Ik ben een anglofiel! Welk vreemd insect mij geprikt heeft, geen idee. Natuurlijk was er de muziek, de Britse pop, the Beatles aan top, en al die andere 60-er jaren songs die de decennia moeiteloos overleefden. Hoewel ik toen hoofdzakelijk luisterde naar Franse radiostations, France Inter en Europe nr. 1; maar die draaiden veel Engelse muziek naast de Franse (inmiddels ook klassiekers) en in het Frans vertaalde Engelse nummers.

Bizar dus want ik was sentimenteel verknocht aan Engeland terwijl ik cultureel veeleer de zuiderse toer opging: de antieken, Grieken, ‘thalassa thalassa!’ of toch liever Sappho “Oh kom naderbij Cypris, neem een amphoor en schenk in een gouden beker de nectar vermengd met vreugde”, de latijnen, Caesars ‘De bello Gallico’, of liever de schandaalkronieken van Suetonius. Dan met een hink-stap-sprong over de commedia van de goddelijke Dante. En later de Franse literatuur, Racine, Molière, Hugo (zou de schim van Quasimodo tussen de inmiddels verkoolde balken van de Notre Dame nog op zoek zijn naar zijn geliefde Esmeralda?) , Proust (ach gun mij weken om nog eens ‘A la recherche du temps perdu’ te herkauwen), de Goncourt (wat zou ik graag aanschuiven aan een diner van deze twee roddeltantes, nu ja roddelbroers)… ik verslond alles. En meteen de plastische kunsten. De Engelse cultuur bleef op een zijspoor, King Arthur (op zoek naar de Graal mijn ganse verdere leven), Shakespeare, Dickens (medelijden met de knaapjes snoerde mij de keel weliswaar dicht, ach Oliver Twist, ach David Copperfield), Joyce (al zou ik nog wel orgaanvlees zoals lever lusten, na ‘Ulysses’ moest je mij geen niertjes voorschotelen – eeuwig verbonden met de urinegeur die boven deze van het bakvet uitsteeg), Bronte: aanwezig maar minder expliciet.
Eerlijk gezegd, doorslag gevend was wellicht iets heel wat banaler. Net zoals ik met mijn vader vaak naar Aken reisde, gratis dankzij de treinticketten van de RTT, beschikten we over passagebiljetten voor de schepen Oostende-Dover. En zo’n drie of vier maal per jaar togen we op weg, wij beiden, inschepen op de P&O te Oostende, voor een tocht van drie uren – eerst langs de kust tot Frankrijk en dan de overtocht tot Dover. Ah het zien van de krijtrotsen! Die aanblik, telkens weer. Mijn hart sprong op. Sindsdien stond de stem van Vera Lynn in mijn ziel gegrift. De tekst van Nat Burton, muziek van Walter Kent (Dover, graafschap Kent… what’s in a name). The white Cliffs of Dover. “There’ll be bluebirds over the white Cliffs of Dover. Tomorrow, just you wait and see… Sun’s up for when the dawn comes up.” Dat betoverende, onvertaalbare woord, bluebirds, magisch… Terwijl de reden van de reis heel wat prozaïscher was. Veel RTT-ers ondernamen de trip. Buiten de terratoriale wateren werd de shop geopend en meteen bestormd, door Engelsen richting Dover, door Belgen bij de terugkeer richting Oostende: alcohol, parfum, sigaretten, dat waren de gegeerde taksvrije objecten. Uiteraard was de hoeveelheid die je mocht meenemen beperkt maar wie stoorde zich aan het bordje bij de shop dat die cijfers vermeldde. En bij ontscheping in Oostende keken de douaniers met een lachje naar al die brave ambtenaren met hun gratis ticket en hun uitpuilende buidels. Arriveren in Dover was eveneens een sensatie: een lange overdekte vuile wandelgang, de geur van jodium en teer. Dat parfum, men zou het misschien een stank kunnen noemen, voor mij was en is het meer waard dan een Chanel of Dior; kon dit maar gecommercialiseerd worden! Dover zelf, veel tijd restte er nooit. Een korte wandeling door de straten. Eten deden we op de boot met de meegebrachte picknick waarin steevast hardgekookte eieren en ‘bouletten’ naar keuze met en zonder ajuinsnippers, gebakken in het frituurvet. Nee, een toeristische uitstap werd het niet. Wel kreeg ik ooit een grote dubbeldekbus die de decennia overleefd heeft, mooi exemplaar. We moesten alweer inschepen, en even later in de rij, drummen en haasten want de tijd was beperkt… sigaretten, alcohol, parfum… Leve P&O. Rule Britannia! Zes uren varen, en een korte tussenstop op Britse bodem – desondanks was ik verliefd.
Niet zo verwonderlijk dat ik in moeilijke tijden net daar troost zou zoeken. En zo’n hard moment diende zich aan. Zeventien jaar, depressie, neerslachtigheid, whatever… ik zag het niet meer zitten. De professionele hulp had me al een week in mijn eentje naar zee gestuurd. Vergeefs. Engeland lonkte. P&O wenkte. Dover zwaaide met een witte zakdoek van overgave, witter dan zijn rotsen. Ik vertrok. En arriveerde. Met mijn valies vol propere onderbroeken voor twee weken; boeken; schrijfgerei. En voldoende Britse ponden. Zo snoof ik het heerlijke parfum op nadat ik zag en hoorde: the white cliffs. Daar stond ik, op Doverse bodem, in de Doverse haven. Zonder problemen met de douane, dat zou later anders zijn. En met een vrijgeleide van mijn ouders, tja nog minderjarig… Een kwartier later stapte ik een pub binnen: B&B had ik gelezen, daar zou ik wel terecht kunnen. Een rondborstige kastelein, zijn magere echtgenote, een duo zo weggelopen uit een Victoriaanse roman. En de pub zelf idem. Een kamer, uiteraard. Ontbijt, jazeker. Ik werd een smalle trap opgeleid, een klein kamertje getoond: bed, kast, tafeltje, stoel, pietepeuterig raam, maar: Engels, Dickensiaans! Hoe lang ik wou blijven? Twee weken… Hun mond viel eventjes open. Doorgaande reizigers ja, die waren ze gewoon, één hooguit twee nachten. Maar… wat doe je in hemelsnaam twee weken in Dover, hoe verzin je het. Dat zou ik me later ook afvragen. Wandelen, wandelen en nog wandelen. De straten, de eentonige en troosteloze straten van dat havenstadje in alle richtingen doorkruisen. Het strand, enfin de kiezels, in de zon liggen kon ik daar ook niet. En de burcht bezoeken, die was toen niet toegankelijk voor het publiek terwijl hij nu uitgegroeid is tot een toeristische attractie.
Rustig was het wel; en sfeervol. Lezen kon ik ook. Eten evenwel? De dag begon weliswaar met een typisch Engels ontbijt, alles erop en eraan. Spiegelei, spek, worstjes, witte bonen in tomaatsaus, warme tomaat, toast, jam, koffie. Geserveerd door de gastvrouw die inmiddels op de hoogte was van de reden van mijn langdurig verblijf. Maar daarna. Een echt restaurant was op mijn kruistocht doorheen de stad niet te vinden. Een enkele pub serveerde wel de beruchte pork pie, zo’n soortement taart met zo’n soortement stoofvlees van onbekende herkomst, koud of warm naar gelang je papillen het wensten te verdragen. En ik ontdekte een milkbar waar de jeugd van Dover zich na schooltijd bleek te verzamelen. Er stond een jukebox, een flipperkast, én je kon er benevens frisdranken ook eten krijgen. Of voedsel, laat ik voorzichtig blijven in het hanteren van de termen. Boterhammen met tonijnsalade, het brood was wellicht dit van Mother’s Pride, het kleffe brood dat 90% der Britten consumeerde. Maar ook: frieten met hamburger. Kleffe frieten. Mals broodje met dun schijfje samen geprakt ‘vlees’. Uiteraard zonder groenten. Wel met ketchup, veel ketchup, teveel ketchup. Zo heb ik dus veertien dagen ketchup gegeten met iets erbij. Terwijl de jukebox schalde, de jeugd brulde, de cola lauw was. Dat ik desondanks verliefd bleef op Engeland – geef toe, ik ben een volhouder!
De avonden waren lang daar in Dover. Mijn kamertje in feite te klein om me er steeds in terug te trekken, en drank had ik er ook niet. Dus daalde ik af en zat ik telkens in een hoekje met een grote pint ‘lager’ voor mijn neus. Te lezen. Wellicht bizar voor de allochtonen, zo’n jonge snuiter die urenlang (enfin tot 23u denk ik, het verplichte sluitingsuur toen) zat te lezen midden al dat stijgend dronkemansrumoer. Toen de bel geklonken had en een schreeuw aangekondigd had “last orders please”, iedereen verdwenen was, nam de patron de logés mee naar zijn salon om nog na te keuvelen en op zijn kosten iets te drinken. Een enkele keer liet ik me verleiden deel te nemen aan zo’n heksensabbat; ik begreep nauwelijks wat er in het radde Engels gezegd werd, en wat ik begreep bleek mij zo mateloos te interesseren dat ik van verveling op een bezem wou wegvliegen. Nee. Misschien was ik beter ingegaan op het aanbod van een jonge knul die me al gevraagd had of ik voor The Beatles of voor The Rolling Stones was, een keuze van leven of dood blijkbaar in het Engeland van die jaren; kon het mij wat maken… ik hield van de eerste maar apprecieerde de andere evenzeer. Kon niet, mocht niet. Enfin mijn ‘gesprekspartner’, zelden een idioter Brit ontmoet, nodigde mij uit om naar buiten te gaan en een robbertje te vechten, qua tijdverdrijf. Ik moest hem aan het verstand brengen dat ik daar niet zo voor te vinden was; aan het verstand? Meer avonturen beleefde ik niet gedurende die reis. Een saaie trip? Helemaal niet. Ik genoot iedere dag. Het besef in Engeland te zijn, de taal te horen, te weten dat ik daar thuis hoorde. Ik keerde opgeknapt naar huis terug. Met droefheid zag ik de white cliffs verdwijnen aan de horizon terwijl de P&O in rechte lijn op Oostende toevoer.
Evenwel diende ik niet lang te wachten eer ik Vera Lynn opnieuw zou horen zingen. Hoe dat kwam… voor dat verhaal, beste lezer dient u nog even geduld te oefenen. Tot een volgend ‘Hoekje van opa Adhemar’. Is dit – om in de sfeer te blijven – geen ‘cliffhanger’?

3 gedachtes over “Het hoekje van Opa Adhemar (10)

  1. Ik heb Romaanse Talen gestudeerd maar merk ook heel hard dat ik anglofiel ben. Ik ga heel graag met mijn zus naar Londen. We verdrinken er in cultuur; weekends zijn er te kort en in plaats van met een afgevinkt lijstje te vertrekken, komen er steeds dingen bij die we willen zien, bezoeken, proeven. We sluiten altijd af met “de volgende keer…” Nu ik in de 30 ben vraag ik me af of ik niet beter Germaanse had gestudeerd… Londen/de UK voelt zo “thuis” aan, alsof ik er in een vorig leven vertoefde. Ik vraag me trouwens af wat de gevolgen van de Brexit zullen zijn…

    Geliked door 1 persoon

  2. Mooi verhaal. De authenticiteit kan nog net iets beter, want….. P&O bestond nog niet in de dagen van Adhemar, ben ik quasi zeker.
    Onze eerste overtocht vond plaats in 1975. Met de trein vanuit aalst naar Oostende, en effectief door die stinkende gang naar de boot, voorbij de douane….. om uiteindelijk inj Knebworth te belanden, ‘near Stevenage’, waar wij Pink Floyd mochten aanschouwen….
    Het hele verhaal komt er nog,….. maar P&O, nee dat kan niet, want de boten maakten toen nog deel uit van onze Belgische vloot, en hadden klinkende namen als ‘Prins Filip’.

    Like

  3. Mooi verhaal. De authenticiteit kan nog net iets beter, want….. P&O bestond nog niet in de dagen van Adhemar, ben ik quasi zeker.
    Onze eerste overtocht vond plaats in 1975. Met de trein vanuit aalst naar Oostende, en effectief door die stinkende gang naar de boot, voorbij de douane….. om uiteindelijk inj Knebworth te belanden, ‘near Stevenage’, waar wij Pink Floyd mochten aanschouwen….
    Het hele verhaal komt er nog,….. maar P&O, nee dat kan niet, want de boten maakten toen nog deel uit van onze Belgische vloot, en hadden klinkende namen als ‘Prins Filip’.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.