Het is zal morgen al tien jaar geleden zijn dat in de Amerikaanse staat Connecticut op 64-jarige leeftijd popzanger Gordon Waller (links op de foto) van het Britse duo Peter and Gordon is overleden aan een hartaanval.

Peter and Gordon scoorden in de jaren zestig vooral hits met liedjes die voor hen waren geschreven door Paul McCartney, omdat die op dat moment de vrijer was van Peters zus, de actrice Jane Asher. Hun debuutsingle “A World Without Love” was in 1964 meteen al een nummer-1 hit. Later zou Paul onder het pseudoniem Webb ook nog “Woman” voor hen schrijven, dat weliswaar geen nummer één werd maar toch een heel grote hit. Paul had dit gedaan omdat hij wou bewijzen dat hij ook hits zou kunnen schrijven zonder dat het op voorhand geweten was dat ze door hem waren geschreven. Verder hadden Peter and Gordon nog succes met onder meer “True Love Ways” van Buddy Holly en “Baby I’m yours” van Van McCoy. Van het kabareteske “Lady Godiva” hield ik niet zozeer, maar het grote publiek wel. Toch gingen in 1968 Peter and Gordon uit elkaar.

Op het Sint-Jozef-Klein-Seminarie (zoals op bijna elke school bij mijn weten) was er jaarlijks een soort van show, waarin zowel leraars als leerlingen hun beste beentje voorzetten. Voor één van deze shows zou ik samen met Jan Kusé een vocaal duo vormen. We zouden dan nummers zingen van Peter & Gordon, Paul & Barry Ryan, The Walker Brothers enzovoort. Muziek die ik nu nog steeds graag hoor en waarmee ik me dus best kon verzoenen, wat mijn stem aangaat, zeker in combinatie met de hogere stem van Jan Kusé.
Want dat is “the story of my life”: being in the wrong place at the right time of omgekeerd. Wat nu specifiek het zingen betreft, bedoel ik daar het volgende mee. Alhoewel ik in die tijd een fan was van Donovan en nog nooit van Rod Stewart had gehoord, wilde ik toen toch reeds zo’n rauwe stem hebben. A white nigger, zeg maar. En ik was verdomme gezegend met een stem à la Engelbert Fucking Humperdinck! (*)
En omgekeerd, toen ik veel later in klassieke muziek geïnteresseerd raakte en b.v. vaak zangers of zangeressen ging interviewen, viel het wel eens voor dat deze – louter op basis van mijn spreekstem – vroegen of ik soms ook een zanger was. Dàn zou die Humperdinck-stem me dus wel van pas gekomen hebben natuurlijk. Maar toen was ik al veel te oud om nog zanglessen te gaan nemen, dus dat werd ook alweer niks.
Over klassieke muziek gesproken, dat is de gelegenheid om een tweede naam te laten vallen, die van Jan Van Laere. Deze was dus een liefhebber van klassieke muziek, meer zelfs: van klassieke muziek van de oubollige soort! Met name Franz Lehar was zijn groot idool. Vandaag, nu ik reeds lang de vijftig ben gepasseerd, ben ik ook een grote fan van Lehar, ik beschouw hem met name als de tweede beste componist van de twintigste eeuw (nà Puccini, maar vóór Paul McCartney om maar iets te zeggen), maar in volle sixties, toen heel de klas met The Beatles of The Stones dweepte, was dit absolutely not done.
Nu goed, zelfs Jan Van Laere had geen stoppen in zijn oren toen “A whiter shade of pale” van Procol Harum de hitparades bestormde en toen hij op een zogenaamde retraite (elk jaar moesten de leerlingen van het college zich enkele dagen terugtrekken in een klooster) de muziek moest verzorgen voor een misviering, vroeg hij aan mij om de fameuze orgelintro voor hem voor te zingen. Op die manier leerde hij die dan spelen voor in de mis. Het is nog altijd één van de verwezenlijkingen in mijn leven waarop ik het meest trots ben!
In de Poësis vond Edwin Thoen dat we op de collegeshow met een beatgroepje moesten optreden. En daarom stichtte hij Sam Gutter’s Blues Band met hemzelf op gitaar, ik als zanger, Frank De Pauw op basgitaar en Philippe Lints sologitaar. Een drummer hadden we niet, maar daar zou Philippe wel voor zorgen: dat bleek de toen nog piepjonge Tony Ghyselinck te zijn, later een bekend jazzdrummer, maar ook b.v. de drummer van de Pebbles-reüniegroep, die op het Feest van De Rode Vaan zou spelen.
Tot een optreden is het echter nooit gekomen en ikzelf was daar allerminst rouwig om. Want ondanks het feit dat de naam van de groep een programma op zich was (om blues te spelen namelijk), was het enige nummer dat we gerepeteerd hebben “She’d rather be with me” van The Turtles. En eenieder die dit nummer kent, weet dat dit geen kattepis is om te zingen. Op de repetities lukte het mij nog net, maar voor een zaaloptreden zou ik het wel bestorven hebben van de zenuwen!
Op die repetities heb ik overigens Tony Ghyselinck nooit ontmoet. We repeteerden immers enerzijds in het college zelf (en daar was ik uiteraard bij, maar Tony niet, aangezien hij naar een andere school ging) en anderzijds bij Philippe Lints thuis, waar Tony wél was, maar ik dan weer niet om een of andere reden.
En tenslotte was er Patrick V.P. Hij was ook een speciale, maar dan weer van een heel andere soort. Laten we zeggen dat hij nogal gefixeerd was op één ding. Dat maakte b.v. dat hij in navolging van onze Sam Gutter’s Band zelf ook een groep wou oprichten (ik geloof zelfs dat hij het inderdààd heeft gedaan) en die zou dan The Purple Penis Band gaan heten. Verder heb ik daar niks mee te maken, maar ik moet toegeven dat dit voor mij de inspiratie was om (jaren later) een voorstel te doen aan Raymond van het Groenewoud, nadat die “Try a little tenderness” van Otis Redding tamelijk letterlijk had vertaald. Eenieder die Raymond op de slotdag van de Gentse Feesten reeds heeft meegemaakt, weet immers dat hij ook een fantastische versie van “Purple Rain” in de vingers heeft.
Nu, in tegenstelling tot “Try a little tenderness” is de tekst van “Purple Rain” een aaneenschakeling van onzin (Raymond had b.v. de gewoonte om na het refrein “Purple Rain, Purple Rain” in de mikro te zeggen: “wat zou dat toch zijn?”) en daarom stelde ik hem voor “Purple Rain” niet létterlijk te vertalen, maar naar de klank. En – rekening houdend met het feit dat Raymond enkele liedjes over porno heeft geschreven – daarom suggereerde ik hem als titel “Purper Ding”. Purple Rain als ode aan de penis. Moest kunnen, vond ik. Maar Raymond heeft (in tegenstelling tot andere mails) hierop nooit geantwoord.

Ronny De Schepper

(*) Ik was me al op heel jonge leeftijd bewust van deze dichotomie. In de zomer van 1961 organiseerde de Chiro, waarbij ik kortstondig ben aangesloten geweest, allerlei sportwedstrijden, waaraan dan beloningen verbonden waren. Zoals gebruikelijk scoorde ik niet erg hoog in deze materie. Ik weet zelfs niet of ik veel onderscheidingen “voor zesde of achtste plaatsen” heb gehaald, zoals Gaylord Focker in de komische film “Meet the Fockers”. Maar de dag werd afgesloten met een zangwedstrijd en hier zag ik mijn kans schoon. Ik hield op dat moment erg van “Runaway” van Del Shannon (nog altijd één van mijn lievelingsnummers allertijden trouwens), maar ik speelde op zeker en zong “Och was ik maar” van Johnny Hoes. En jawel, ik won de wedstrijd. Maar ik was boos op mezelf omdat ik had toegegeven aan de smaak van het “gepeupel” i.p.v. mijn eigen favoriet te zingen. Nu weet ik wel dat “Och was ik maar” geen opera is (verre van zelfs) maar qua stemgebruik komt het wel overeen met de tegenstelling die ik hier kom te schetsen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.