de cursus bibliotheek-assistent. Was ik zo geboeid? Nee, maar dat diploma garandeerde me een fikse weddeverhoging. En och het eiste slechts enkele maanden opoffering, telkens enkele uren. Leerde ik er iets? Het SISO-klasseringsysteem, maar dat heb je binnen een kwartier wel onder de knie. En verder, niks. Maar ik verdiende beduidend meer. En ik was nu volwaardig lid van de bib-commune. Mocht ik dat al willen. Het lot beschikte anders.
Aan het hoofd van de bibliotheek stond een man die hoofdzakelijk administratief geïnteresseerd was, maar verder nog tamelijk goedaardig. Een typische politieke benoeming. Mild. Wat allerminst kon gezegd worden over zijn adjunct, iemand die slechts door één grote desinteresse gedefinieerd kon worden: boeken, literatuur. Of misschien toch, nog een tweede: de mens. Administratie, regeltjes, en het ‘ik’ dat steeds hogerop wou. Een gezworen vijand. Tegen wie wij ons dienden te wapenen. Wij, de buitenbeentjes binnen de bezetting van het bib-corps…
En dat waren – overgenomen uit de Katholieke Bibliotheek samen met een deel van de inboedel! – die vreemde man bij wie ik ooit zoveel jeugdboeken ontleende; en een rebelse jongedame iets jonger dan ik, en ondergetekende dus. Hein was de naam van hij die spoedig een vriend en strijdgenoot zou worden. Inderdaad een bizarre figuur over wie een roman kan geschreven worden. Opgegroeid in Brussel, in het Waasland gestrand, bezwaard met psychische problemen, wonend in een privékosthuis. De bibliotheek leek zo’n beetje een sociaal opvangnet voor hem. Hij was gedoemd om de ‘herinneringen’ te schrijven aan lezers die boeken niet tijdig inleverden; zijn handschrift was piepklein en abominabel… En als hoofdtaak zeulde hij tussen de rekken om de boeken op hun plaats te zetten, een eenvoudige maar vermoeiende bezigheid. Zodat je hem meestal ergens aantrof, vaak lurkend aan een sigaret. Of liever aan een eindje sigaret want hij deed twee, maximum drie trekjes en doofde dan het vuur op zijn duimnagel – het restant verdween gedurende zo’n tien minuten in zijn vestzakje (hij droeg winter en zomer een wollen kostuum) om dan tevoorschijn te komen voor rooksessie twee. Maar dan was de peuk nog groot genoeg voor een derde beurt! Zalige tijden. Nu mag je zelfs aan de toog in het café niet meer roken, nauwelijks vijftig jaren geleden bleek het normaal dat je in een bibliotheek met een Belga of Bastos rondhuppelde. Brandgevaar?
Wij drie, we bleken met onze houding, opvattingen, én ook belezenheid en muziekkeuzes een apart trio te vormen binnen de groep die daar tamelijk gedesinteresseerd rondslenterde en slofte. Zouden wij dus eens eventjes suggesties doen in verband met de aankoop van boeken en platen! Daar had je de poppen aan het dansen. Enerzijds een matig welwillende hoofdbibliothecaris, daar tegenover een steigerende adjunct: die broekjes, die nietsnutten gingen het aankoopbeleid niet dicteren. En dan was er de muziek die we draaiden telkens we in de uitleen-discotheek achter de balie stonden, nu eens (meestal) pop, dan weer onbekende klassieke muziek; dat was niet wat het publiek gewoon was. Onze houding, onze kleding… De bizarre figuur van Hein was hoe dan ook een doorn in het oog, maar ja die bleek ‘beschermd’, een soort sociaal geval. Ik evenwel. De ‘knaap’ die schreef, die aan theater ‘deed’, ook al zo’n vreemde vogel. En die zou zich een beetje bemoeien met wat er te lezen en te beluisteren was. Tot overmaat van ramp – hoewel, dit kwam nu net gepast voor enkele individuen – belandde er een klacht ten stadhuize. Dat er een ambtenaar vaak zomaar open en bloot (enfin bij wijze van spreken gelukkig) de krant zat te lezen in het filiaal van het Koopcentrum. Oei, dat kon niet. Dat ambtenaren tijdens hun uren al eens de krant lazen, uiteraard, dat wist iedereen. Maar dat diende Jan Publiek niet te zien. De reputatie van de ambtenaar en dus van het stadsbestuur, jongens toch! Dus werd dat een minischandaal en werd het behandeld op het hoogste niveau bij de vroede vaderen ten stadhuize. En werd de brave hoofdbibliothecaris op de niet zo rode loper geroepen, wat spookte men daar allemaal uit tijdens de duurbetaalde diensturen? Een onschuldige verklaring: die overijverige bediende was ook verantwoordelijk voor de Bibliotheca Wasiana en tijdens doelloze momenten zocht hij in, en knipte hij uit kranten, zo eenvoudig was het. Leg dat maar uit. Incident gesloten. Maar de hetze niet. Wij drieën gingen lustig door op de ingeslagen weg. Warempel, er werden al eens boeken en platen naar onze suggestie besteld. De baas luisterde naar onze influisteringen over een en ander. Invloed dus. Wat een doorn in het oog van de voorbestemde opvolger, want over enkele jaren kwam dat begeerde postje vrij. Hij zag mij al naar boven gemanoeuvreerd. Bovendien lag onze familie goed in de markt bij de burgemeester. In zijn bekrompen ambtenarenzieltje kon dit alles slechts één ding betekenen: ik aasde op dé functie. Terwijl dit echt wel het allerlaatste was… pas veel later doorzag ik zijn redenering. Hoe dan ook, hij intrigeerde en manipuleerde dusdanig tot ik plots de melding kreeg dat ik werd overgeplaatst naar een dienst ‘ten stadhuize’. Baaibaai bibliotheek.
Wat hield ik er aan over? Ik had me vrij goed geamuseerd gedurende twee jaren, me ook vaak geërgerd. Ik was er in geslaagd om een aantal boeken en LP’s die afgevoerd werden en richting stort moesten verdwijnen, buiten te smokkelen en richting ons appartement te laten verhuizen – tegen de wetten en de absurde regels in. Gelukkig is dat systeem inmiddels gewijzigd, dat alles kan nu 2dehands gekocht worden. En ik hield er een vriendschap met Hein aan over. We bleven elkaar zien in de bibliotheek, al kwam ik er nu in een andere hoedanigheid. En was ons daar niet veel tijd gegund voor een babbel, ‘alle ogen waren op Kwatta gericht’ zegt de uitdrukking. Dus namen we onze toevlucht tot een ontmoeting extra muros af en toe, in een ijssalon, beide met een coupe café glacé, onveranderlijk. En dat zou jarenlang zo doorgaan, ook na zijn pensionering. Toen keerde hij helaas naar de heimat, Brussel, terug en sleet zijn vele laatste jaren in een home bij zusterkes, bij ‘soeurs’ want Franstalig. Het moet vreemd geweest zijn, dit duo achter hun ijsje. Hij steevast, ook in augustus bij 30°, in een dik kostuum en een zware overjas – hoe hij nooit bezweek is een raadsel – en ik, tamelijk bizar gekleed. Het leeftijdsverschil. Pratend over boeken, muziek, twee of drie uren, terwijl de lege glazen coupes ons treurig aanstaarden. Ik wil liever niet in het brein kruipen van andere bezoekers van dat etablissement die ons keurden; welke kronkelige, mogelijk zelfs nachtmerrieachtige gedachten rezen er op boven hun ijsje of wafel. Heerlijke gekke ontmoetingen. Die steeds zeldzamer werden, hij kwam nog weinig naar het Waasland afgezakt. Tenslotte, in reactie op een verjaardagsgroet van ons, meldde een nonnetje van het klooster dat mijnheer Hein niet meer was. De boeken waren gesloten, het concert beëindigd.
Kunnen we ons een voorstelling maken hoe de Assyriërs en de Egyptenaren hun kleitabletten en papyrus hanteerden? Hoe de monniken in de Middeleeuwse abdijen bij hun lezenaar stonden, zich buigend over manuscripten: daar hebben we een vrij goed beeld van. Vijftig jaar geleden… wat een gedoe nog. Bij een ontlening werd de fiche uit het boek gehaald en in de aan de bij de lezer behorende ‘enveloppe’ gestopt. Op de lenerskaart werd de datum gestempeld, de enveloppe geklasseerd op datum. Terugbrengen: datum controleren op de kaart, zo enveloppe vinden, fiche van boek uithalen en opnieuw in boek. Kwam de stoute cliënt niet tijdig terug dan was zijn enveloppe geleidelijk opgeschoven tot de eindmeet, en overschreed haar tenslotte: boete. Dan kwam ons aller Hein in actie! Verwittiging schrijven…
Inmiddels gaat dat alles zo ongeveer automatisch, wat betekent dat je als lezer gewoon zelf alles mag doen. Boek ontlenen? Vlug even scannen en hop het staat onverbiddelijk ten eeuwigen dage op jouw naam geregistreerd tot je het terugbrengt, hoewel ook dan: het computergeheugen onthoudt feilloos wat je jaren geleden las. Handig, hoewel, indien ik ooit geheugenverlies heb wens ik in alle gemoedsrust een derde of vierde keer te kunnen genieten van ‘Het proces’ of ‘Le roman de Ferrare’ zonder dat de pc mij op de vingers tikt dat ik dit boek reeds vier jaar geleden ontleende. Inleveren… ongeveer zelfde procedé, scannen en ergens deponeren. Zelfs wanneer de bib gesloten is kan dit, via een scanner en een luik in de buitenmuur. Uitleentermijn verlengen, catalogus raadplegen, alles rustig via de pc thuis. Nee dan die oertijden van de kaartjes en de enveloppen, het manuele gedoe. De bedienden blijken wel totaal overbodig. Natuurlijk overdrijf ik, inlichtingen geven, ‘raad en daad’, inschrijvingen, rondleidingen voor klassen, en ik zelf doe minimaal tweemaal per maand een beroep op hen om boeken die onbereikbaar in het magazijn verstoffen naar het daglicht te halen. Ze blijven dus onmisbaar, net als de bibliotheken, de bibs, zelf. Vermits er nog steeds gelezen wordt, en dat zal nog wel een poosje zo blijven mogen we hopen.
Lezen, ik grasduin in het boek van Stefan Bollmann ‘Vrouwen die lezen zijn gevaarlijk’. Een rare titel; zal wel een grapje zijn hoop ik, persoonlijk hou ik van lezende vrouwen, voor mij vormen ze geen bedreiging. Wat het boek werkelijk bevat: ‘Een geschiedenis van het lezen in de kunst van de 13e tot de 21e eeuw’. Via enkele thema’s en aan de hand van een ganse reeks schilderijen en foto’s loodst de auteur/samensteller ons doorheen die eeuwen van lezen; vrouwelijk lezen weliswaar maar dat doet er niet zo heel veel toe. Al speelde het boek uiteraard een rol in de emancipatie van de vrouw, dat komt dan inderdaad wel aan bod (ook in de inleiding van Kristien Hemmerechts). Mij boeit veelal het beeld van de lezer(es). Bijvoorbeeld van de Maria Magdalena uit 1540 van Ambrosius Benson, naast haar staat het potje zalf om Christus te vertroetelen maar voorlopig is zij verdiept in haar lectuur, ingetogen. Net als de dienstbode op het schilderij uit 1668 van Pieter Elinga, die met haar rug naar de toeschouwer gekeerd, haar werk verzuimend liever een boek leest. Wel een tegenstelling met de modieuze jonge vrouw, het ‘lezend meisje’ dat in 1770 model stond bij Jean-Honoré Fragonard; zij houdt haar boek vast als ware het een theekopje, gracieus. Maar hoe intens, hoe gepassioneerd en verdiept in de woorden is het biedermeier-meisje van 1850 bij de Weense schilder Franz Eybl. Je hoeft niet steeds alleen of zelf te lezen. ‘La lecture’ (1868) van Edouard Manet toont ons een zoon die voorleest aan zijn moeder. Terwijl we bij de Zweed Carl Hansen zijn ‘Zussen van de kunstenaars’ in het jaar 1826 aantreffen terwijl ze samen een boek lezen. En zelfs in een expressionistisch werk als dit van Erich Heckel, ‘Lezende vrouw’ (1911), waarbij het gelaat van de lezeres veeleer een Afrikaans masker is, ontdekken we toch de intensiteit van het begrip ‘lezen’. Tenslotte nog die bevreemdende foto vermelden, Marilyn Monroe lezend in “Ulysses”, een foto van Eve Arnold uit 1952. Of het een opzettelijke pose was, Monroe met dit boek? Nee, zij was het aan het lezen toen Arnold haar kwam fotograferen, hardop zelfs om het beter te kunnen begrijpen want het was wel moeilijk…
Lezen, bibliotheken. Maar de meest gekoesterde bibliotheek, en dat zal wel voor velen gelden, is de eigen collectie, het privébezit. De boeken die al dan niet netjes geordend in huis beschikbaar staan. De verzameling; al wil ik het liever zo niet noemen – boeken verzamel je niet. Ze komen je aangewaaid, door jezelf, door anderen, uit liefde voor het woord. Meestal tracht je in die vloed een ordening aan te brengen, ieder naar eigen smaak en voorkeur en (vooral) grillen. Mijn eerste kast is gevuld met alle boeken van en over Johan Daisne, en aansluitend werken die Magisch-Realistisch zijn of het thema behandelen. Dan zijn er de planken met toneelstukken en boeken over woord en voordrachtkunst, over de geschiedenis van het theater. Daar is nog een plaatsje ingeruimd voor favoriete romans die wellicht niet meer herlezen worden; met uitzondering van ‘Eline Vere’ van Couperus waar ik graag in de decembermaand het stof nog eens afblaas. Plaats geruimd voor veel poëziebundels dan. En nog veel meer voor werken over plastische kunsten, schilderijen, beeldhouwwerken, catalogi van musea…
Tenslotte is er nog een plank voorbehouden aan een ietwat bizar allegaartje van gekoesterde boeken vaak op vreemde wijze verkregen, werken ‘met een geschiedenis’. Die dus vaak om meerdere redenen daar hun plaats veroverden. Wat tref ik daar zoal aan. ‘Tristia’ van Ovidius, een iconografie over Diderot, brieven van Benjamin Constant. Maar ook gedichten van de twee Emily’s, Brontë en Dickinson; naast de ‘Vita Nuova’ van Dante broederlijk verenigd met Rilke. Dit is een beperkte greep. Een bont gezelschap voorwaar, dat ik node zou missen. En dan zijn er nog enkele honderden boeken die naar de zolder verbannen werden, recensie-exemplaren. Drie kwart ervan schonk ik reeds aan een boekhandelaar die soms 2de handsboeken verkocht. Na één keer lezen waren ze gloednieuw, hij deed er zijn voordeel mee. Al zit ik nog steeds met een massa waarmee ik geen blijf meer weet; het lot van het boek? Een duistere zolder. De roemloze dood tussen spinnenwebben en stof slikkend… Welnee, hét boek blijft springlevend. Dat blijkt steeds weer wanneer ik mij door die duizenden exemplaren omringd weet als ik de bibliotheek binnenstap. En verzucht: zal ik die nog ooit allemaal kunnen lezen? Nee dus, helaas.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.