Dat verblijf in K. Tussen de therapieën hadden we vrije tijd, veel vrije tijd. Helaas apprecieerde men het niet dat we ons vaak of lang in onze kamer terugtrokken. Restten dus de gemeenschappelijke ruimten. Te weten de tv-kamer. Waar ik geen voet zette. De programmakeuze van de medebewoners! En eerlijk, de buitenwereld interesseerde me allerminst. Zodoende was ik genoodzaakt mijn toevlucht en (on)heil te zoeken in de living. Met een boek. In aanwezigheid van de breiende of Libelle-lezende verpleegsters, en een aantal patiënten.

Zo verliep mijn leven tamelijk eentonig. Met enkele uitschieters te wijten aan depressieve topmomenten. Zo kreeg men mij wel eens met geen stokken gedurende drie dagen het bed uit. Of die ene keer dat ik tamelijk spectaculair alle bloempotjes in de gang van de vensterbank sloeg. Een incident waar niet veel woorden aan besteed werden. De tuinier zorgde al te graag dat er snel vervanging kwam; voor onze afdeling en onze non was duidelijk niets teveel gevraagd.
Whatever, ik zat dus steevast in mijn eentje. Te lezen. Te dromen. Dat moet de reden geweest zijn dat – na zo’n twee weken – H naast me kwam zitten en me aansprak. H, een rijzige, zeer volumineuze dame van ongeveer 27 jaar al leek zij ouder vooral wegens haar bril met extreem dikke glazen. Oneerbiedig zou men haar als een dragonder kunnen betitelen. Wat ik niet graag doe vermits zij ongemeen sympathiek bleek. En meelevend. En overgevoelig. Haar problemen, een verregaand minderwaardigheidscomplex te wijten aan pesterijen op school, haar uiterlijk… En dan de depressie met als gevolg verslaving aan antidepressiva en kalmeringsmedicatie. We werden na enkele gesprekken al vlug bevriend. Hoe gaat zoiets, twee eenzamen blijkbaar want ook zij had – hoewel heel wat socialer dan ik – nauwelijks contact met de mensen uit haar groep. Zij voelde zich buitengesloten, uitgestoten zelfs; en dat was ook wel zo gezien de dominante figuur daar een antipathie voor haar had opgevat met alle gevolgen van dien. Inmiddels was ik ook close geworden met een meisje uit mijn eigen groep, L, 18 jaar. En zo vormden we een bizar triumviraat, enfin twee vrouwen en één man, er bestaat niet echt een adequate term tenzij op seksueel vlak en dat was het bijlange niet. Praten deden we, en tijdens de uren dat we het terrein mochten verlaten gingen we op stap: naar het dorp of wandelen in het aangrenzende bos. We hadden elkaar gevonden. Op woensdagnamiddag, wanneer we urenlang vrij waren, arriveerde soms de echtgenoot van H. Hij, R, zou al vlug een belangrijke rol spelen. Geïntrigeerd door alles wat ik deed, las en schreef, vooral het Magisch-Realisme dat mijn stokpaardje was, wou hij daarover het fijne weten. Aanleiding tot urenlange gesprekken. O.m. in een pannenkoekenhuis waar hij ons telkens uitnodigde. In zijn vrije tijd schilderde en fotografeerde hij. En blijkbaar werd hij dermate beïnvloed dat zijn creativiteit de richting van mijn geliefde Johan Daisne uitging. Dat diende ik toch ooit te zien… Zo verzaakten L en ik aan een weekend naar huis te gaan en haalde R ons op zaterdagochtend alle drie op. L en ik zouden een dag te gast zijn bij hen in Mechelen. Schilderijen bewonderen, foto’s bekijken, praten, eten. En ik maakte een artistieke foto van L, onder leiding van R en met zijn belichting (mijn verdienste was nihil, enfin ik drukte op de knop). Bij al wat ik schreef gaf ik in eigen beheer een novelle uit ‘Imira Kaman’ waarvan een exemplaar uiteraard richting Mechelen ging. Een maand later ontving ik het terug met tussengevoegd enkele prachtige pentekeningen, en opnieuw ingebonden. Wat een eerbetoon én souvenir. Toen ik getrouwd was nodigden we hen uit in ons appartementje. Die keer had R voor mij een heus Magisch-Realistisch schilderij meegebracht dat momenteel terwijl ik dit schrijf net voor me hangt. Het contact bleef. Met plots onverwacht verheugend nieuws: er werd een zoon geboren. En met H bleek alles gedurende die jaren, weliswaar met ups en downs, vrij goed te gaan. Tot, zo’n twee jaren na de geboorte van hun kind, we moesten vernemen dat zij zelfmoord gepleegd had. Stilte. Enkele maanden later bereikte ons het bericht dat R haar gevolgd was… Het werd plots heel stil in Mechelen voor mij. Herinneringen, een aantal brieven, enkele tekeningen, een schilderij… De smeulende as van een vriendschap.
Dan was er L. Als gezegd een aantal jaren jonger dan ik. Depressie. Vermits we in dezelfde groep zaten en langzaamaan begonnen te praten met elkaar, en onze uren uiteraard samenvielen, werden we steeds closer. Een band die nog verstevigd werd toen we, met H, gedrieën optrokken. Zij steunde mij bij al die dwaze therapieën. Terwijl het voor haar was dat ik het canvas prepareerde waarop zij haar werken maakten. Want in K. ontdekte zij enige artistieke aanleg: mooie maar overwegend duistere, zwaarmoedige schilderijen. Bij mijn afscheid uit K. kreeg ik één cadeau. Haar entree in K. moet wel heel bizar geweest zijn. Het oriënterend gesprek werd gedaan door een psychiater. Hij vroeg haar naast hem te komen zitten op de onderzoekstafel, van het één kwam het ander, en hij moet haar toen verleid, ontmaagd zelfs hebben. Vreemd verhaal dat ik nooit heb kunnen plaatsen. Persoonlijk ontmoette ik de man nooit, zag hem wel soms: een knappe figuur, charmeur-allure. Dat L zoveel met mij optrok bleek een doorn in het oog van haar vader; tja waarom had zij het verteld en mij bovendien ooit aangewezen toen de man haar kwam afhalen… Hij vroeg de psychiater zelfs mij uit het ziekenhuis te verwijderen! De slechte invloed. Wat een absurde lef. Ondanks zijn beroepsgeheim vernam ik van de psychiater tussendoor, voorzichtig, dat het nu net de vader was die de oorzaak bleek van L’s problemen. De dominantie, de tirannie, geruggesteund door haar twee oudere broers. Dat zou pas helemaal een gevolg kennen toen zij uit K ontslagen werd. De voorwaarde, of dwingende suggestie, was dat zij ver van haar familie zou gaan wonen. Inderdaad. Geen terugkeer naar Oostende maar studies als verpleegster in Utrecht. Ondanks onze innige vriendschap zou dat de oorzaak worden van de verwijdering. De afstand. Telefoneren bleek onmogelijk want in dat oertijdperk bestonden uiteraard geen mobieltjes en zij had geen vast toestel ter beschikking; bovendien de kosten. Restte dus de post, enkele brieven gingen heen en weer. Maar haar leven was drastisch veranderd. Nog tweemaal zouden we elkaar ontmoeten. Een eerste keer logeerde zij een nachtje in mijn ouderlijk huis toen zij, driest, een weekendreis naar huis onderbrak. De tweede keer geschiedde in Utrecht.
Ik ging twee dagen bij haar doorbrengen. Helaas, zij bewoonde een kamer in een appartementje met twee Nederlandse meisjes, oerdegelijke Hollandse meiden tot haar en mijn ongeluk. Streng katholiek, zo degelijk dat ik zelfs gedwongen zou zijn hen op zondagochtend te vergezellen naar de mis. Om de vrede te bewaren zo fluisterde L; nu ja dat moest dan maar. Kon ik meteen de mooie dom van Utrecht bewonderen. Inmiddels had ik trouwens al begrepen hoe de machtsverhoudingen lagen. Die twee waren onverbeterlijke tirannen. En schraapzuchtig. Onvoorstelbaar: zij schaamden zich er niet voor mij te laten betalen voor de ‘huur’ van het gebruik voor één nacht van een veldbed in de keuken. Mijn mond moet open gevallen zijn toen ik het hoorde. Betalen deed ik. Desondanks bleven hun blikken vol afkeuring op mij rusten. Een man in hun flatje! Met lang haar en vreemde kleren! Nee L, dit was niet voor herhaling vatbaar; dat hebben ze haar wel flink ingepeperd. Dat kon zelfs het financieel voordeel van de verhuur van een bed niet compenseren. Ik denk dat tenslotte vooral de negatieve invloed en commentaar van die twee harpijen de doorslag gaf. Zodat de vriendschap bloedeloos ten onder ging. Totaal verwaterd was dat weekend toch niet, we beleefden een aangenaam uur in één van de voor Utrecht zo typische pannenkoekenhuisjes in de vroegere opslagplaatsen onder de kade met onze voeten bijna in het water van de gracht. Waarmee het hoofdstuk K kan afgesloten worden.
Onder de patiënten circuleerde steeds het hardnekkige gerucht dat ‘eenmaal opgenomen, je zou terugkeren’. Idee dat door de professionelen uiteraard met klem tegengesproken werd; aan hun eer en beroep verplicht! Ik dacht: mij niet gezien, eens en nooit meer. Den mensch wikt en… den mensch beschikt. Al diende ik er bijna dertig jaren op te wachten. Maar dan sloeg het ook flink toe. De afgrond was nooit zo diep, het ravijn nooit zo dreigend. En ik op het randje. In de loop van de tijd hadden veel inrichtingen het systeem K. overgenomen, keuze genoeg. Zodat ik deze keer in een decembermaand, ja die donkere dagen alweer, in M. belandde. Geen nonnen hier. Kamers voor één persoon. De mijne keek uit op de grote tuin annex vijver (wellicht en hopelijk te ondiep voor suicideplannen?). Wanneer ik uit het venster keek zag ik een levensgroot maar levenloos hert; het beest zou mij maandenlang stom aanstaren, fijn gezelschap. Zelfde lijstje therapieën, het leek of ze een kopie van K. gestolen hadden. Positief nieuws, na het intakegesprek kwamen we tot besluit dat ik vrij zou zijn al dan niet de therapieën te volgen. Dat hadden ze gedacht! Wat dan wel? Persoonlijke en groepsgesprekken, en schrijven zoals ik tenslotte reeds jarenlang deed. En lezen. En rusten. Fijn regime. Ondanks de geringe deelname aan het actieve leven werd ik toch sociaal aanvaard en opgenomen in de structuur. Meer zelfs, ik maakte er heel wat vrienden, enfin kameraden – al te diep verliepen de contacten niet. Ik las veel, ik zat veel te schrijven en – in tegenstelling tot wat ik oorspronkelijk vreesde – er werd nooit geïnformeerd naar wat ik schreef. Salon, kamer, de tuin en de rookkamer, dat waren de plaatsen waarin ik mij bewoog. Rookkamer: de maatschappij evolueerde, geen sigaretten meer in de gemeenschappelijke ruimten, rokers werden verbannen naar een ruime zaal met een enorme glazen wand die uitzicht bood op de parking en verder op de drukke autoweg. Hoe vaak ik daar ’s nachts in mijn eentje vanuit het duister naar de voorbij flitsende koplampen zat te staren… Tijdens de maanden van verblijf had ik één trouwe gezel: Rilke en zijn ‘Duineser Elegien’. “Wer, wenn ich schriee, hörte mich denn aus der Engel Ordnungen?” “Wie, zou ik roepen, vernam, uit der engelen koren, mijn stem? En gesteld dat er onverwachts een mij ter harte nam: aan zijn sterkere wezen zou ik vergaan.”
De dagen, de weken, zelfs de maanden vergleden, gelijkmatig. Even onderbroken door de festiviteiten van kerst- en oudejaarsavond die, net als in K. trouwens, passend gevierd werden met een speciaal etentje en feestje. Slechts twee gebeurtenissen verstoorden mijn routine. De eerste was wel zeer triviaal: een hardnekkige buikloop die me dwong gedurende tien dagen in mijn kamer te blijven. Toen was het welletjes en stopte men me in een ziekenwagen richting universiteitsziekenhuis (protocol: vervoer van kliniek naar kliniek diende blijkbaar zo te gebeuren). Resultaat nihil. Tenslotte ging ik op weekend, met buikloop in mijn bagage. Of medicatie niet de oorzaak kon zijn? opperde mijn wederhelft… tja dat hadden ze dan toch wel geweten! Huisdokter eventjes opgeroepen. Aha, dit medicament is mogelijk de boosdoener. Inname van die verdomde pil stopgezet en kijk…
Het andere gebeuren was ietwat minder gewoon hoewel eveneens des mensen. Een zaterdagochtend eind januari. Telefoon. Onverwacht. De verpleegster die mij roept is blijkbaar op de hoogte en blijft bezorgd in de nabijheid. Mijn eega. Moeder overleden. Zo heel plots is dat nieuws niet maar toch… Slikken en even naar buiten. Ik had toen weekendverlof en kon de kliniek zelfs uit, wat ik ook deed: de ruimte in. Een kwartiertje. Natuurlijk telefoneerde net toen mijn dierbare vrijwel onmiddellijk terug dat zij vervoer voorzien had: iemand kwam mij halen met de auto. Maar waar was ik om de boodschap in ontvangst te nemen? Mijn kamer? De afdeling? De tuin? Het ganse ziekenhuis gealarmeerd om naar mij uit te kijken… Paniek. Ook bij het thuisfront. Je weet maar nooit, een psychiatrisch patiënt blijft een… Tot ik, me van geen kwaad bewust, doodgemoedereerd (sorry), de kliniek binnen wandelde.
Met een echtgenote die de meeste praktische zaken afhandelde, een begrafenisondernemer die alles in M. kwam regelen (want na een eerste confrontatie keerde ik tot de begrafenis terug naar de kliniek), raakte alles in zijn plooi. En namen we afscheid op de tonen van ‘Dust in the wind’, in de versie van Sarah Brightman. “I close my eyes for a moment and the moment’s gone. All my dreams pass before my eyes in curiosity. Dust in the wind. Just a drop of water in an endless sea. All we are is dust in the wind.” De celebrerende pastoor ging niet bepaald akkoord met die tekst maar in filosofische discussies had ik toen weinig zin… Een hele tijd later trok ik de deur van M. achter me dicht. Definitief.

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.