Op 4 juni 1774 voltooit Mozart zijn enige fagotconcerto (in Bes, KV.191), zijn eerste concerto voor een blaasinstrument (wellicht voor hoffagottist en huisvriend Melchior Sandmayer; op bovenstaande foto van Flickr herkennen we Peter Gaasterland). In die periode is de fagot een beetje bespeelbaarder geworden omdat hij er vijf tot acht kleppen bij kreeg. Aangezien hij nooit een concerto voor cello heeft geschreven, spelen “gefrustreerde” cellisten (omdat Mozart niet voor hun instrument heeft geschreven) zoals France Springuel wel eens dit concerto, maar dan getransponeerd naar C. Fagot en cello zijn qua register en kleur immers vrij “compatibel”.

De 28ste symfonie (in C, KV.189k of 173e of 200) is gedateerd op 17 november. Van 6 december tot 7 maart gaat Mozart naar München t.g.v. creatie van “La finta giardiniera” (KV.196) op 13 januari. Aangezien hij later op het jaar de tweedelige ouverture met een finale afrondt, wordt dit door Hogwood de symfonie in D KV.207a of 196 of 121 genoemd. Ze is “Italiaans” van aard (dus zonder menuet) en nogal opgewekt en galant. Dat komt uiteraard omwille van de inhoud van deze opera: de markiezin Violante wordt verwaarloosd door de man die ze bemint, graaf Belfiore. Samen met haar bediende verkleedt ze zich daarom als tuinierster en verhuurt haar diensten aan de Podestà van Lagonero. Deze Podestà kan Violante wel pruimen (en zijn knecht haar kamermeisje). Ondertussen staat graaf Belfiore op het punt te huwen met het nichtje van de Podestà, terwijl deze op haar beurt wordt nagejaagd door Ramiro. Onnodig te zeggen dat op het einde de drie “juiste” koppels elkaar vinden, alleen de Podestà kan op zijn kin kloppen. “La finta giardiniera” is de enige opera met een komische castratenrol.
Mozart schrijft in München ook de sonates KV.282 en KV.283. De invloed van Joseph Haydn en Johann Christian Bach is vooral te horen in het adagio waarmee de eerste sonate ongewoon begint.
Alhoewel Mozart, naast een schitterend pianist, ook een begenadigd violist was, componeerde hij slechts vijf concerti voor dit instrument en dan nog wel alle binnen dezelfde periode in 1775. Het rondo in B (KV.269) dat Mozart ook nog schreef in die periode, was eigenlijk bedoeld voor het vioolconcerto KV.207. Het rondo in G daarentegen (KV.373) is op 2 april 1781 voor bisschop Colloredo gecreëerd door de Salzburgse violist Brunetti. Het adagio in E (KV.261) is eveneens voor deze Brunetti geschreven, als alternatief middenstuk voor het concerto in A (KV.219) dat hij “te geleerd” vond.
23 april 1775: première van “Il re pastore” (KV.208) in Salzburg. De ouverture wordt weer als symfonie geteld door Hogwood. Dit libretto van Metastasio was reeds door verscheidene componisten getoonzet, o.a. door Gluck. Mozart had de opdracht gekregen om het bezoek van aartshertog Maximiliaan, de jongste zoon van Maria Theresia, te vieren. Aangezien Salzburg over geen theater beschikte is de opera hoogst waarschijnlijk in concertante vorm uitgevoerd (het reisdagboek van de aartshertog spreekt trouwens van een “cantate”). Het onderwerp is een prins (Aminta) die te vondeling is gelegd en zozeer door het pastorale leven is gecharmeerd dat hij met tegenzin zijn ambt aanvaardt, als men hem ontdekt.
In de ouverture is zijn eerste aria verwerkt, waarbij zijn castratenstem vervangen is door een hobo, en ze eindigt heel toepasselijk met een “country dance”. Ongeveer tegelijkertijd schreef Mozart de concertaria “Si mostra la sorte” (KV.209) voor een rondreizend Italiaans gezelschap, maar men weet niet meer voor welke opera ze bedoeld was.
De symfonie in D (KV.213A of 204) van 5 augustus is ook alweer een deel van een serenade (de 1ste, 5de, 6de en 7de beweging), wellicht geschreven t.g.v. het einde van het academisch jaar. De finale heeft een experimentele structuur, die Mozart zal hernemen voor de finale van het vioolconcerto KV.218 dat hij twee maanden later zal componeren. (Op een CD uit 2008 met het Polish Chamber Orchestra speelt Nigel Kennedy de cadenza’s van dit concerto samen met een contrabassist, Michal Baranski.)
Samen met Michael Haydn wordt Wolfgang in 1775 vice-kapelmeester benoemd bij het Salzburgse orkest, waar ook zijn vader nog steeds vice-kapelmeester is, ook al zou hij reeds lang moeten bevorderd zijn (Luigi Gatti was kapelmeester, dat verklaart misschien ook de “eigen volk eerst” reactie van Mozart t.o.v. Salieri b.v.). Ten voordele van Colloredo moet men echter zeggen dat Leopold inderdààd meer met zijn zoon dan met het orkest bezig was.
Op 16 november opent de aartsbisschop een nieuw theater, maar toch levert Wolfgang geen nieuwe symfonieën af. Hij is het er wellicht reeds meer dan beu. Van zijn vader mag hij niet omgaan met “schorem” en door de hogere klassen wordt hij niet aanvaard.
Januari 1776, Salzburg: klavierconcerto nr.6 in B, KV.238. Net zoals bij het vijfde staat erbij dat het voor “cembalo” is bedoeld. Dat wil echter nog niet zeggen dat het voor een klavecimbel (een plectrum tokkelt de snaar) is geschreven, want de terminologie stond in die tijd niet vast. Het kan dus ook best voor een pianoforte (een hamer slaat de snaar) bedoeld zijn, net zoals alle latere.
Zijn volgende compositie (KV.239) is zijn zesde serenade (in D), ook wel “serenata notturna” genoemd. Eigenlijk is het een werk voor twee kleine orkestjes. Het eerste bestaat eigenlijk uit solisten (eerste en tweede viool, altviool, bas en… pauken), terwijl het tweede als “concerto grosso” fungeert.
April 1776: klavierconcerto nr.8 in C, KV.246, het zgn. “Lützow-concerto” omdat het besteld was door gravin Lützow. Het klavierconcerto nr.7 wordt in de integrale van Derek Han niet meegeteld, omdat het tegelijk ook het concerto voor twee klavieren is.
Op 21 juli wordt ook de zogenaamde Haffner-serenade (KV.248b of 250) uitgevoerd, waarvan het eerste menuet tevens het thema is van “Zie ginds komt de stoomboot”. Uit deze serenade selecteerde Hogwood ook weer een symfonie, die weliswaar niet mag worden verward met de échte Haffner-symfonie (KV.385), én een vioolconcerto. Voor de symfonieversie voegde Leopold pauken toe. Deze serenade is geschreven ter gelegenheid van het huwelijk van Maria Elisabeth (“Liserl”) Haffner. Dat jaar schreef hij ook de concertaria “Clarice cara mia sposa” (KV.256) voor een rondreizend Italiaans gezelschap, maar voor welke opera is niet meer bekend.
In januari 1777 schrijft Mozart in Salzburg het klavierconcerto nr.9 in Es, KV.271, voor de Franse pianiste Jeunehomme.
Een zesde vioolconcerto (in Es, KV.268) heeft nog veel minder met Mozart te maken. Het zit zo vol van clichés dat, indien het dan al van Mozart zou zijn, het zeker om een jeugdwerk gaat. Daar staat dan weer tegenover dat de begeleiding veel zwaarder is dan normaal bij Mozart en ook de moeilijkheden van de solopartij zijn veel groter. Eén musicoloog, C.B.Oldman, heeft op basis van de gelijkenissen met de Sinfonia Concertante KV.364 de theorie ontwikkeld dat dit concerto in 1800 is neergeschreven door de violist Johann Friedrich Eck uit München op basis van een herinnering aan de uitvoering van die concertante symfonie. Volgens Albert Einstein zou het eerste deel en het begin van het rondo toch van de hand van Mozart zijn.
Daarna is er nog een zevende vioolconcerto (in D) dat het nummer KV.271a meekreeg, maar waarvan nu vaststaat dat het als dusdanig zeker niet van Mozart is. Volgens musicologen dateren sommige gedeelten zelfs uit de 19de eeuw. Er zit b.v. een duidelijk citaat in uit het ballet “Les petits riens” en dat was op dat moment zelfs nog niet bekend (en de thesis dat het vice versa zou zijn, komt blijkbaar niet eens in aanmerking). Anderzijds zitten er duidelijk Mozartiaanse wendingen in. De meest plausibele verklaring is dat Mozart in Parijs een paar schetsen heeft achtergelaten, die later door Eugène Souzay tot het huidige concerto werden bewerkt.
In 1931 beweerde de violist Marius Casadesus dat hij nóg een nieuw vioolconcerto van Mozart had ontdekt, het zogenaamde Adelaïde-concerto. Het is pas in 1977, wanneer Yehudi Menuhin het concerto ook op plaat opneemt, dat Casadesus onthult dat het eigenlijk een compositie van hemzelf is. Aangezien hij zijn vrienden die in zijn grap waren getuimeld niet wilde beledigen, had hij het concerto bij SACEM (de Franse SABAM) aangegeven als een Mozart-concerto door hemzelf “georchestreerd en geharmoniseerd”. Van een rechter krijgt hij dan ook de rechten toegewezen voor deze “orchestratie”, maar niet voor de compositie. 1931 is me trouwens het jaartje wel voor Mozart, want twee componisten voelen zich dat jaar ook geroepen om zijn “Idomeneo” te herwerken. Ermanno Wolf-Ferrari blijft nog tamelijk dicht bij het origineel, maar ondanks het feit dat Lothar Wallerstein meehielp bij de bewerking van Richard Strauss is diens versie werkelijk bijna een Strauss-opera geworden!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.