Mijn toneelcarrière, indien zij zo mag genoemd worden, vindt haar bron bij mijn vroede voorvaderen. Of althans bij die ene, mijn vader! Hij startte zijn bescheiden maar uiteindelijk in beperkte kring veelbesproken theaterloopbaan in zijn geboorteplaats Boom op het podium van de lokale feestzaal. Bij de plaatselijke toneel- en zangvereniging. Met aan zijn zijde de later gerenommeerde Yvonne Verbeeck die furore zou maken naast Gaston en Leo, en in series als de Kolderbrigade en Benidorm. Van haar herinner ik mij vooral dat ene zinnetje: “sjoklat mé nutjes”. Ook de televisieregisseur Fred Kuypers moet daar met hem over de Bühne gestoeid hebben.

Mijn vader bleef ons zijn leven lang achtervolgen met één zin uit wat toen zijn glansrol blijkt geweest te zijn: “Hij komt, hij komt, Blaak de goddelijke!” Te pas en vooral te onpas schalden deze woorden door het huis. Blaak, hoe goddelijk ook, ik heb nooit geweten wie hij was, waar hij vandaan kwam, wat hij deed en vooral waarom. Verzuimd het ooit te vragen. En nu is het helaas te laat. Ik kan maar hopen dat, indien hij inderdaad zo goddelijk is, mijn vader nu ergens naast mijnheer Blaak troont.
Dat geschiedde in Boom, vader (toen nog ‘in spe’ natuurlijk) huwde, kwam in Sint-Niklaas terecht, en werd daar (had men weet van zijn succesrijke optredens?) opgepikt door één van de gezelschappen, Sint-Genesius. Evenwel niet als acteur. Hij werd bestuurslid en later secretaris, een job die hem veel werk bezorgde. Ook na de talloze vergaderingen in het café van hun vaste lokaal, de Stad Nantes (*). Daar werden het heel leuke en heel lange uurtjes. Al was het één keer minder leuk. Blijkbaar waren mijn vader en de voorzitter toen het café sloot nog niet ‘uitgepraat’ en vergezelde laatstgenoemde zijn rechterhand naar ons huis voor een afzakkertje. Om daar prompt door de benen te gaan, ter plekke dood. Over een coup de théâtre gesproken!
Maar kijk, hoewel mijn vader niet meer in aanmerking kwam voor de rollen als jeune premier gezien zijn vooruitstrevende buikomvang, stapte hij uiteindelijk toch nog af en toe op het podium. Nadat hij bewezen had zich te kunnen vermommen als Sinterklaas; of bij carnaval schaamteloos te kunnen opdraven als baby compleet gewikkeld in een luier zo groot als een laken, inclusief fopspeen, pispotje gevuld met doopsuiker (compromitterende foto in mijn archief)… Kleine rollen werden hem toebedeeld. Behalve die ene grote: in ‘Tien kleine negertjes’ van ons Agaath mocht hij nog eenmaal schitteren als de moordende rechter; een knap slotbeeld toen hij in een rode toga, met pruik, centraal op de scène in een zetel, de verantwoordelijkheid voor de moorden in een pakkende monoloog opeiste. Bleek dat hij inderdaad kon acteren…
En dat het logisch was dat mijn broer in zijn spoor liep. Al specialiseerde hij zich meer op het muzikaal terrein. Een prachtige stem die opgemerkt werd door ene broeder Cajetanus, koorleider en componist, zelfs librettist. Zodat mijn broer de scène opging als Janneman in een musical. De foto’s van hem in een roze pyjama zijn in mijn bezit. Evenals deze van een ander muziekwerk waarin hij een fee was. Ook slingert ergens nog een flard van een partituur rond. Samen met de vage herinnering aan die Cajetanus, een magere grote figuur, die een huisvriend geworden was.
Het hoogtepunt van broers carrière moet evenwel een optreden geweest zijn tijdens de middernachtmis van kerst toen hij voor een volle kerk “Susa Nina” zong. Mijn ouders kregen telkens tranen in de ogen bij het oprakelen van de herinnering. Helaas, toen ‘keerde zijn stem’, de carrière stierf een roemloze dood. Wel trad hij nog op ter gelegenheid van ieder familiefeest te Boom, en die waren er vele, maar nu als declamator. Het was niet de gewoonte dat daar een of andere zatte nonkel op tafel sprong om een lied ten gehore te brengen, maar voor mijn broer werd graag plaats geruimd. Al bestond zijn repertoire onveranderlijk uit twee stukken; ze werden graag gehoord en enthousiast begroet. Het ene was getiteld ‘De Stront’, nadere uitleg hoeft niet – ik bezit een handgeschreven exemplaar; of dat ooit ergens gedrukt werd betwijfel ik trouwens. Het tweede was van ander kaliber: ‘De trap’ van Edward Hoornik, een melodramatisch gedicht dat de tantes dwong de zakdoek boven te halen (ze hadden dan ook al voldoende wijn binnen natuurlijk, dat hielp een handje). “Verdwaald in straten en in viaducten – geen mens, geen hond, zelfs geen geluid – zag ik, terwijl ik zonder reden bukte, opeens een trap, recht voor mij uit.” En het eindigde 16 strofen verder: “de eindeloze trap der armen, die voor dit ene lied niet wijkt; schenk mij als Jacob Uw erbarmen: een trap die tot de hemel reikt.” Waarmee zijn publieke optredens beëindigd werden. En ik diende aan te treden, de schijnwerpers op mij gericht. Eindelijk!
De stedelijke academie verwelkomde mij met open armen. Dictie, voordrachtkunst, tenslotte toneel… ik volgde alles. Met als bekroning regeringsmedailles op zak. Geen idee of dat systeem nog bestaat, toen betekende het heel wat. Hollywood wenkte. Alleen beseften Paramount en Metro Goldwyn Mayer zelf het nog niet. Wie het wel min of meer in het snuitje hadden: Sint-Genesius, de vereniging van papa. En had hun regisseur het nu net toch in zijn wel heel ijle hoofd gehaald om een stuk te plannen waarvoor hij een jeugdig acteur nodig had. Die ontbrak in hun ledenlijst. Zodoende. Het heeft hem grijze haren bezorgd en levensjaren gekost, en mij een trauma geleverd. Een stuk zonder pauze, eenakter dus maar dan wel van anderhalf uur. Met mij in de hoofdrol als 12-jarige, 30-jarige, 50-jarige en bijna dode oude man. Dat alles telkens opgelost dankzij een beetje grime, kostumering (binnen enkele minuten terwijl andere acteurs de scène bezetten) en mijn wonderlijk en verbluffend verouderings-acteerwerk. Met andere woorden: een ongezien fiasco. Mijn eerste stap op het grote podium bleek een mislukte hink-stap-sprong.
Het heft in eigen hand dan maar: een toneelclub opgericht in de schoot van de plaatselijke jeugdclub. Met meerdere tamelijk succesvolle optredens, ik werd er al dadelijk regisseur van korte stukken, kindertoneel, poëzieavonden. In de marge daarvan organiseerde ik een aantal avonden met kleinkunstenaars die bekend waren via radio en grammofoon. Daar daagde heel wat publiek voor op, in de stad was op dat terrein nauwelijks iets te beleven. Ter illustratie: na het optreden van de Armand (‘Ben ik te min…’) die toen heel succesvol werd, kwam hij me vragen of ik zijn gage niet wat kon aanvullen gezien het overweldigend succes – zoveel publiek, we moesten toch flink aan hem verdiend hebben! Helaas, boekhoudkundig niet te verantwoorden, contract was contract… Roerige tijden.
Ik las vaak mijn en andermans gedichten voor. Een mooie herinnering is een optreden met eigen teksten begeleid door bluesgitarist Roland die improviserend de sfeer van mijn teksten onderlijnde. Of inleidingen bij de openingen van tentoonstellingen; je kon het zo gek niet bedenken of ik kroop op het podium. Meteen vond ik elders twee kompanen om een cabaretgroep te stichten: Napkin. Ook hiermee nog veel meer de scène op. Mijn succes daar was een lange monoloog over seks, in die tijd fel gesmaakt met zijn dubbele bodems. Maar wat de topper van de voorstelling was bleek een idioot klein ding te zijn van slechts enkele zinnetjes die enkele malen herhaald werden. Een absurdistisch geval van Noëla Keymolen en mij. Dat stukje ging trouwens een eigen leven leiden. Populair, kort genoeg om te memoriseren en gemakkelijk te spelen. Zodat er heel wat mensen mee aan de haal gingen en we het zelfs jaren later nog konden ontmoeten bij diverse gelegenheden, vooral jeugdbewegingen hadden het zich toegeëigend. Royalty’s hebben we er nooit voor ontvangen. Dan heb je Sabam eens nodig…
Ach die Noëla, zij sleepte mij eens mee naar een film die we absoluut wilden zien. In één van de drie bioscopen die onze stad toen rijk was. Nauwelijks gezeten merkten we dat zij de foute locatie gekozen had, we staarden naar een prent van Elvis Presley! Wij buiten en op een holletje naar de andere betere film… heel typisch. Ik noemde Noëla omdat zij later beroepsactrice werd, te zien in meerdere gezelschappen in Vlaanderen en Nederland en in series op televisie. Toen ik eindexamen voordracht deed in de academie – je diende zo’n acht teksten, gedichten, monologen te debiteren – vroeg ik haar om voor mij te souffleren. Dom genoeg vermits zij mijn repertoire niet kende. Waartoe een komisch gedicht hoorde dat eindigde met de zin “ik wist van toeten noch blazen”. Binnen de context suggereerde ik dat ik een black-out had net voor ‘blazen’ en daar panikeerde Noëla, in de overtuiging dat dit ene woordje werkelijk uit mijn geheugen verdwenen was. Zij fluisterde vanuit de coulissen “blazen” waar ik uiteraard niet op reageerde; ik acteerde mijn paniek professioneel verder! Dus Noëla ten tweede male, luider nu al: ‘blazen’. Toen zij mij nog steeds niet op haar stem zag reageren ‘fluisterde’ zij zo luid dat het ganse schouwburgpubliek het hoorde “blazen”! Weg was mijn effect. Komisch bleef het allicht wel.
Tenslotte kwam er een heuse toneelgroep die het lang volhield, zelfs over de grens ging optreden, het STOKteater. Dat werd heel wat professioneler aangepakt, met eigen logo, briefpapier… het zag er bijna echt uit. En was het voor ons ook. Hoogtepunten waren een monoloog gepuurd uit de aangrijpende tekst ‘Keefman’ van Jan Arend. En een stuk geschreven door de echtgenote van één der acteurs, ‘Letter-Lijken’. Op het podium stonden twee driehoekige bibliotheekkasten met in blinkend witte omslagen gehulde boeken: een mooi scenisch beeld. De tekst zelf werd trouwens gepubliceerd.
Er is iets waarbij nu, na zoveel jaren, het schaamrood me nog naar de wangen stijgt. De ABN-kernen. ABN, Algemeen Beschaafd Nederlands. Nog steeds sta ik in de bres voor het algemeen, mooi Nederlands hoewel ik ook van dialecten hou. Maar het ‘beschaafd’ vergeten we uiteraard. Waar het evenwel over gaat: we organiseerden voorstellingen die we ‘verkochten’ aan zo’n vijftig scholen. Bestaand uit: een optreden van een kleinkunstzanger en een ‘vrij podium’ door de leerlingen waaraan we prijzen (boeken) verbonden. Het was weliswaar professioneel georganiseerd met een eigen klankinstallatie en -expert (die, detail, voor ons een unieke gouden microfoon had meegebracht uit de USA). De voorstelling startte met veel bombast dankzij een nummer van de hier toen nog onbekende Barry White. En de artiesten waren bekende namen, o.m. Zjef Vanuytsel, Miek en Roel (die steeds op droog zaad zaten, ik moet nog geld krijgen dat ik aan Miek leende toen ze wilden gaan eten, nooit terug gezien!). Met twee verzorgden we de presentatie. Meer deed ik niet, maar werd er royaal voor betaald. En de scholen… ze hadden een culturele activiteit die geen inspanning kostte, ze dienden uitsluitend leerlingen en geld te bezorgen. De organisator? Ik heb nooit de boekhouding gezien, gelukkig. Anders zou ik me wellicht nog meer schamen. De prijzen werden geleverd door uitgeverijen als reclame, de zalen heel goedkoop gehuurd (cultuur, scholen…). Geen fraai plaatje al bij al.
Betekende het fataal afgelopen experiment bij Sint-Genesius dat men mijn ontegensprekelijk talent daar in de doofpot zou stoppen. Allerminst. Ik kreeg nog een kans. Uit medelijden? Of zaten ze nog maar eens verlegen om een acteur van mijn leeftijd? Vermoedelijk dit laatste. Het werd een belangrijke rol in ‘De huwelijksakte’ van Ephraim Kishon. Als traditionele joodse jongeman, Robert Knoll, compleet met lange zwarte jas, hoed, stuntelig, verlegen… een prototype. Dankbaar, zeer geschikt om het publiek twee uren te laten gieren, brullen. Anekdote: in het gezelschap waren twee acteurs, weliswaar goede, die steevast alle aandacht opeisten. Vooral wanneer ze samen op de scène stonden. Veroorloofden zich dan vaak te improviseren, richting publiek te spelen, ten koste van de medeacteurs. Tot ergernis van de rest die gezien hun positie geen protest liet horen. Maar ik stond uiteindelijk buiten het ganse gedoe, had slechts meermaals gemerkt hoe het er aan toeging. Dé kans. We hadden een scène met ons drie en ik, toch al met het publiek op mijn hand, begon te improviseren, vooral dolkomisch ‘stil spel’ te geven. De twee dienden zich maar te redden terwijl ze me beurtelings toefluisterden ‘verder te spelen’, steeds woedender. Helaas. Iedereen was verrukt over mijn aandeel, mijn spel, mijn… er werd verder niet over gesproken, uitsluitend gegniffeld.
Tijd om het ietwat ernstiger aan te pakken. Op naar het conservatorium van Gent, de woordafdeling. Al had ik eerst wel een jaartje psychologie aan de univ geprobeerd, dat zou niet totaal nutteloos blijken. Hoewel de beste herinnering toch de cursussen in de laatnamiddag op maandag van professor Ghysbreght waren; vooral omdat we daarna telkens met enkele vrienden in een klein restaurant onveranderlijk frieten en een dikke, smeuïge omelet met champignons gingen eten. De liefde gaat door de maag, ook deze voor de studie.
Voor het toelatingsexamen oefende ik met mijn kersverse echtgenote, op huwelijksreis in Heidelberg, mijn teksten, in de open lucht, op de Philosophenweg, hoog uitkijkend over de Neckar. Het bleef niet bij Gent. Ik shopte langs de conservatoria van Antwerpen en Brussel. Met als gevolg dat ik nu op televisie nog voortdurend bekende gezichten zie defileren met wie ik ooit studeerde. Er waren hoogtepunten, zoals een intimistisch poëzieprogramma dat ik met een studente op band zette en nog steeds bewaar. En waren dieptepunten zoals de bewerking van een jeugdboek, over heksen, dat door de leraar Johan Van der Bracht terecht de grond werd ingeboord. En er was Lea Daan die vruchteloos trachtte mij te leren bewegen; wondere vrouw.
En niet te vergeten vooral Dora van der Groen. Zij had ons studenten reeds de eerste tien minuten duchtig onder de knoet. We mochten allen, één na één, de eerste strofe debiteren van de middeleeuwse tekst “Het daghet in het oosten, het lichtet overal. Hoe luttel weet mijn liefken och waer ick henen sal”. Zogenaamd om onze stem te horen en te weten wat we in onze mars hadden. Hoe trapten we in de val. Enfin in de door onszelf gegraven kuil. “Idioten, nietsnutten, dommeriken…” en nog wat fraais brulde la Dora. Want tieren kon zij op tijd en stond. Maar beminnelijk en meevoelend zijn eveneens. Natuurlijk, dom: iedereen had de klemtoon in de eerste regel fraai op ‘oos’ gelegd, de zon kwam op in het oosten, nogal wiedes zei Dora, wat had je anders gedacht, dat ze in het westen zou verschijnen voor jullie. Klemtoon moet op ‘daghet’ liggen natuurlijk! Zo leerde zij mij een tekst ontleden en ontkleden.
In Antwerpen kreeg ik ook de kans om luisterboeken op te nemen voor blinden en slechtzienden, een heerlijk werkje – alleen in een kleine studio met een zelfgekozen boek zoals ‘Hoe schoon was mijn school’ van Johan Daisne. Bij professor Jaap Kruithof diende ik een scriptie in ‘Kosmisch bewustzijn als alternatief voor taalkommunikatie’. Prompt terug: gebuisd. Maar dat ding was beoordeeld door een assistent en de prof had me inmiddels leren kennen. Hij vroeg de scriptie opnieuw op, die wou hij zelf lezen! Gevolg: 19/20. Zo zie je dan maar, alles is relatief.
Tenslotte, na enkele jaren woord-shoppen, belandde ik in het RITCS, aan de achterkant van het koninklijk paleis. Daar was een heel divers aanbod qua cursussen. Van ballet over grime, film, klank, dictie. Met behoorlijk wat bekende namen als lesgevers. Jo Röpcke, toen reeds beroemd met zijn filmrubriek op televisie, had het over de geschiedenis van de film en sleepte ons mee naar oude films, en naar gratis voorstellingen van de goede nieuwe films. Ivo Michiels, schrijver van ‘Het afscheid’ en ‘Het boek Alfa’ wijdde ons in in de kunst van het schrijven van een scenario. We leerden over belichting. Een maquette knutselen, niet bepaald mijn sterkste zijde – ik herinner mij mijn eerste gewrocht: een plateau waarop een tiental horizontale en verticale doodkisten kriskras door elkaar te zien waren. De docenten waren boeiende en meestal kleurrijke figuren. Er was er zelfs één die ooit zijn ‘tamme’ panter aan de leiband meebracht in het leslokaal. Kleurrijk én soms ook een beetje bizar! Manuel Van Logggem mag ik niet vergeten, de Nederlandse schrijver, psycholoog, criticus, auteur van de opmerkelijke boeken ‘Drift en drama’ en ‘De psychologie van het drama’. Van hem leerde ik veel over ontleding van karakters, de structuur en opbouw van de stukken, inzicht in de evolutie van de personages.
Tenslotte zou ik ook daar de opleiding niet voltooien, ik maakte de cyclus niet af. Met in mijn hoofd de herinnering aan vele genoeglijke lunchuurtjes in café ‘Den Appel’, waar we onveranderlijk een half stokbrood met flink gekruide paté verorberden (het enige voedsel dat er geserveerd werd), verliet ik het RITCS, Brussel. De wereld lag voor mij open. Een bestaan als, eerst bibliothecaris, daarna stadsbeambte. Maar de theaterbacil was niet dood, bijlange niet. Over mijn verdere strapatsen op dat terrein leest u in een volgend Hoekje…

Johan de Belie

(*) Ook Nero kent de Stad Nantes. Was zijn geestelijke vader Marc Sleen immers ook niet van Sint-Niklaas? (RDS)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.