Aangezien er op Eurosport toch een pauze van een week is tussen de Ronde van Romandië en die van Italië, kan ik mij nu volop concentreren op een andere topcompetitie: de Elisabethwedstrijd voor viool!

De eerste halve finale op Canvas was al meteen een schot in de roos. Katelijne Boon had als gast de jonge Belgische violist Nicolas Dupont uitgenodigd en wat ze samen te vertellen hadden, kan ik alleen maar kwalificeren als zeer interessant. Overigens, wat een prachtig Nederlands sprak deze Dupont, die nochtans blijkbaar Franstalig is, want toen hij niet op een bepaald woord kon komen, moest hij teruggrijpen naar de taal van Molière.
Nu ja, de hemelse Schepper zou dan nog Sodomma en/of Gomorra gespaard hebben voor één goei ziel, maar deze aardse Schepper gaat België niet sparen omwille van deze ene jongeman met voorbeeldfunctie…
Zoals gewoonlijk waren ook de andere gasten meestal heel bekwaam en verschaften ze deskundige commentaar. De grootste verrassing kwam echter wel van Coco Junior. Nooit gedacht dat die zoveel afwist van klassieke muziek! (*)
HET DAGHET INDEN OOSTEN
Op deze eerste namiddag traden al meteen drie kandidaten aan met Aziatische roots: de Japanse Seina Matsuoka en de Amerikanen Luke Hsu en Max Tan (familie van Melvyn?). Drie op vier. Dat was volgens Katelijne Boon ook de algehele verhouding in deze halve finales. Zelfs de enige Belgische kandidate (Sylvia Huang) is van Aziatische afkomst.
Van in de jaren zeventig is er de opkomst van de “oosterlingen”. Men kan zich vragen stellen over in hoeverre deze in staat zijn deze zo typisch westerse muziek goed te “interpreteren”, maar dat ze technisch “outstanding” zijn, dat staat vast. Barokviolist Ryo Terakado heeft daar een merkwaardige verklaring voor: Japanners en Chinezen zouden hun vingers zo behendig over de vioolsnaren kunnen bewegen omdat… ze gewoon zijn met de vingers te eten!
Toch ging de voorkeur, zowel van Katelijne als van Nicolas, zonder enig voorbehoud juist naar die vierde vertegenwoordiger: de Hongaarse Julia Pusker. Zelf was ik helaas een beetje verstrooid tijdens haar optreden en dat kwam omwille van… de vrouw die haar aan de piano begeleidde. Die had namelijk zogezegd een doorkijkjurk aan. “Zogezegd” zeg ik, want als de camera dichterbij kwam, kon men zien dat de jurk gevoerd was met een huidkleurige stof. Maar goed, mijn aandacht was afgeleid, want hiermee drong zich een aloude fantasie bij mij op (**), waarvan ik op mijn gevorderde leeftijd toch verbaasd was. Ik heb mij namelijk altijd geërgerd aan die ongeïnspireerde, clichématige popmuziek in parenclubs e.d. Hoeveel verfijnder zou het niet zijn, dat de achtergrondsmuziek werd verzorgd door een dame in doorkijkjurk aan de vleugel en een violiste in tanga op de voorgrond? Dat zou nogal wat anders zijn dan voor de zoveelste keer Enya of Enigma! (Het lijkt wel of de vinger van de DJ is komen vast te zitten tussen de EN in zijn platenbak.)
Maar goed, mijn onoplettendheid bij Julia Pusker was niet mijn enige misser van de namiddag. Terwijl Luke Hsu zich vrij onopvallend door het vijfde concerto van Mozart zwoegde, spitste ik mijn oren bij de uitvoering van Seina Matsuoka. Ik dacht: “Zou het geheim van Matsuoka (zie bovenstaande afbeelding) er soms in zitten dat zij een eigen cadenza speelt?” Maar wat bleek? Het was precies omgekeerd: Matsuoka speelde de gekende cadenza van Joseph Joachim en het was Hsu die met een eigen cadenza had uitgepakt! Maar, zoals gezegd, ook dit heb ik dus compleet gemist.
Uiteindelijk bleken de meeste kandidaten met een eigen cadenza voor de pinnen te komen (wat uiteraard een prijzenswaardige ontwikkeling is), zodanig zelfs dat er eentje bij was die de toehoorders aan het lachen kreeg door er een fragment van de Brabançonne in te verwerken.
Overigens, Mozart heeft ocharme slechts vijf vioolconcerti geschreven, zodat de keuze van het opgelegd Mozartstuk op zich al veel beperkter is dan bij de pianowedstrijd, maar op de koop toe mochten het tweede en het derde niet worden uitgevoerd, omdat ze in vorige edities te veel aan bod waren gekomen!
Over het opgelegd Mozartwerk stelde Katelijne Boon overigens een vraag die mijn oren deed spitsen: “Is het eigenlijk wel nodig dat er een dirigent (Jean-Jacques Kantorow) is bij de vioolconcerti van Mozart? Zou het niet veel interessanter zijn dat de kandidaten zelf concertmeester zouden zijn?” Ze verwees daarbij naar een blog op Canvas.be van Wolfgang Heiremans en ik ben die natuurlijk gaan opzoeken. Dit is het betreffende fragment:
“Toch een kleine persoonlijke kanttekening bij deze Mozartuitvoeringen: ik vraag me af of het niet interessant zou zijn om het concerto zonder dirigent te spelen. Zo krijg je
– een directer contact tussen solist en orkest,
– een groter engagement bij alle orkestleden en
– vaak een boeiende interactie tussen solist en orkest.
Zo kan je meer de ‘musicus’ ontdekken die zich achter de ‘violist’ schuil houdt. Zeker in een concerto van Mozart waar het samenspel tussen orkest en solist toch niet onoverkomelijk moeilijk is, zou dit echt wel mogelijk moeten zijn. Er zijn verschillende wedstrijden waar dit al gebeurt, misschien een idee voor de toekomst?”

Een prachtig voorstel, waar ook onze vriend Nicolas Dupont zich volledig kon achter scharen! Maar het merkwaardigste van de avondsessie vond ik de Caprice die Eugène Ysaye had geschreven naar een originele compositie van Camille Saint-Saëns. Niet omwille van het stuk zelf, noch van de uitvoering door Yoo Jin Lee, want dat was voor mij zowat het hoogtepunt van de avond, maar wel omdat we gedurende een hele tijd enkel het klavier en de handen van de pianist in beeld kregen, af en toe afgewisseld met het achterwerk van de dame die de bladzijden moest omdraaien. Wat was er hier aan de hand? Was de camera die op de violiste gericht stond uitgevallen? Of was de regisseur in slaap gevallen?
Het in beeld brengen van het achterwerk van “page turners” (***) kan alleszins niet gebeuren wanneer de pianisten gebruik maken van een tablet. Op Facebook vroeg ik me af: “Kan iemand me eens uitleggen hoe zo’n tablet met partituur werkt (b.v. tijdens de Elisabethwedstrijd). Ik heb de pianist eens in het oog gehouden en die nooit een beweging zien maken, waarbij ik dacht: nu roept hij een volgende pagina op…”
Erik Vercauteren antwoordde daarop: “Met een voetpedaaltje (bluetooth) kan je dat doen.” en Piet Martens voegde daaraan toe: “Er zijn apps voor muzikanten waarin je de scrollsnelheid van de partituur kan instellen en zelfs laten bepalen door de app zelf. Geen besturing meer nodig dan.”
Hoe dan ook, tot slot moet ik ook nu weer columnist Wolfgang Heiremans bijtreden op Klara als hij schrijft: “Toch één kleine bedenking: We hebben vandaag al vier uitvoeringen kunnen beluisteren van de Mozartconcerti. De strijkers van het Orchestre Royal de Chambre de Wallonie spelen bijzonder verfijnd en attent, maar hoe is het mogelijk dat we nog niet één uitvoering gehad hebben zonder technische problemen bij de houtblazers…” Al moet ik er meteen aan toevoegen dat Heiremans een beetje overdrijft. Eigenlijk ging het enkel om de hoorns in het eerste vioolconcerto van Mozart.
A SHORT HISTORY
In 1937 werd de eerste Ysaye-wedstrijd voor viool georganiseerd. Het werd vooral een Russisch succes. De vier Belgische deelnemers daarentegen maakten geen indruk. Idem dito als een jaar later er ook een wedstrijd voor piano wordt georganiseerd. Ondanks de achtste plaats van André Dumortier besluit men dat het zo niet langer kan en wordt de muziekkapel Koningin Elisabeth opgericht met het doel de Belgische muzikale elite beter op te leiden. Door de oorlogsomstandigheden komt er echter geen wedstrijd meer tot in 1951, wanneer dan meteen ook beslist wordt de wedstrijd om te dopen tot Koningin Elisabethwedstrijd en waarbij de twaalf finalisten verplicht worden zich in de Kapel terug te trekken om zich voor te bereiden.
Aangezien de parallel met grote sportmanifestaties duidelijk aanwezig is, wordt hier ook een vierjaarlijkse cyclus opgezet met oorspronkelijk na de viool- en pianowedstrijd ook een compositiewedstrijd en het vierde jaar géén wedstrijd. Het NIR/INR-orkest begeleidde de kandidaten tot de splitsing. Dan nam het Nationaal Orkest over.
In 1964 behaalde Jean-Claude Vanden Eynde het tot dan toe beste resultaat voor de Belgen: hij werd derde. Het leek wel alsof Koningin Elisabeth was gerustgesteld, want in november van het jaar daarop stierf ze.
Het jureren gebeurt anoniem met uitschakeling van de hoogste en de laagste notering. Toch sluit dit subjectiviteit niet uit. Dat de kandidaten ongezien spelen, zoals in het orgelconcours van Magdeburg, is natuurlijk niet mogelijk, maar juryleden zouden toch verantwoording moeten afleggen voor hun punten.
De Elisabethwedstrijd wordt niet officieel gesubsidieerd, maar via de Nationale Loterij eigenlijk toch weer wel. Verder worden de prijzen ook door de diverse instanties toegekend, met het half miljoen van koningin Fabiola op kop en met daarin dus ook prijzen van de nationale (2de met 400.000fr) en de regionale regeringen (5de met 250.000fr). De derde prijs wordt door de Europese Gemeenschap toegekend (350.000fr) en de vierde door graaf de Launoit (300.000fr). De organisatie van de wedstrijd neemt ook de kost van de dirigent op zich (een half miljoen) en van supplementaire muzikanten. In 1993 gingen voor het eerst ook de inkomsten van alle nevenrechten (de uitzendrechten b.v.) integraal naar de orkestleden, nadat die daarvoor bij een vorige gelegenheid actie hadden gevoerd.
De zwaarste kost van de Elisabethwedstrijd is echter die voor de jury. Nochtans krijgen de zeventien leden slechts hun verplaatsings- en verblijfskosten betaald en daar bovenop de som van 8.000fr per dag, wat uiteraard veel minder is dan wat ze met een concert kunnen verdienen.
De tweede post is de lokatie, ook al worden het conservatorium en de “kapel” gratis ter beschikking gesteld. Voor het Paleis voor Schone Kunsten daarentegen dient te worden betaald, precies omwille van de financiële moeilijkheden waar het zelf reeds inzit.
De kapel, waar voor de rest van het jaar door achttien leraars aan negen leerlingen (!) hoger muziekonderricht wordt gegeven, is eigendom van de familie de Launoit. Het onderwijs wordt er, conform de eis van koningin Elisabeth, volstrekt gratis gegeven, zelfs het verblijf en het voedsel. Rudolf Werthen logeerde er van 1965 (hij is dan 17) tot 1968 en vertelt dat men zelfs een limousine met chauffeur ter beschikking had om naar concerten te gaan. Daartegenover stond dan wel een kadaverdiscipline. Toch waaide ook daar (een klein beetje) de wind van mei ’68 en is de hele groep eens een serenade gaan geven voor een aangrenzend meisjespensionaat, waarna ze door de militaire politie werden opgepakt en teruggebracht.
Alhoewel men nog steeds volstrekt “objectief” te werk wil gaan (enkel de grootste talenten komen in aanmerking, van eender welke rang of stand, van welke nationaliteit ook), wordt er reeds van deze stelregel afgeweken door een “vrijwillige” bijdrage te vragen “naar draagkracht en vermogen” van de geselecteerden. Toch kan men zich voorstellen dat daar bovenop nog de nodige sponsors dienen te worden gevonden. De staat zorgde destijds voor zes miljoen Belgische frank, zijnde de helft van het budget, de beide regio’s staan elk voor zowat 5% in (dat kan schommelen, want zij betalen enkel voor studenten uit hun regio, in 1993 waren dat b.v. één Vlaming en twee Franstaligen, naast vijf buitenlanders), zodat 40% dient te worden gezocht in de privé. Dat gebeurt via een vzw die voor een symbolische frank per jaar de kapel huurt van Graaf Jean-Pierre de Launoit. De voorzitter van de Elisabethwedstrijd in opvolging van zijn vader Paul, die een “vriend” was van koningin Elisabeth, is “voor de kost” directeur van CLT (Compagnie Luxembourgeoise de Télédiffusion). Een dochteronderneming hiervan is RTL, waar hij dan ook in de raad van beheer zit, net zoals in die van Petrofina, Wagons-Lits, Gaumont en Brussel-Lambert. Van Royale Belge is hij ook voorzitter.
Een derde kost is de studieweek in het kasteel van Terhulpen (tussen de halve finales en de finale), die zich vooral tot de verliezers richt, die daar tegen een zeer lage vergoeding bij de juryleden om tekst en uitleg kunnen gaan. Wegens de lage prijs is dit ook een verliespost. En tenslotte dienen de “pleegouders” te worden vermeld, zonder wie de wedstrijd eigenlijk niet mogelijk is. Zij houden er (terecht) wel vrijkaarten aan over, wat naast de overweldigende belangstelling van de pers de vraag doet rijzen of er eigenlijk wel betalende toeschouwers in de zaal zijn!
Over dat toch wel speciale publiek gesproken: in de wandelgangen werd er druk gepronostikeerd en over prestaties gesproken op een manier die me behoorlijk op de heupen werkte. Ik was wellicht de enige muziekrecensent die tevens sportjournalist was, maar ik had de indruk dat dit laatste mij soms meer van pas kwam dan mijn concertervaring. Als ik b.v. merk dat er meer belangstelling is voor het bekendmaken van de finalisten, dan voor het liedrecital dat eraan voorafging, dan zie ik wel brood in het organiseren van avonden waarop voor de pauze de resultaten van de Ronde van Frankrijk en nadien de nationale voetbaluitslagen worden voorgelezen!
Sedert het einde van de jaren tachtig wordt onder druk van Gerard Mortier en José Van Dam ook een Elisabethwedstrijd voor zang georganiseerd.
COMPETITIE-ELEMENT
In het algemeen kan men trouwens de wedstrijdformule in vraag stellen. Wat de pianisten aangaat verklaarde Robert Groslot in “Wat is er van de sport?” b.v. dat er tijdens de Elisabethwedstrijd wellicht zelfs doping wordt genomen (****), ook al noemt men het niet zo. Men kan zich dan ook afvragen wat iemand kan bezielen om nog aan zo’n wedstrijd deel te nemen. Het antwoord is heel simpel. De concurrentie in de pianowereld is zo groot geworden dat men zich blijkbaar gewoonweg verplicht voelt! Dat is ook wat alle kandidaten aan Fred Brouwers vertellen, want uiteraard houdt niemand van wedstrijden op zich. Maar anders krijgen ze gewoon geen kans om voor een publiek te spelen zeggen ze. Zeker niet met orkest. Vandaar ook de gemiddeld “hoge” leeftijd, sommigen zijn vaak al de dertig gepasseerd.
Nigel Kennedy:Wat muziek en sport gemeen hebben is het teamwork. Ik speel niet individueel, ik speel altijd met andere musici. Het verschil is dat er geen competitie in muziek bestaat. In sport heb je winnaars en verliezers. In muziek heb je geen winnaars en verliezers. Dat Elisabeth-concours voor jonge musici is een schandvlek voor de muziek. Een jury velt het vonnis. Iemand met oorspronkelijke invallen, komt nooit door de eerste schifting, ze kijken naar technische prestaties. Maar muziek gaat over communicatie, niet over techniek. (…) In zo’n jury gaan plaatsnemen, getuigt al van grote arrogantie. En van een verkeerde visie op muziek maken: jonge musici leren dat ze beter moeten zijn, anderen moeten verslaan in een duel. Heel wat talenten lopen littekens op voor het leven. Als je een gevoelige kunstenaar bent, zul je verliezen; een ongevoelige ziel die op techniek steunt, zal winnen.“(DS Magazine, 2/7/93)
Bij piano doet dit verschijnsel zich nog nadrukkelijker voor dan b.v. bij viool, omdat het in essentie toch een solo-instrument is en als men dan faalt als virtuoos, dan rest bijna alleen nog lesgeven (men kan niet in een orkest terecht). Misschien zijn de Aziatische kandidaten daarom niet toevallig vaak vrouwen omdat die tegen hun omgeving hebben moeten rebelleren om het waar te maken.
Op die manier is het competitieve element eigenlijk natuurlijk op z’n plaats! “Men mag niet toegeven aan dat soort stress,” vindt Sigiswald Kuijken. “Het publiek trapt daar natuurlijk graag in, denken we maar aan het ongelooflijke succes van een Elisabethwedstrijd. Het is natuurlijk wel goed dat dit een aanzet is om naar muziek te luisteren, maar het competitieve element is nefast. Al is de laatste jaren de jury iets meer flexibeler geworden en krijgt men toch wat meer variëteit onder de kandidaten, zodanig dat het nu toch niet meer zo is dat degene die het vlugste kan spelen ook de gedoodverfde winnaar is.”
Maar betekent dat ook dat men fouten mag spelen?
Sigiswald Kuijken: “In mijn ogen mag men fouten spelen, al moet men het wel proberen te vermijden uiteraard. Niemand is echter onfeilbaar en als het gebeurd is, is het gebeurd. Als men grote ervaren pianisten als Wilhelm Kempf of Arthur Rubinstein op fouten in hun concerten zou gaan aankijken, dan zouden heel wat van die concerten in de prullemand mogen. Dat kàn toch niet? De echte waarde ligt toch niet in het aantal fouten dat men speelt, maar in de expressie en in de ervaring die men doorgeeft. En als men het echt niet kan, als men echt te veel fouten speelt, dan is men gewoon geen muzikant, dan spreken we daar niet meer over, zo simpel is dat.”
Eigenlijk is dit een variatie op wat componist Ferdinand Ries vertelt over de pianolessen die hij van Ludwig van Beethoven kreeg: “Als ik in een passage iets verkeerd deed, noten verkeerd aansloeg of intervallen (…) miste, zei hij zelden iets; als ik echter in de expressie van crescendo’s enz. of in het karakter van het stuk te kort schoot, werd hij boos, omdat, zoals hij zei, het eerste een ongelukje was, het andere echter gebrek aan kennis, aan gevoel of aan aandacht was.”
Ook Jos Van Immerseel houdt meer van een uitvoering met een foutje maar die aangrijpt dan van een vlekkeloze maar saaie vertolking. Hij illustreerde dit merkwaardig genoeg met een voorbeeld uit het wielrennen: als een renner valt, dan is dat niet zo erg, als er maar spanning in de wedstrijd zit. Waarop Rian De Waal, gevat: “Ja, maar als-ie valt terwijl hij gewoon wat rondjes aan het draaien is, zou het toch niet mogen.”
De viool staat reeds sedert de oertijden symbool voor het vrouwelijke geslachtsdeel, maar meisjes hebben blijkbaar écht een voorkeur voor dit instrument. Kijk maar naar de Elisabethwedstrijd 1993 toen op de 63 deelnemers er niet minder dan 40 meisjes waren.
Bovendien is er bij de vioolwedstrijd nog een speciaal aspect. Liviu Prunaru b.v. bespeelde een Guarneri uit 1676, hem door een Zwitserse maecenas uitgeleend zolang hij woont en werkt in Gstaad. Dat is toch een onderscheid t.o.v. de wedstrijd voor piano, waarbij iedereen op dezelfde piano moet spelen. Jaap Schröder stelde dan ook voor om toch tenminste één opgelegd stuk te hebben dat door ieder op een zelfde viool dient te worden gespeeld.
Van een heel andere aard, maar even terecht, is de opmerking van Jo Paumen dat de vrouwen bevoordeeld zijn omdat ze in hun kledij reeds de sfeer kunnen weergeven, waarin zij hun keuzeconcerto zien. (Om dan nog te zwijgen van neveneffecten zoals bij Jennifer Frautschi, die bij iedere buiging haar jonge tietjes toonde aan de oude rukkers in de jury.)
Er zaten overigens dat jaar slechts drie vrouwen in finale. Ook dat is een overdenking waard. Volgens Rian De Waal kunnen vrouwen niet altijd het grote repertoire aan, precies omdat ze hun tengerheid proberen te “overcompenseren”. Zo was de Tsjech Igor Ardasev veel “vrouwelijker” dan de Koreaanse zwemkampioene Haesun Paik b.v. “Waarom dan geen Saint-Saëns gespeeld?” vroeg Rian zich in haar geval af en de mooie Japanse Chiharu Sakai gaf hem de dag nadien gelijk.
Piano geeft ook meer aanleiding tot “bekken trekken” dan viool, maar ook daar kan dat. Zoals altviolist Thomas Kakuska van het Alban Berg Kwartet zegt tegen Stephan Moens in “De Morgen” van 18/02/1994: “Op een altviool kun je eigenlijk alleen mezzoforte spelen. Speel je luider, dan krast het; speel je stiller, hoort niemand wat. Ik zeg altijd aan mijn studenten: je moet een ander gezicht trekken. Je moet een pianissimo-gezicht hebben, een forte-gezicht, maar spelen moet je altijd luid.”
Over dat ‘voor de galerie spelen’ of ‘het plafondkijken’ is trouwens heel wat te doen geweest. Dat komt immers niet eerlijk uit de muziek voort, maar is eerder berekend op een effect op het publiek. Volgens Rian De Waal wordt het zelfs aangeleerd! En Yehudi Menuhin bevestigt dit in Humo: “Ik ken een pianist die op de partituur aanduidt waar hij, om het meeste effect bij zijn gehoor te sorteren, zijn hoofd moet achteruit gooien, emotioneel moet kijken, diep moet ademen, zijn linkerhand een dramatisch ogenblik onbeweeglijk in de lucht moet laten zweven… en dat allemaal spontaan doet lijken.”
Blijft dus bij ieder individu de vraag: is het echt of is het fake?
Wieland Kuijken: “Blinden luisteren het best, denk ik. Want wij luisteren ook met onze ogen. Veel subjectiever dus. En dan heb ik het nog niet eens over de knappe violiste die op het eerste gezicht mooier speelt dan het lelijke eendje. Probeer het maar eens uit. Neem twee precies dezelfde violen en laat er dezelfde muziek op spelen. Maar schilder de ene blauw en de andere wit. Ik geef het je op een blaadje: de blauwe viool klinkt anders dan de witte. We luisteren altijd met de ogen.” (DS Magazine, 28/11/1997)

Ronny De Schepper

(*) Grapje natuurlijk. Het betrof lookalike Erik Sluys.
(**) Misschien had het natuurlijk ook te maken met de naam “Pusker”. Die wordt min of meer uitgesproken als “Poeske”. Als wielerliefhebber moet ik dan natuurlijk aan Poeske Scherens denken en je kunt je wel voorstellen welke associaties “poeske” en “scheren” oproepen…
(***) Herkende ik daarbij nu Veronique Rubens?
(****) In de Gazet van Antwerpen van 17 mei 2013 wordt hij daarin bijgevallen door Levente Kende.

Overzicht
1978
1980 de wedstrijd zelf
1980 laureatenconcert
1983
1985
1987
1991
1992
1995
1996
1997
1999
2008
2017 de eerste Elisabethwedstrijd voor cello

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.