Het is vandaag ook 155 jaar geleden dat de Duitse componist Jakob Liebmann Meyer Beer, beter gekend als Giacomo Meyerbeer, is gestorven. Hij was een van de succesvolste operacomponisten uit de 19e eeuw en de voornaamste vertegenwoordiger van de “grand opéra”.Maar Meyerbeer was artistiek gezien tot meer in staat dan wat het grote publiek kon waarderen. Dat hij zich niettemin aan de smaak van het publiek aanpaste, kunnen we hem moeilijk kwalijk nemen. Het gevolg van deze concessie is wel geweest, dat de belangstelling voor zijn werken in de twintigste eeuw vrijwel volledig verdwenen is en Meyerbeer alleen nog als een historische figuur beschouwd werd. Wellicht is het tijd voor een herontdekking.

Meyerbeer groeide op in Berlijn als zoon van de Joodse bankier Juda Herz Beer en Amalie Beer (geboren Malka Lipmann Meyer Wulff). Zijn broers waren de zakenman en amateurastronoom Wilhelm Beer en de schrijver Michael Beer. Jakob werd reeds jong als pianist opgeleid door Franz Seraphinus Lauska en Muzio Clementi. Hij begon als muzikant op te treden op zijn negende.
Latere compositiestudies werden geleid door kapelmeester B.A.Weber, vervolgens door Carl Friedrich Zelter en vanaf 1810 door abbé Vogler in Darmstadt, waar hij Carl Maria von Weber als schoolgenoot kreeg. Oorspronkelijk schreef hij verschillende religieuze composities en cantates, zoals “Gott und die Natur”. Vanaf 1810 signeerde hij met ‘Meyerbeer’.
Zich toeleggend op dramatische compositie – waaraan hij zich later volledig zou wijden – schreef hij de opera “Iephthas Gelübde”, die voor het eerst in München werd opgevoerd, maar lauw werd onthaald. In 1813 trok hij naar Wenen om zich tien maanden aan studie te wijden bij Antonio Salieri. Hier maakte hij deel uit van een supergroep die de première verzorgde van de zevende symfonie van Beethoven: “The orchestra was led by Beethoven’s friend, Ignaz Schuppanzigh, and included some of the finest musicians of the day: violinist Louis Spohr, Johann Nepomuk Hummel, Giacomo Meyerbeer, Antonio Salieri, bassoonist Anton Romberg, and the Italian double bass virtuoso, Domenico Dragonetti.” Daar ook schreef hij zijn tweede opera, “Die beiden Kalifen”, die in Wenen en Stuttgart maar weinig succes oogstte. Vanaf nu zou hij naar het voorbeeld van Gioacchino Rossini zijn ernstig artistiek en technisch streven ombuigen in een meer toegankelijke en zintuiglijk bevallige vorm.
In 1814 trok Meyerbeer naar Parijs en tegen het eind van 1815 naar Italië, waar hij een aantal opera’s in de Italiaanse stijl en voor de Italiaanse markt zou schrijven, waarvan de partituren bewerkt werden door Rossini.
Terug in Parijs in 1824 ging Meyerbeer samenwerken met de Franse librettist Eugène Scribe, wat resulteerde in de opera “Robert le Diable”, die in 1831 in Parijs in première ging en op enorme bijval bij het publiek kon rekenen. De samenwerking met Scribe zou een productieve periode inluiden waarin Meyerbeer uit de schaduw van zijn grote voorbeelden Rossini en Auber kon treden. De muziek versterkte steevast het verhaal en de dramatiek en was prachtig gearrangeerd. Zij was melodieus, energiek en contrastrijk.
Zijn tweede grote werk op een tekst van Scribe werd begin 1835 voltooid, maar zou pas in 1836 worden opgevoerd als “Les Huguenots”. Het overtrof zijn vorige opera qua inventiviteit, dramatiek en techniek en behaalde zowel in Parijs als in de rest van Europa een daverend succes. Zijn derde grote opera was “Le prophète”, die voor het eerst in 1849 te Parijs werd opgevoerd en vervolgens op alle grote Duitse podia werd gebracht.
In 1850 schreef Richard Wagner in het Neue Zeitschrift für Musik “Das Judentum in der Musik”, waarin hij aan zijn afkeer voor Giacomo Meyerbeer (die hij eerst had bewonderd) een “ideologische” verklaring wil geven.
Toen Meyerbeer in Parijs de première van zijn twintig jaar oude maar nog niet opgevoerde opera “L’Africaine” voorbereidde, stierf Meyerbeer onverwachts. Zijn lichaam werd – zoals bij testament bepaald – bijgezet op het Joods kerkhof aan de Schönhauser Allee te Berlijn.
Meyerbeers testament bepaalde ook dat zijn aanzienlijke nalatenschap werd nagelaten aan minder fortuinlijke kunstenaars. De Meyerbeer Stichting zou elke twee jaar een wedstrijd organiseren voor veelbelovende Duitse componisten, met als inzet een beurs voor een studieverblijf van zes maanden in Italië en de steden Wenen, München en Dresden. (Wikipedia)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.