Vandaag viert de Amerikaanse filmregisseur Francis Ford Coppola zijn tachtigste verjaardag…

“Dementia 13” is het “ernstige” debuut in 1963 van Francis Ford Coppola, die debuteerde als assistent van Roger Corman (sommigen, b.v. the internet movie database, noemen hem ook de echte regisseur van Cormans “The Terror”, uit datzelfde jaar, maar vroeger). Eveneens in opdracht van Corman had hij in 1962 van de Russische SF-film “Nebo zovyot” uit 1960 met een paar additionele scènes een Amerikaanse versie gedraaid, “Battle beyond the sun”. Men kan hierbij de wenkbrauwen fronsen, maar op die manier leert men wel het vak!
Dat was minder het geval in datzelfde jaar (1962) als hij ook “additionele scènes” draait bij de Duitse film (met de Engelse titel) “The bellboy and the playgirls” van Fritz Umgelter. Aangezien dit een seksfilm is, kunnen we immers enkel maar gissen over de aard van die “additionele scènes”. Voor “Tonight for sure” uit hetzelfde jaar staat hij zelfs als enige regisseur gecrediteerd, maar ook dit is een seksfilm, die zich deze keer afspeelt (als dat de juiste woordkeuze is) in Twilde Westen. Toen ik pas achttien was geworden, móést ik natuurlijk een seksfilm gaan bekijken. Dat was dan in het beruchte Leopoldje in Gent. Ik herinner me de titel niet meer, maar het was ook een western en, alhoewel er wel meerdere seksfilms zullen gedraaid zijn die zich in de Far West afspeelden, I like to think dat ik een van de weinigen ben die dit debuut van Francis Ford Coppola heeft gezien…
Coppola brak echter pas echt door met “The Godfather” naar het boek van Mario Puzo in 1972. Er wordt wel eens smalend gezegd dat “The Godfather Saga” beter “The Coppola Saga” zou heten. En dat niet alleen omdat buiten vader en zoon ook Francis’ zus Talia Shire, zijn dochter Sofia en zelfs het dochtertje van zijn overleden zoon Gio van de partij zijn. Nee, men zegt dat vooral omdat de drie Godfather-films heel nadrukkelijk verbonden zijn met het al dan niet floreren van Coppola’s filmmaatschappij Zoetrope. Gesticht in 1970 samen met George Lucas (de latere regisseur van “Star Wars”) kende dit bedrijf aanvankelijk veel succes o.a. met Lucas’ “American Graffiti”. Coppola’s films zelf deden het niet zo goed tot hij door Paramount bijna verplicht werd om de eerste “Godfather” te draaien. Het werd meteen de meest rendabele film in de geschiedenis (op dat moment). Nadien kende de firma ups and downs door de nogal eigenzinnige projecten van Coppola, maar o.a. via het al even grote kassucces van “The Godfather II” kon men het hoofd voorlopig toch nog boven water houden. In 1982 ging Zoetrope echter over kop door de flop van Coppola’s high tech musical “One from the heart”. Eigenlijk had Coppola dus al geen zin om de eerste “Godfather” te regisseren, laat staan een tweede en een derde. Maar het ziet er naar uit dat hij deze “Godfather” van stal haalt, telkens als het hem financieel niet erg voor de wind gaat. Dan koppelt hij zijn talent aan zijn instinct om geld binnen te rijven.
Dat was ook het geval in 1990 toen hij “The Godfather III” draaide. Tegenover Barry Norman (BBC) zei hij het heel eerlijk: zonder financiële druk was deze “Godfather III” er niet eens gekomen. Coppola maakt daar overigens geen problemen rond: reeds op de UCLA Film School werd hij door zijn medestudenten scheef bekeken omdat hij “exploitation movies” draaide. Zij wilden allemaal Grote Kunst brengen. Dat wilde hij ook wel, maar in afwachting bleef hij liever niet met zijn vingers draaien. Dat hij in eerste instantie alleen maar “nudies” (van porno kon men in die tijd nog niet spreken) kon draaien, deed er niet toe. (Voor de verzamelaars: zijn naaktfilms zijn later samengevoegd tot één film van een min of meer conventionele lengte en met als titel “Come on out”.) Dat hij ook vele B-films heeft gemaakt, meestal onder de hoede van Roger Corman, daarop zijn collega’s als Steven Spielberg of George Lucas nu zelfs jaloers.
“Ik heb inderdaad veel geld verdiend door films,” zegt Coppola verder nog tegen Barry Norman, “maar ik heb het altijd opnieuw in de filmbusiness geïnvesteerd. Soms heb ik er zelfs mijn broek aan gescheurd. Maar zo hoort het ook. Voor mij geen vijf cadillacs, drie zwembaden en een privé-jet. Dat laat ik liever aan anderen over.”
Over de casting van zijn 18-jarige dochter Sofia was heel wat te doen. Ook ik vond het een vreselijke miscast (een vader vindt zijn eigen dochter altijd een “beauty”), maar eigenlijk was ik wel blij dat Francis niet onder de druk van de studio is bezweken om Madonna voor de rol te engageren. Daarbij, Sofia was a.h.w. voorbestemd om de rol te spelen: ze was immers ook reeds te zien in de eerste “Godfather”, namelijk als de boreling in de ietwat uit de hand gelopen doopplechtigheid.
“The Godfather Saga” heeft in zijn totaliteit iets weg van de Shakespeariaanse koningsdrama’s, die via bepaalde personages ook allemaal met elkaar verweven zijn. Daarnaast verwijst met name “The Godfather III” ook wel naar “King Lear”, waarin de oude koning afstand doet van zijn rijk. Hier eindigt de parallel, want aangezien Michael Corleone zelf altijd naar respectabiliteit heeft gestreefd, worden zijn bezwaren tegen de keuze van zijn zoon Tony, die een carrière als operazanger boven die van mafiabaas verkiest, snel van tafel geveegd. Idem voor het “conflict” (met kleine c en met heel grote aanhalingstekens) met zijn dochter Mary, die verliefd is op haar neef. Het is precies die neef die Corleone’s imperium zal erven, maar hij moet dan wel zijn “claim” op de dochter laten varen. Dat doet hij ook zonder veel morren en bovendien komen enkele dramatische omstandigheden alle verdere commotie dan nog in de kiem smoren.
Wat dit aspect van het scenario betreft, kan men dus ongetwijfeld stellen dat het duo Puzo-Coppola een aantal mogelijke conflictsituaties onvoldoende heeft uitgebuit. Helemaal ongelukkig ben ik daarmee niet, want daarnaast zijn al die familietoestanden niet helemaal duidelijk in deze film. Eigenlijk zou je vooraf de twee vorige Godfathers (toch al uit respectievelijk 1972 en 1974!) nog eens moeten gaan bekijken. Maar is dat niet wat veel gevraagd van de gemiddelde filmliefhebber?
Auteur (en nu ook scenarist) Mario Puzo heeft zich wel op erg glad ijs gewaagd door reële feiten in het verhaal te verweven. Dat de Corleones betrokken zijn in het schandaal van de Vaticaanse “Banco Ambrosiano” kan er eventueel nog in, maar dat ze tevergeefs hebben gepoogd om de moord op paus Johannes-Paulus I te verhinderen (september 1978), daarmee kan men alleen maar glimlachen, zoals ook deze “lachende” paus pleegde te doen. Het past wel allemaal in de middeleeuwse sfeer van de “onorévole società” zoals de mafia op Sicilië wordt genoemd. Hoezeer wij de gedragingen van de Corleones ook als gangsterpraktijken mogen beschouwen, voor de Sicilianen is de Don, de Godfather, de peetvader dus, een soort van middeleeuwse leenheer die zijn eigen erecode moet volgen en waaraan ook de vazalen dienstbaarheid zijn verschuldigd in ruil voor bescherming. Vandaar dat Michael Corleone (Al Pacino) als jongste zoon nog verder gaat dan zijn vader Vito (Marlon Brando). Diens strijd tegen de drugs betekende weliswaar zijn ondergang, maar zijn imperium was toch opgebouwd dankzij speelholen en ontucht. Voor Michael gaat ook dit nog te ver: om respectabel te worden, heeft hij ook die “business” van de hand gedaan en wil hij nu een immobiliënimperium opbouwen. Daarvoor heeft hij de steun van de kerk nodig en dankzij wat “goede werken” krijgt hij die ook… tot blijkt dat er ook in het Vaticaan vertakkingen van de “extreme” mafiosi zetelen. (Prachtige rol overigens van de oude Eli Wallach als Don Altobello, de man die achter de schermen alle touwtjes in handen heeft: zowel Corleone zelf als die “Vaticaanse” tak als de meer op straat opererende Joey Zasa, ook al een knappe vertolking van Joe Mantegna.)
Vrouwen zijn overigens in dit soort producties bijna van geen tel. Dat geldt zelfs voor iemand als Diane Keaton als Michaels ex-vrouw Kay. Talia Shire als zijn zus Connie krijgt in een kleiner rolletje dan toch de kans zich nog iets meer te profileren. De voornaamste rollen zijn echter weggelegd voor de Mannen (met hoofdletter!).
Toch heeft ook hier, zoals in andere recente films (“Don Giovanni” in “The bonfire of the vanities”, “La Traviata” in “Pretty woman”, “La Bohème” in “Moonstruck”, “Madama Butterfly” in “Fatal attraction”, “Samson et Dalilah” in “Slam dance” enz.) de ontknoping wat te maken met een opera. Deze keer is het de prachtige “Cavalleria Rusticana” van Pietro Mascagni, waarin Michael Corleone’s zoon, Tony, de hoofdrol mag vertolken. De opera wordt zogezegd opgevoerd in Palermo (Sicilië), maar wordt met zo’n Amerikaanse tongval gezongen dat het echt niet mooi meer is. De enscenering loopt (ten behoeve van de film) ook enigszins uit de hand, maar toch slaagt men er niet in de prachtige muziek kapot te krijgen. Dat de moord in de opera zou samenvallen met een moord in het operagebouw stond natuurlijk reeds bij voorbaat vast, dat is a.h.w. een van de conventies als zo’n opera in een film wordt geïntegreerd. De film wordt dan echter méér opera dan de opera zelf omdat het niet één moord is, maar werkelijk een cavalcade, die alleen wordt overtroffen door de onwaarschijnlijke moordaanslag met een helikopter op het banket van de “commissie” (lees: de mafia).
Muziekliefhebbers zullen er zich allicht ook aan ergeren dat de muziek van Mascagni voortdurend wordt doorkruist door de filmmuziek van Carmine Coppola, de vader van de regisseur. Verder mogen ook de nazaten van Nino Rota nog een graantje meepikken, want het oeroude thema duikt hier en daar natuurlijk nog wel eens op (*).
Net als in King Lear zal de bastaard uiteindelijk recht trekken wat krom is. Op het einde van de film wordt hij als nieuwe Godfather gehuldigd, na Marlon Brando, Robert de Niro en Al Pacino, drie acteurs waarvoor Andy Garcia een grote bewondering koestert. Voor Garcia is een “part four” dus een grote betrachting, voor mij hoeft het echter niet meer. Voor Francis Ford Coppola al evenmin, voor hem is het Godfather-verhaal definitief afgelopen met de dood van Michael Corleone, maar als hij weer eens in geldnood zit, weet je nooit.
Nadien volgen nog “Gardens of stone”, “The outsiders” en “Dracula”. Deze laatste film werd gedraaid voor Columbia Pictures, daar waar Coppola tot nu toe uitsluitend voor Paramount heeft gewerkt. Maar van Columbia kreeg hij 1,14 miljard frank en “that was an offer he couldn’t refuse”. Ook al omdat hij naar eigen zeggen “niet wil eindigen als Orson Welles” die door niet toe te geven aan bepaalde commerciële eisen, uiteindelijk géén film meer kon draaien.
“Dracula, the untold story” werd dan ook gedraaid naar een scenario van James V.Hart en met muziek van Wojciech Kilar. De rolverdeling: Gary Oldman als Dracula (omdat Jeremy Irons en Daniel Day-Lewis niet vrij waren; Coppola liet zich dan beïnvloeden door Oldmans vertolking in “Sid and Nancy”); Winona Ryder (Mina), die dus een herkansing krijgt nadat ze door ziekte moest afzeggen voor “The Godfather III”, zodat Coppola daarin zijn omstreden dochter plaatste; Anthony Hopkins (Van Helsing); Keanu Reeves (Jonathan); Richard Grant (Seward); Sadie Frost (Lucy); Tom Waits (Renfield) en Cary Elwes (Holmwood).
Coppola’s “untold story” stond zo stijf van seks (de kledij-ontwerpen van Eiko Ishioka gaan terug op schilderijen van Gustav Klimt en andere symbolisten uit de tijd van het ontstaan van het boek, 1897) en geweld dat de film niet door de sneak-preview geraakte. Een deel van het publiek werd zelfs misselijk en moest de zaal verlaten. De aangepaste versie was merkwaardig genoeg lànger.
Dat het een parabel over aids zou zijn, ontkent Coppola. “Er zit wel een verwijzing in naar de venerische ziekte, waaraan Stoker overleed,” zegt hij. “Het enige verband met aids is echter dat ik met de opbrengst van deze film eindelijk een film over die problematiek zal kunnen draaien.” De werktitel hiervan is “Cure” en het gaat voornamelijk over de zoektocht naar een vaccin. En met wie? Dat weet hij nog niet: “De ironie is dat ik de jonge acteurs die ik aan een carrière hielp zoals Robert de Niro, Al Pacino, Tom Cruise of Matt Dillon niet meer kan betalen.” Dit project staat op dit moment (2010) op de internet movie database nog altijd als “in development”, maar als je ’t mij vraagt zal de film er nooit komen…
Wat “Dances with wolves” deed voor de western, deed Francis Ford Coppola’s “Dracula” voor de griezelfilm. Vandaar dat griezelfilms voortaan geen B-films meer zijn, maar dat de grootste vedetten van stal worden gehaald en er een speciaal budget wordt voorzien voor de speciale effecten.
Onbegrijpelijk is dat Francis Ford Coppola dit in 1996 opvolgt met “Jack”, waarin Robin Williams eruitziet als een kind van tien dat eruit ziet als een overacterende Robin Williams.
Wat de conspiratieve thriller voor de jaren zeventig was, zijn de verfilmingen van de legal‑thrillers van John Grisham voor de jaren negentig.
Toch wel merkwaardig ‑ én veelzeggend voor de huidige filmconjunctuur in Amerika ‑ dat drie regisseurs die tijdens de seventies topfilms maakten in de voornoemde paranoïde cyclus (Sydney Pollack met “Three Days of the Condor”, Alan Pakula met “Klute” en “The Parallax View”, Francis Coppola met “The Conversation”), nu bestsellers van de literaire superster John Grisham moeten inblikken om hun carrière in het spoor te houden: Pollack met “The Firm”, Pakula met “The Pelican Brief” en Coppola met “The Rainmaker”.
Keer op keer gaat het om een variatie van dezelfde (succes)formule: de held is een idealistische jonge advocaat die het kwaad bestrijdt; dit kwaad is niet zoals een kwarteeuw geleden de CIA of de overheid, maar de Big Business; de onervaren jurist ontmaskert een cover‑up; en op het eind triomfeert het goede ondubbelzinnig over het kwade. Sprookjes dus.
De vraag is natuurlijk hoeveel ruimte er nog rest voor enige persoonlijke expressie binnen zulk een vastomlijnd concept, dat zowel moreel, dramatisch als psychologisch bijzonder simplistisch is. Coppola brengt het er nog zo slecht niet vanaf, rekening houdend met de beperkingen van het Grisham‑systeempje. Dit is mede te danken aan de knappe vertolking van aankomende ster Matt Damon, die iets heel moeilijk doet: op een overtuigende manier een naïeveling spelen zonder dat we hem een idioot vinden. Damon speelt Rudy Baylor, een net afgestudeerde jurist uit het zuiden die het gevecht aangaat met een team gehaaide advocaten van een corrupte verzekeringsmaatschappij, aangevoerd door een aalgladde superadvocaat (glansrol voor Jon Voight).
“The Rainmaker” is in alle opzichten een populistische fabel over de strijd van de underdog tegen het oppermachtige systeem: de benadeelde partij is een arme familie met een zoon die leukemie heeft en stervende is.
Je voelt dat Coppola oprecht meeleeft met de kruistocht van Rudy Baylor, wiens vaak ontroerende voice‑over commentaar werd geschreven door Michael Herr (die hetzelfde deed voor “Apocalypse Now”) ‑ beslist een verbetering op het proza van Grisham. “The Rainmaker” is een David‑en‑Goliath‑verhaal voor het Amerika van de grote bedrijven, een thematiek die de regisseur van de “Godfather”‑trilogie zeker bekend klinkt ‑ zijn hele carrière staat in het teken van de ongelijke strijd tussen de enkeling‑kunstenaar en de kooplieden uit Hollywood. De sfeer in het Memphis van de lagere klassen is zeer goed getroffen en de film blijft boeien dankzij de opmerkelijke vertolkingen tot in de geringste bijrollen (onder wie Teresa Wright, Virginia Madsen en Roy Scheider).
In “The rainmaker” verwerkt Grisham ontegensprekelijk ook zijn eigen twijfels over de rol van de advocatuur. Uiteindelijk kan hij zich toch identificeren met de jonge Rudy Baylor (Matt Damon), die als hij dan toch een “rainmaker” (een zaak die veel geld opbrengt) moet binnen halen zich richt op een corrupte verzekeringsfirma die vooral arme mensen dupeert. Toch moet ook Rudy zich een beetje “verbranden”, zoals uit zijn samenwerking met de niet-afgestudeerde eeuwige rechtenstudent Deck Shifflet (glansrol voor Danny DeVito) blijkt. Alhoewel deze dus niet gekwalificeerd is, kent hij veel beter de achterpoortjes en justitiële kneepjes aan de rand of er juist over. In een sideline ontfermt Rudy zich ook over een vrouw (Claire Danes) die door haar man geterroriseerd wordt en die uiteindelijk terecht maar gerechtelijk gezien evenzeer “fout” wraak neemt…

(*) Francis Ford Coppola was such a big fan of “Rocco e i suoi fratelli” (Luchino Visconti, 1960) that he hired its composer, Nino Rota, to score his 1972 masterwork, “The Godfather”.

Referentie
Ronny De Schepper, Coppola koppelt talent aan instinct, Stepsmagazine maart 1991

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.