Op 23 mei 1829 vroeg uitvinder Cyrillis Demian in Wenen een octrooi aan voor zijn accordeon (foto YouTube). Demian noemde zijn uitvinding accordion omdat het instrument vier tonen tegelijkertijd met de melodietonen ten gehore bracht. (Wikipedia)

Het toetseninstrument de/het accordeon, van de instrumentale familie van de aerofonen, was het instrument par ekseelanse (= bij uitstek) van de Gentse volksmuziek (daar trekzak genoemd) en van het genre internationaal. De ontstaansgeschiedenis gaat terug naar het China van drieduizend jaar voor onze tijdrekening. Daar ontwierp Ling Lun, in opdracht van de Gele Keizer Huang Ti, de Cheng kalebas met een houten mondstuk en 12 tot 24 bamboepijpen van verschillende lengte en met achter het mondstuk een zwevende tong, langs waar de lucht werd geblazen.

In het oude Egypte en in het oude Griekenland werden eeuwen nadien eveneens gelijksoortige instrumenten ontworpen, met een tong die vrij beweegbaar was. Het in de twaalfde eeuw ontwikkelde ‘portatief’, een draagbaar orgeltje met pijpen, een klavier of drukknoppen, en een balg, wordt beschouwd als een belangrijke katalysator in de ontwikkeling van het hedendaagse instrument. En er waren ook het dertiende eeuwse ‘positief’, een kamerorgel, het vijftiende eeuwse (vooral in Engelse kerken tot in de achttiende eeuw gebruikte) ‘regaal’ als voorlopers.

Tot in het begin van de negentiende eeuw werden rieten tongen aangebracht op de bovenstaande muziekinstrumenten. De Duitser Christian Friedrich Ludwig Buschmann (1805-1864) en zijn vader Johann David Buschmann (1775-1852) introduceerden de metalen tongen. In 1821 maakte Christian Buschmann een Mondaeoline of Aura, een blaasinstrument van ongeveer 10 centimeter lang, en in 1822 de, met een grotere balg, meerdere plooien, dubbele stemtongen voor zuigende en blazende lucht… en een knoppenklavier, diatonische Handaeoline. In 1829 tenslotte ontwikkelde Cyrillus Damian (1772-1847) in Wenen de diatonische Accordion, waarvoor hij een patent aanvroeg. Dit instrument had ook knoppen aan de linkerkant, waarmee eenvoudige akkoorden konden worden gespeeld.

Pas in 1850 ontstond alweer in Wenen de chromatische (Walter)accordeon. In de tweede helft van de 19de eeuw experimenteren verscheidene mensen met een chromatische accordeon met een pianoklavier, waaronder de Parisien Buton. Zijn vernieuwingen maakten vanaf dan het balginstrument populair vooral in Engeland en Frankrijk. Industrieel aangemaakt werden ze voor het eerst in 1857 door de Duitser Matthias Hohner in Trossingen. Pas drie jaar later werden er ook accordeons gemaakt in Italië, door Chiusaroli in Recanati, met tongen geïmporteerd uit Duitsland. De concertina, het veelhoekig circus balginstrument van (de meestal witte) circusclown en de Latijns-Amerikaanse bandoneon zijn latere ontwikkelingen van de Europese eindversie van de accordeon. 

Er zijn in Vlaanderen vanaf het einde van de negentiende eeuw diverse types gebruikt. De accordeon of piejanoo bretelle, of piano des pauvrestrekzak mee leepels of nog symfonieorkest van de wirkman… bood de rondtrekkende marktzangers een aantal voordelen: het was gemakkelijk te dragen en bovendien kon men het instrument én als melodie- én als begeleidingsinstrument gebruiken. Tot de bekendste Gentse bespelers binnen de volksmuziek van verschillende types van het instrument behoren: Noël Fack, Jan Gorleer, Bert Lenny, (Au)Gust Schelstraete, Georges Van Zeveren, Bert Vandersteene, Wim Claeys…

Freek Neirynck

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.