Vandaag is het precies 220 jaar geleden dat Pierre-Augustin Caron de Beaumarchais is overleden. Hij is vooral bekend als een satirisch auteur, maar hij heeft zelf ook een avontuurlijke levenswandel gekend…

Als zoon van een horlogemaker verliet hij al snel het ouderlijk huis om zich in allerlei bezigheden te storten. Zo was hij musicus en leraar harp van de zussen van Lodewijk XVI. In 1764 begeleidde hij zijn eigen zus naar Spanje waar zij werd verleid en in de steek gelaten door een zekere Clavijo. Hij verwerkte deze gebeurtenis in het toneelstuk Eugénie (1767).
Zeer spraakmakend was de rechtszaak die de erfgenaam van zijn handelspartner Pâris-Duverney, graaf de La Blache, tegen hem aanspande. Deze laatste beschuldigde Beaumarchais van schriftvervalsing. In 1773 werd Beaumarchais in deze zaak veroordeeld. Hij gaf zich echter niet gewonnen en deed een beroep op de publieke opinie door het publiceren van vier Mémoires. Dit waren pamfletten waarin hij Goëzman, een raadsman betrokken bij het proces, beschuldigde van omkoopbaarheid. Beaumarchais haalde echter geen gelijk, zijn houding werd officieel afgekeurd en zijn Mémoires werden uit de handel gehaald. Ondertussen waren deze pamfletten een groot kassucces: van het vierde pamflet waren in drie dagen zesduizend exemplaren verkocht. Het publiek kon het spirituele karakter en de gedurfde en levendige taal van de pamfletten wel waarderen.
De literaire reputatie van Beaumarchais stoelt echter vooral op twee toneelstukken: Le Barbier de Séville (1775) en Le Mariage de Figaro (1784). Dit laatste toneelstuk werd korte tijd verboden omdat het te onbeschaamd en te bedreigend was voor de gevestigde orde. Beaumarchais werd enkele dagen opgesloten in de gevangenis maar zag na zijn vrijlating zijn toneelstuk triomferen, zelfs bij de in het stuk geviseerde adel.
Beaumarchais bleef actief op de meest diverse terreinen. Hij bezorgde een uitstekende uitgave van de werken van Voltaire, hij richtte een onderneming op om wapens te leveren aan de Amerikanen en hij nam het in zijn geschriften op voor de Franse koninklijke familie. In 1788 liet hij aan de boulevard de la Porte Saint-Antoine een stadspaleis bouwen, dat in 1789 werd voltooid.
AUTEURSRECHTEN
Tijdens de Franse Revolutie werd Beaumarchais verbannen. Hij zou pas in 1796 naar Frankrijk terugkeren. Toch zou hij inpikken op één van de verworvenheden van de Revolutie. Op 19 juli 1793 was immers als een uitvloeisel daarvan het recht op de “propriété intellectuelle” goedgekeurd, in mensentaal: het ontstaan van de auteursrechten. Beaumarchais richtte meteen de Société des Auteurs et Compositeurs Dramatiques op, waarmee hij o.a. de rechten op Mozarts “Le nozze di Figaro” meende te kunnen afdwingen. Zijn pogingen bleven vruchteloos. Het auteursrecht beperkte zich voorlopig tot Frankrijk en bovendien waren het de uitgevers die het opeisten nadat zij de auteurs met een aalmoes de rechten op hun uitgegeven werk hadden afhandig gemaakt. Het zou nog een halve eeuw duren vooraleer een en ander zou worden rechtgetrokken naar aanleiding van een rechtzaak aangespannen tegen een componist, wiens naam helaas in de nevelen van het verleden is verloren gegaan. Deze zat namelijk in een restaurant waar zijn muziek werd gespeeld. Toen hij daarvoor betaald wilde worden, weigerden zowel het orkestje als de restauranthouder op zijn vraag in te gaan. Waarna de man dan ook weigerde zijn eten te betalen. De restaurateur bracht de zaak voor het gerecht, maar verlóór. Zo werd in 1850 de SACEM opgericht (la Société des Auteurs, Compositeurs et Editeurs de Musique), de opvolger van de vereniging van Beaumarchais, maar deze keer wél met rechtsbevoegdheid, zij het nog altijd uitsluitend binnen Frankrijk. Het zal b.v. nog tot 1912 duren vooraleer het Verenigd Koninkrijk en Duitsland mee in de boot stapten.
LA MERE COUPABLE
Ondertussen had Beaumarchais de laatste hand gelegd aan La mère coupable. Terwijl “Le barbier de Séville” en “Le mariage de Figaro” als onderschrift “comédie” hebben, staat bij “La mère coupable” (1792-1797) “drame” en dat zegt al genoeg. In het woord vooraf van de auteur merken we dat hij het nog meent ook, de moraliserende stroop druipt eraf. Trouwens, bij de eerste twee vinden we “menselijke” personages, hier zijn het zuivere clichés geworden. De librettisten van “Il barbiere” en “Le Nozze” konden nagenoeg alles, inclusief veel leuke vondsten, met een minimum aan aanpassingen overnemen van Pierre Caron de Beaumarchais. Toch zouden ook aan deze draak zich een paar componisten wagen (zie verder)!
In “La mère coupable” vinden we de hele familie Almaviva, inclusief Figaro en Suzanne, terug na ongeveer 20 jaar, en wel in Parijs waar Almaviva zich nu niet meer met “Comte” maar democratisch met “Monsieur” laat aanspreken; het verhaal moet zich nl. afspelen rond 1790.
Er is heel wat veranderd sedert “Le mariage de Figaro”. De gravin kreeg twee zonen, de oudste was de enige echte zoon van Almaviva, maar kwam om in een duel kort voor de aanvang van “la mère coupable”; de tweede – Léon – gaat door het leven als Almaviva’s enige overlevende zoon, maar is in feite de zoon van Chérubin Léon, de ons welbekende flierefluiter Cherubino, die na de afscheidsbrief van de gravin, waarin zij hem de geboorte van zijn zoon meedeelt en hem verder nooit meer wil zien, onmiddellijk een gewisse dood tegemoet is gegaan in een of ander gevecht.
Bij de familie woont ook Florestine, zgz.”petekind” van de graaf, maar in feite zijn buitenechtelijke dochter (haar moeder was zo vriendelijk van ook op tijd te sterven). Dergelijke “petekinderen” of “voogdijkinderen” werden blijkbaar als heel normaal beschouwd, voor zover het tenminste de “misstapjes” van de man betrof. (Het doet wel een vraagteken rijzen naar de relatie tussen Rosine en haar “voogd” Bartholo). Wanneer de gravin de waarheid over Florestines afkomst verneemt, gaat zij zelfs zover van het meisje onmiddellijk als haar eigen dochter aan haar boezem te drukken. Maar o wee als de vrouw dezelfde misstap beging: de gravin zit nu reeds 20 jaar te treuren, uit te boeten en onuitstaanbaar engelachtig te wezen, terwijl Almaviva haar en Léon met de nodige argwaan behandelt; hij vermoedt wel iets maar is niet zeker. Zolang zijn oudste zoon leefde, kon het hem minder schelen, maar nu komt de erfenis van naam en fortuin in het gedrang.
Last but not least hebben we echter “vriend des huizes” Bégearss, een Ier (sic) die onder zalvende woorden de ergst denkbare zwarte, snode, aartsvalse enz. ziel verbergt. Hij is dan ook “l’autre Tartufe” (sic), de neventitel van het stuk. Hoe die er ooit in gelukt is als vriend en laatste vertrouweling van Cherubino het huisgezin binnen te dringen en er 20 jaar te blijven, is een raadsel. Alleen Figaro en Suzanne doorzien zijn snode plannen, nl. de graaf zoveel mogelijk van zijn fortuin te doen overmaken aan Florestine, waarmee hij (Bégearss) dan zal huwen, terwijl hij “en passant” ook nog Suzanne, na 20 jaar blijkbaar nog steeds even sexy, opvrijt. Hij maakt hierbij gebruik van het feit dat hij als enige de ware afkomst van Florestine en Léon, die uiteraard op elkaar verliefd zijn, kent.
Een waar “shame and scandal in the family” verhaal ontvouwt zich, waarbij gegoocheld wordt met geheime vakjes, brieven, armbanden en notarissen, tot alleen de slimme Figaro nog alles kan redden, en hiervoor zelfs geen geld meer als beloning wil, want ook hij is aangestoken door de algemene geest van vroomheid en verzoening die door het stuk waait. Florestine en Léon krijgen elkaar, graaf en gravin vallen in elkaars armen en het geld komt ook weer terecht. Alleen de slechterik Bégearss wordt zonder één cent op straat gezet. Maar ook hij kan desnoods nog terug naar zijn vrouw in Ierland, want hij was bigamist. Ook dat nog.
Fragmenten uit “La mère coupable” werden reeds op muziek gezet door André Ernest Modeste Grétry (1741-1813), maar het was pas Darius Milhaud (1892-1974) die de integrale opera op 13/6/1966 in het Grand Théâtre van Genève in première liet gaan.
In “The ghosts of Versailles”, een opera van John Corigliano uit de jaren negentig op een libretto van William M.Hoffman, loopt de plot van “La mère coupable” dooreen met een verhaal over een aantal Fransen die gestorven zijn op het einde van de achttiende eeuw (w.o. Beaumarchais, maar vooral onthoofde royalty zoals Marie-Antoinette).
Kort na “La mère coupable” overleed Beaumarchais in zijn woning. Hij werd begraven op de beroemde Parijse begraafplaats Père-Lachaise. Zijn woning werd in 1829 afgebroken voor de aanleg van het Canal Saint-Martin en het vergroten van het Place de la Bastille. De boulevard de la Porte Saint-Antoine werd in 1831 omgedoopt in boulevard Beaumarchais.
In 1895 werd op een driehoekig pleintje aan de rue Saint Antoine een standbeeld van Beaumarchais geplaatst. Het is gemaakt door Louis Clausade (1865-1899).
Beaumarchais wilde ook nog “La vengeance de Bégearss” schrijven, maar zijn dood verhinderde dat. Uit een fragment leren we nogmaals dat Léon een buitenechtelijke zoon is van gravin Almaviva en Cherubino. Deze laatste inspireerde in 1901 Francis de Croisset tot de boulevardkomedie “Le Chérubin”. Toen Jules Massenet (1842-1912) hiervan een voorstelling zag in Parijs, vroeg hij aan de auteur om met zijn gebruikelijke librettist Henri Cain (“La Navarraise”, “Sapho”, “Cendrillon”) samen te werken voor een operatekst. De première hiervan vond plaats in 1905 in de opera van Monte Carlo. Cherubino (die hierin vier jaar ouder is dan in de opera van Mozart, dat wil dus zeggen dat hij hier nog altijd maar zeventien is!) wordt hier ook gezongen door een sopraan in travestie (Mary Garden, die drie jaar eerder Debussy’s Mélisande had gecreëerd, kon op die manier haar “shapely calves and buxom thighs” laten zien “in skin-hugging tights“) en voor het eerst klinkt de Spaanse achtergrond van het hele gegeven ook door in de muziek. Bovendien lijkt Cherubino wel een jongere versie van Don Juan/Don Giovanni (in het begin van het stuk is hij verliefd op alles wat een rok draagt, zelfs op zijn stiefmoeder, maar uiteindelijk kiest hij toch voor de “eenvoudige” Nina). En op de koop toe hebben Massenet en c° er ook nog een filosoof à la Don Alfonso uit “Cosi fan tutte” ingestopt.
De vermenging van “Le nozze” en “Don Giovanni” vinden we ook terug in “Le nozze di Cherubino” van de Engelse componist Giles Swayne uit 1986.
De moderne toneelbewerking “Figaro lässt sich scheiden” van Odön von Horvath (1901-1938) dateert van 1936 en is eigenlijk een rechtstreeks vervolg op “Le nozze”, met dien verstande dat ondertussen de Franse revolutie heeft plaatsgevonden. De graaf zwerft verarmd rond en Figaro kiest eieren voor zijn geld en vestigt zich ergens als barbier. Het is niet duidelijk of dat in Sevilla is… De titel van het verhaal vertelt overigens maar half de waarheid, want op het einde van het stuk verzoent hij zich opnieuw met Suzanna. Ook Cherubino komt in het stuk voor en wel als houder van een bordeel, waarin de verarmde adel zich prostitueert. Ook Suzanna vindt er een tijdje onderdak… Dit verhaal werd in 1963 ook tot een opera gemaakt door Giselher Klebe (1925-2009). Von Horvath had een jaar eerder overigens “Don Juan kommt aus dem Krieg” geschreven.

(Met dank aan Wikipedia en vooral M.V.)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.