De Roemeen Liviu Prunaru (foto Res Musica) was de tweede laureaat in de Elisabethwedstrijd 1993. Hij was dat jaar mijn favoriet.

Hij is begonnen op zes jaar (zijn moeder speelde altviool), studeerde bij Alberto Lysy en Yehudi Menuhin (beiden jurylid, Lysy, wiens assistent hij is, heeft hem zelfs aangespoord deel te nemen).
Hij speelde (samen met Daniel Blumenthal) een niet zo vaak gespeelde sonate van Mendelssohn (ontdekt door Menuhin trouwens) en het concerto nr.3 van Saint-Saëns, waarmee hij in Italië al een wedstrijd had gewonnen. In de halve finale had hij ook al succesvol een “caprice” van dezelfde componist gespeeld.
Hij bespeelt een Guarneri uit 1676, hem door een Zwitserse maecenas uitgeleend zolang hij woont en werkt in Gstaad. Dat is toch een onderscheid t.o.v. de wedstrijd voor piano, waarbij iedereen op dezelfde piano moet spelen.
Hij is vooral op basis van zijn muzikaliteit in de finale geraakt, want in de halve finale heeft hij “un accident de mémoire” gehad bij het Mozart-concerto. Nochtans zou hij de stress moeten aankunnen, want het is een typische wedstrijdviolist. Dit was zijn zeventiende! Dat maakte hem wel zo ontspannen dat hij in de Kapel zowat acht uur per dag schaakte! Zijn andere hobby’s: voetbal, tennis en literatuur.
Na het plichtwerk waren de vier panelleden het reeds eens dat dit de beste deelnemer was tot nu toe. De Mendelssohn was de mooiste sonate tot nu toe (ook dankzij Blumenthal en vooral door het samenspel van die twee) en bovenal, zoals Sigiswald Kuijken het formuleerde: voor het eerst zagen we eens iemand die zich (en dus ook ons) amuseerde op het podium!
Over het concerto van Saint-Saëns waren de meningen een beetje verdeeld (of laten we eerlijk zijn: Geraets ligt graag in de contramine, ’t zou anders geen Hollandse zijn) ook al omdat het concerto zelf nogal “licht” is, maar als zowel Rudolf Werthen als Sigiswald Kuijken het erover eens zijn dat zijn linkerhand misschien niet zo ontwikkeld is als zijn rechterhand, maar tegelijk zeggen dat indien dat wél zo was, dat we dan de grootste van dit ogenblik zouden horen, dan zegt dat toch iets.
Wel was Kuijken niet te spreken over dirigent Ronald Zollman en uiteraard sloot Werthen zich daar weer bij aan. “Je zou beter een dirigent nemen die al die concerti al kende,” zegt hij. “Mij b.v.” hoor je hem denken. ’s Anderendaags zegde ook Prunaru dat Zollman te traag ging. Het kostte hem de Sternefeldprijs (hij was “pas” derde). Op de RTBF kreeg hij wel de Stehmanprijs (prijs van de kijker).

Vijftien jaar later vonden we Prunaru terug als concertmeester van het Concertgebouworkest van Amsterdam. En op 27 februari 2008 was hij te gast in De Rode Pomp. Hij speelde er samen met zijn landgenote de pianiste Dana Protopopescu het “scherzo-tarantelle” van Henryk Wieniawsky. En de Amerikaanse cellist Alan Black voegde zich dan bij hen, zodat ze samen drie pianotrio’s konden uitvoeren: de “sérénade lointaine” van George Enescu (alweer een Roemeen), het dumky-trio van Antonin Dvorak en het trio op.8 van Johannes Brahms.

Ronny De Schepper

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.