Het is vandaag veertig jaar geleden dat de vroegere cabaretdanseres Vivien Grey (echte naam Ella Rees Williams) is overleden. Als Jean Rhys schreef ze met “Wide Sargasso Sea” het verhaal van de eerste mevrouw Rochester, met andere woorden de krankzinnige vrouw die verborgen gehouden wordt in “Jane Eyre” van Charlotte Brontë. (De componist Peter Maxwell Davies deed min of meer hetzelfde met “Miss Donnithorne’s Maggot”, maar dat was dan wel het waar gebeurde verhaal van een oude dame die model stond voor Miss Havisham in “Great Expectations” van Charles Dickens. Ook hier geeft dus de eenzaamheid van de vrouw die vlak voor haar huwelijk in de steek wordt gelaten de hand aan de waanzin die eruit voortvloeit. En uiteindelijk komt ze ook om in een brand!)

Alhoewel gepubliceerd in 1966 was dit het eerste boek van Jean Rhys sedert 1939, toen ze gestopt was met schrijven omdat de erkenning uitbleef (toen de BBC in 1957 “Goodnight midnight” wou aanpassen als luisterspel, ging men ervan uit dat ze al overleden was!). Het spreekt dus als het ware vanzelf dat dit een “moeilijk” boek is geworden. Het gegeven zelf is alleszins een schitterende vondst. Bovendien is het ook goed ingepast in het verhaal van Brontë. Het is dan ook geen wonder dat John Duigan in 1992 op het gedacht is gekomen om nu eens in plaats van de zoveelste remake van “Jane Eyre”, dit boek te verfilmen, jammer genoeg niet met het vervolg van Charlotte Brontë erbij. Want alleen het vrouwelijke hoofdpersonage zou veranderen. Jane Eyre zou de mistige figuur worden, die Antoinette Cosway in Brontë’s boek is.
Maar wie is Antoinette Cosway? Zij is een Creoolse erfgename van een door inteelt decadent geworden ras, waarin de krankzinnigheid inderdaad welig tiert. Ook dit heeft Rhys dus van Brontë overgenomen. Alleen wordt haar ziekte, aangezien de sympathie van de schrijfster duidelijk naar het vrouwelijke personage uitgaat, veel genuanceerder benaderd. Enerzijds is er het feit dat de haat van Rochester, als hij ontdekt dat hij er door haar én door zijn eigen familie ingelazerd is, het krankzinnigheidsproces in hevige mate versnelt. Het is een beetje het verhaal van de kip en het ei: wat kwam eerst? De haat of de krankzinnigheid? Als Rochester in een brief naar zijn vader schrijft dat hij doorheeft wat men met hem heeft uitgehaald, dan kraait de haan op het erf (p.134). Ook in het korte derde deel dat zich in Thornfield Hall afspeelt, beklemtoont Rhys hoe harteloos hij wel is in de opsluiting die zijn echtgenote ten deel valt, zelfs al zou ze totaal krankzinnig zijn.
Anderzijds is er ook de rol van de lokale “obeah”-cultus op Jamaica (wat op Haiti voodoo wordt genoemd). Er is vooral de invloed van een zekere Christophine, waarvan gesuggereerd wordt dat ze een (uiteraard onwettige) halfzuster is van Antoinette, die van de ene kant Antoinette totaal in haar macht heeft en van de andere kant ook een vloek legt op Rochester. Of eigenlijk doet hij dat zelf: “Ik zou het licht uit mijn ogen geven om dit eiland nooit te hebben moeten zien” zegt hij op p.132 en dat is natuurlijk precies de losprijs die hij zal moeten betalen om uiteindelijk toch met Jane Eyre het geluk te kunnen vinden.
In Antoinette Cosway zit ongetwijfeld ook veel van Jean Rhys zelf, die opgroeide op het Caribische eiland Dominica, en zich daar “niet als de anderen” (de inboorlingen) voelde. Maar als ze als jong meisje naar Engeland wordt overgebracht (sommigen zeggen omdat ze, net als haar broer, met een inboorling vrijde, wat van haar broer wél, maar van een meisje niet werd getolereerd), dan voelt ze zich in dat mistige land waar het eten flets smaakt, nog minder “als de anderen”.
Hoe ze in Parijs is terechtgekomen, is me niet helemaal duidelijk, ook niet na het lezen van het verhaal van Kristien Hemmerechts in “De Standaard der Letteren”, die nochtans met een studie over haar is gepromoveerd. Ze trouwt er echter wel met Jean Lenglet, eigenlijk de Nederlander Edward de Nève. Later zal hij een held van “la résistance” worden, maar op dat moment was hij nog een kleine boef, die het gezin geregeld in geldnood bracht. Zo herinnert Rhys zich dat ze nog wat schriftjes liggen heeft, die ze heeft volgeschreven. Die brengt ze naar Ford Madox Ford, de uitgever van “The Transatlantic Review”, die ze goedkeurt, “ze” zijnde zowel de schriftjes als Jean zelf, wiens minnaar hij wordt, ook al is hij op dat moment getrouwd met Stella Bowen. Het geestige is nu dat alle vier de betrokkenen een roman hebben geschreven over deze affaire. Rhys zelf gaf hem de titel “Quartet” mee (verfilmd met Isabelle Adjani in de hoofdrol), de titel van Ford is “When the wicked man”, die van Stella Bowen “Drawn from life” en Edward de Nève tenslotte schreef “Sous les verrous”. Blijkbaar was Rhys wel ingenomen met zijn versie, want zij vertaalde het boek in het Engels. Dat beviel op zijn beurt de Nève dan weer, want hij gebruikte hààr vertaling om zijn eigen boek naar het Nederlands te vertalen. Op dat moment had Rhys hem nochtans al lang verlaten. Ze had ook hun toen vierjarig dochtertje Maryvonne Moerman bij hem achtergelaten.
Zowel boek als film situeren zich in de traditie van het magisch-realisme, een genre waarin vrouwen ook vaak uitblinken. Zo b.v. Laura Esquivel (“Como agua para chocolate”, 1989), Fanny Buitrago (“Senora Honeycomb”, 1996) of Angela Carter (“The company of wolves” uit “The bloody chamber”, 1979). Typisch bij al deze werken is de erotische geladenheid ervan.

Ronny De Schepper

Referenties
Jan Brokken, “Goedenavond, mrs.Rhys”, Contact, 120 blz.
Christine Jordis, “Jean Rhys, qui êtes-vous?”, Manufacture, 1990, 222 blz.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.