Shoppingtripjes naar Dover, en een verblijf van twee weken in dat begeesterend stadje… dat is waarover ik het vorige keer had. Dat en zoveel meer maakte mij tot de anglofiel die ik nog steeds ben. Ondanks mijn liefde voor het zuiden die ik inmiddels ook mijn hart en ziel binnen smokkelde. Remember, twee weken logeerde ik een dickensiaanse pub nabij de haven van Dover om de rust in mijn woelige brein weer te vinden.

Een jaar later stevende ik alweer op de witte rotsen af. Deze keer in een bont, hoewel eentonig mannelijk gezelschap. Met de retoricaklassen zouden we een reis maken naar Rome. Eenzelvig als ik was, en na een ervaring twee jaren voordien, zag ik dit experiment niet zitten. Niet uit wetenschappelijk oogpunt, nog minder uit emotioneel. In mijn herinnering spookte nog een groepsreis georganiseerd door het stadsbestuur onder de vlag ‘verzustering’ richting Lucca. Met tien, een slaaptrein tot Milaan. Daarna Lucca waar we uit diverse andere zustersteden, Colmar, Schongau, Gorinchem, Abingdon nog meer deelnemers troffen. En onze gastheren. Logies: een jeugdherberg. Het ganse verblijf: voor mij een afknapper. Oh ja, enkele leuke momenten wel. Met twee vrienden, zij waren het die mij tot dit onzalige avontuur overgehaald hadden, tamelijk bezopen rond middernacht de weg kwijt en uitsluitend beseffend dat we ergens in een jeugdherberg logeerden. Of het middagmaal bij een gezin, bij de extreem blonde Italiaanse 18-jarige schone onder wier hoede mijn verblijf zo vlekkeloos (?) diende te verlopen, waar men mij onderwees professioneel spaghetti te verorberen/op te slurpen. Of de dodemansrit in de bergen, in zo’n Fiat-bolhoedje bestuurd door een jongen met één arm en aan die ene arm een hand die slechts een misvormde duim bevatte. Hij drong er vriendelijk maar dwingend op aan dat ik mijn elleboog binnen de wagen zou houden: rakelings langs de rotsen schuurde hij in volle vaart, anders foetsie elleboog. Zou hij zo zijn arm…? Hoe dan ook, echt goede herinneringen hield ik er niet aan over. Teveel mensen, teveel loos gebabbel, teveel zinloze activiteiten, teveel zinledige momenten. Zelfs de Zwarte Madonna noch de fraaie omwalling inclusief landschap konden me niet verstrooien. Ik hield er alleen een zilveren geldbeugel aan over, fijne schakeltjes, uit Milaan – voor moeder. Nog steeds een tastbaar, weggestopt souvenir. Nee mij niet gezien voor zo’n groepsreis.
Tot… tot mij ter ore kwam dat ‘de modernes’, de wetenschappelijke afdeling, een soortgelijke reis maakte. Richting Londen. En Londen, was dat nu toevallig niet de hoofdstad van Engeland, de hoofdstad van Groot-Brittannië? Aha! Kende ik iemand in die klassen, nee. Kende ik die leraars, nee. Hinderde dat, nee. Engeland wenkte. Kon ik mee naar Londen? Nooit gebeurd. Overleg met directie, met leraren, veel 5- en 6-en. Besluit: nu ja dan maar. Met bezwaren en tegenzin. Daar ging ik. Oostende. P&O. The white cliffs. Vera Lynn stond me op te wachten. “Sun’s up for when the dawn comes up”. En daar was het opnieuw, het heerlijke parfum van de haven: teer, zee, jodium, mijn persoonlijke Chanel nr.5. Paspoortcontrole. Douane. En toen liep het fout. Want – in het bestek van dat ene jaar was mijn uitzicht enigszins gewijzigd; net als mijn innerlijk. Het hippiedom sloeg toe. Lang haar, ietwat buitenissige kleding, kortom ik viel op in de massa. Teveel naar de zin van een dienstklopper van een douanebeambte. Open die valies! Alles er uit. Nee geen smokkelwaar, zelfs geen drugs. Inladen maar weer; en met krijt een reuze wit kruis op mijn bagage (ja krijt hadden ze daar voldoende met hun rotsen). Een tip: indien je naar Engeland reist, teken dan een wit kruis op je valiezen eer je de douane voorbij gaat, denken ze dat een ander je reeds controleerde, handig!
Helaas, inmiddels was het ganse gezelschap uiteraard zonder omzien lustig verder gestapt richting trein die ons naar Londen zou brengen. In zeer gezwinde pas: “das Wandern ist des Müllers Lust” moeten ze gedacht hebben, wisten die cultuurbarbaren van de modernes veel dat dit een Duits lied was, dat je dit best niet te luid zong in Engeland of je belandde in de Tower. Enfin ik op een holletje er achteraan, puffend, mét mijn valies (onderbroeken voor twee weken). Hadden ze gewacht? Op mij? De vreemde eend in de bijt… Onbekend bij leraars en bij leerlingen. Dat dacht je maar. Niemand meer op het perron. Twee treinen? Welke… oh deze naar Londen. Fluitsignaal. De trein langs. Ik panikeerde al: hier sta ik, geen ticket, geen adres in Londen… toen een tweede fluitje snerpte gooide iemand een deur open, een knaap had mijn vertwijfelde blik gezien en herkend. Ik kon mits enige hulp nog net in de wagon hoppen. Fraai begin. Logeren deden we in de YMCA, Great Russellstreet. Zouden daar de schimmen nog rondwaren van Charles Dickens en van de dichter Shelley; ze woonden beide in deze straat. In ieder geval bevond zich daar het British Museum en dat zullen we geweten hebben! Net zoals we zouden kunnen vaststellen dat er iets bestond als de Tate Gallery. Voor mij minder een probleem die twee instituten, ik kon er mee leven, meer zelfs ik verzoende mij er mee. Maar het merendeel van de kunstminnende bende waarmee we op stap waren, die straalde verveling uit, en gaf daar ook openlijk lucht aan. Nee, een succes werd de plastische opvoeding niet. Terwijl ik aan die bezoeken een eeuwige (enfin toch tot heden nog in leven) liefde overhield voor de magistrale luchten van Turner, zijn zo wisselende tinten waarmee hij de zee poëtiseerde. En eenzelfde passie voor Kandinsky, totaal anders uiteraard: abstracte, grillige vormen die mijn warrig brein vreemd genoeg tot rust brachten en nog steeds brengen.
Voor het British Museum hoefden we niet ver. Andere uitstappen daarentegen! De underground. Hemeltje hoeveel liters Vlaams zweet die twee leraars gelaten hebben om hun ganse meute tijdig in de metrostellen te duwen nadat zij eerst min of meer ongeordend in de Britse queue hadden gestaan tot schande van het ganse Gemenebest. Wel waren we geïnstrueerd: raakten we de groep kwijt dan dienden we in dat bepaald station uit te stappen alwaar men zou wachten tot het allerlaatste verloren schaap bij de nerveuze herders weergekeerd was. Hadden die twee dan toch een lesje geleerd uit mijn bijna fatale avontuur in Dover? Ook hadden ze ons, als voorzorgsmaatregel, elk voorzien van een opvouwbaar plan van de Londense underground – het kon niet meer fout gaan. Tenzij we daar zelf voor zorgden natuurlijk. Maar zo heldhaftig waren we nu ook niet. Dus huppelden we braafjes mee naar de musea. En naar het theater. Shakespeare. A Midsummer Night’s Dream. Men had slechter kunnen kiezen, voor ons toch: een niet al te zwaar stuk, nog net boeiend genoeg. En dat het een voorstelling door een amateurgezelschap betrof… het budget van het college zal niet zo mega geweest zijn. Al vraag ik me toch af of men de latinisten ook afgescheept heeft met een toneelstuk van Plautus of van Euripides door de lokale ‘Kunst veredelt’? Daar werden we geconfronteerd met één der Britse geplogenheden: tijdens de pauze schoof iedereen rustig aan voor een kopje thee met een plakje cake. Iets anders was niet verkrijgbaar. Raar volkje. De leraren konden opgelucht ademen, dit experiment bleek wonderwel geslaagd. Te wijten aan? Jetlag misschien? Op naar een volgende avondactiviteit, met gerust gemoed. Muziek, daarvan houden ze hoe dan ook. Een opera. Die verliefdheid bleek van korte duur. Het schorremorrie uit Vlaanderen maakte zoveel kabaal, lachte zich een breuk toen de dikke diva haar eerste smartelijke noten de zaal in slingerde, gaf zich over aan onbeheerste – voor de andere operaliefhebbers gelukkig onbegrijpelijke – commentaren, dat we na nauwelijks een kwartier vriendelijk en zelfs hoffelijk maar daarom niet minder dwingend verzocht werden de zaal, in casu ‘de uil’ (het mocht ook hier niet veel kosten) te verlaten. Onstuimig en opgelucht gelach steeg op uit veler kelen, diep schaamrood steeg op naar de wangen van de twee volwassenen die aan deze minuten een trauma voor het leven overhielden en na terugkeer in het vaderland de ene langdurig onder psychiatrische begeleiding kwam, de andere prompt een ander beroep koos en zich vestigde als pottenbakker.
Ik denk dat ze het daarmee wel een beetje hadden. In ieder geval herinner ik me niet dat er nog meer aan onze culturele opvoeding gesleuteld werd toen. Nee, ze gaven er de voorkeur aan ons zonder begeleiding (“oef we zijn hen kwijt, misschien lopen ze allemaal verloren”) los te laten in de onmetelijke gevaarlijke ruimte die Londen heette. De meesten dwaalden één of twee straten ver tot ze een geschikte pub vonden. De meest roekelozen en avant-gardisten wilden wel eens wat meer. Dus togen we met enkelen – ja uiteindelijk had ik toch enkele soortgenoten opgesnuffeld binnen die nogal saaie bende – naar Carnaby Street. Het mekka van al wat vooruitstrevend was, het mekka van de hippies, het mekka van de muziek, de rare kleding, ja zelfs van de drugs. Als een vis in zijn aquarium, zo voelde ik mij er. Zodat ik ’s avonds naar het YMCA terugkeerde als trotse eigenaar van twee attributen, made by Carnaby Street. Een blouse in namaak satijn, kleur tussen oranje en roze, dubbel zo wijd als nodig (min of meer), met kristallen (enfin glazen) knoopjes, manchetten die als franjes over mijn handen neervielen. Opzichtiger kon niet. Ongetwijfeld zou zelfs Jimi Hendrix hiermee niet op het podium durven verschijnen. Ik dus wel. In ieder geval wel in de YMCA, in de straten van Londen, én later in Vlaanderen. Tweede item: een badge met de tekst ‘I’m an LSD addict’. Niet dat ik LSD gebruikte, verre van. Maar uitdagend was het wel. En opgespeld stond het leuk en trok het de aandacht… én het was aangeschaft in Carnaby Street, Londen, Engeland. Wat wou ik nog meer. De krijtrotsen wenkten, de P&O lag te wachten, de vuurtoren van Oostende zond zijn signaal uit: huiswaarts.
Op mijn volgende trip naar het geliefde Albion zou ik nog enkele jaren moeten wachten. Een niet onbelangrijk detail: inmiddels zou ik ook gehuwd zijn. De bestemming was deze keer Wick, een onooglijk plaatsje in het uiterste noorden van Schotland. Wick voor de duivel? Inderdaad Wick. Ooit hadden we, de geëerde blogmaster die telkenmale dit ‘Hoekje van opa…’ onder zijn behoedende vleugels plaatst, het zalige idee samen een roman te schrijven. Geen nood beste lezer, tot publicatie is het nooit gekomen. Laat daarin nu door ons snoodaards ene jongedame Patsy Legrand spoorloos in zee verdwenen zijn nadat haar bootje omsloeg ergens ter hoogte van Wick. Wou ik haar, of haar resten, gaan zoeken. Geen haar op mijn hoofd… Maar Wick intrigeerde me. En ik nam mijn wederhelft op sleeptouw; niet letterlijk – we kochten een ticket voor de P&O zodat zij comfortabel mee kon. Waren er geen mooiere bestemmingen. Vermoedelijk warmere, mooiere, waar meer te zien en/of te beleven was. Uiteraard, duizenden. Maar Wick zou het worden en Wick werd het. Helaas, gehuwd: niet alleen genoten mijn ouders geen kindergeld meer voor mij, ik zelf kon niet meer gratis reizen dankzij die royaal uitgestrooide tickets van de RTT; het zou de eerste maal zijn dat ik voor de overtocht naar Engeland de P&O diende te betalen. En zeggen dat Caesar het zo’n 2.000 jaren geleden wel gratis voor mekaar kreeg. Enfin, troostte ik me, die andere dictator – recenter, was er dan toch helemaal niet in geslaagd voet op het eiland te zetten. En wij dus wel. Ongeveer waar ooit Caesar landde. Maar wij stootten dadelijk door: Londen. Zonder enig idee hoe Wick te bereiken. Vragen dus. Hoorde het in Keulen of nog veel verder donderen… Opzoeken. Ach ja, ander treinstation en daar trein naar Edinburgh. Daar trein tot Wick blijkbaar. Hophop. Taxi. Ticket naar… en daar gingen we alweer. Gelukkig met een behoorlijke vaart. Want afstanden, daarmee hadden we geen rekening gehouden. En proviand, die hadden we niet bepaald voorzien. Reizen bleek niet onze sterkste kant. Desondanks arriveerden we in de stad van de meest fiere burcht, van de doedelzakken en de kilts. Doodmoe en hongerig en dorstig.
Doorstoten naar Wick? Een treinreis van een dag met een boemel spiegelde men ons voor; bovendien: er was voorlopig niet eens een trein. Dan maar nachtlogies gezocht en eten, kuieren langs Princess Gardens – nee dat kasteel viel tegen: uitgerekend nu gesloten wegens de grote taptoe. Was er eens iets te zien, dan klapt het hek dicht voor je neus. Volgende ochtend vroeg het echte copieuze ontbijt, ik vreesde dat we de lokale specialiteit haggis zouden voorgeschoteld krijgen, zo fanatiek bleken de Schotten nu ook weer niet, oef. Dan de boemel in. Een zo aftands exemplaar dat ik verwachtte dat ieder ogenblik vanonder een bank nog een kind zou opduiken dat in WO II hiermee vanuit Londen geëvacueerd was naar het platteland. Met een locomotief die harder pufte dan dat houten speelgoedlocje Thomas maar geen hogere snelheid leek te halen en vast minder milieuvriendelijk was dan zoals beloofd voor de kinderversie. En het was weekend. Bleek dat deze trein volgestouwd was met arbeiders die in Edinburgh hun kostje verdienden en na vijf dagen naar hun heimat weerkeerden, in casu één of ander dorpje op de lijn tussen de big city en Wick. Lawaai. Gelukkig was een knaap in onze wagon de fiere eigenaar van een cassettespeler en van zegge en schrijve één volledige cassette. Maar welke cassette: ‘Never a dull moment’ van Rod Stewart, na of samen met The Beatles mijn idool. Laat maar draaien dus. En dat deed hij ook, opnieuw en opnieuw en opnieuw. ‘Angel’ en het wondermooie ‘I’d rather go blind’. Langzaam door het Schotse landschap in een trein die zich traagzaam ledigde, dorp na dorp. Met een onderbreking toen we door een brandend bos dienden te rijden: er moest een krachtiger locomotief ingeschakeld om met hogere snelheid door de vlammen te razen. Toch nog iets beleefd gedurende die uren… Tien uur ’s avonds. Wick. Donker. Twee verlaten hulpeloze reizigers plus nog 1 jongedame stappen uit, dat is het laatste potentieel van de TGV Edinburgh-Wick. Vlug de dame aanklampen, zij is allicht een local. Of zij misschien… ja even verder hing toch nog een bordje dat er kamers vrij waren, probeer daar eens.
Even later serveerde Pam ons thee en biscuits in het gastensalon, had haar echtgenoot ons de ruime kamer getoond, en zakten wij onderuit. Hier zullen wij gedurende twee weken onze tenten opslaan. Want er was heel wat te doen in Wick! Wandelen, wandelen en nog meer wandelen. Dit leek Dover wel. Geen sikkepit was er te zien. Niets gebeurde er. Restaurants waren er niet. We zullen twee weken teren op het royale ontbijt, op brood (enfin zelfs hier was Mother’s Pride doorgedrongen, oh Schotland waar is der vaadren fierheid heen gevaren?), kaas en tomaten; en op de door medelijden gedreven volop door Pam verstrekte zoete en zoute biscuits met koffie bij wijze van dagsluiting. Vertelde ik al dat in huis een lieflijk dochtertje rondkroop, Amanda, een hartstelertje; via kind bereik je de moeder, wellicht vandaar de voorkeurbehandeling. Wat meeviel: we hadden een warme zomer uitgekozen. Nooit beleefd zo’n temperatuur, vertelden ons de ingezetenen, nooit meegemaakt zo wekenlang geen regen… inderdaad Italië, Spanje, in Schotland was het te doen dat jaar. En hier hebben ze tenminste die lekkere Scottish biscuits, en die veelkleurige cakes.
Toch was het soms spannend. De aankomst van de vissers en hun vangst. Wandelen langs de kliffen met de waarschuwing dat de zeemeeuwen soms konden aanvallen, opletten dus. En wij die het beeld voor ogen hadden van de vredelievende Jonathan Livingston Seagull. Toen ontdekten we dat de lokale elite zich verheugde op een jaarlijks georganiseerde uitstap: inschrijven bij een soortement reisagentschap. Bestemming: het kasteel van de Queen Mother Victoria: Balmoral. Zo’n unieke kans konden we niet laten voorbijgaan. Dus opgepropt tussen de oudste bewoners van Wick, enkele ongetwijfeld terminaal, in een autobus die zich bij iedere heuveltop de vraag stelde “doe ik het of doe ik het niet?”, zo stoven we richting Aberdeen, naar de residentie van de koninklijke familie. Prachtige tuinen. En in een kamer mochten we ook een kijkje nemen. Dat hadden we dan weer gehad. Laat ik niet vergeten dat gedurende die twee weken ook een groots evenement plaatsvond: een dansavond voor de jeugd. Wijle daarheen, dat mocht ons niet ontgaan. Een ruime zaal. Links stoelen tegen de muur, rechts nog meer stoelen. Duffe muziek. Dansen, oh maar? Wel een pauze: inbegrepen in de prijs, stoempaardappelen met spruiten. Een lokale specialiteit??? Of een gek geworden kok? Tradities moeten bewaard worden, ten koste van wat of wie dan ook… en het was een welkome afwisseling na zoveel avonden biscuits van Pam!
Natuurlijk hadden we genoten van de reis, de rust, de natuur. Denk niet dat Wick een afknapper was. Helaas de tijd was om. En we kwamen tot de ontdekking dat de Britse spoorwegen meer in petto hadden dan men ons in Londen had voorgespiegeld. Via Glasgow konden we met een nachtelijke sneltrein in luttele uren (of iets meer) de hoofdstad bereiken en doorstoten naar Dover. Wat hielden we over aan de reis? De herinnering uiteraard. Een plan dat hier nog ligt met daarop middels een kruisje het logies aangeduid. Een schildje van Wick zoals je kleeft op de auto (die we niet bezaten). En een niet zo onbevlekte conceptie die zoveel jaren later nog een bijzonder tastbaar bewijs en uitzonderlijk exemplaar van die reis oplevert; en die meteen mijn wederhelft een zeeziekte bezorgde op de P&O-terugvaart.
Ach Engeland. Inmiddels ben je toe aan de brexit. Wat een onzalig idee. Maar denk niet dat je mij kwijtraakt. In geen geval. Al hou ik niet van de shuttle, de tunnel; al blijf ik er bij dat je de White Cliffs traag moet veroveren middels een langzame overvaart, ik heb jou en de jouwen in mijn hart gesloten. Misschien huur ik nog ooit een huisje in Gasoline Alley, deze van Rod Stewart. “Should the blood run cold in my veins, don’t bury me here, it’s too cold; take me back, carry me back down to Gasoline Alley…”.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.