Roger Daltrey (foto Brett Schulz via Wikipedia), de frontman van The Who, viert vandaag zijn 75ste verjaardag.

Roger Daltrey werd geboren in Hammersmith, een wijk in West-Londen. Dit was ongeveer in dezelfde buurt die ook mede Who-leden Pete Townshend en John Entwistle voortbracht. Hij had vrij goede resultaten op school. Zijn ouders, Harry en Irene, hoopten dat hij ooit aan een universiteit zou gaan studeren. Helaas voor hen echter overtrad hij vaak de regels en was leren niet het doel van de zelfbenoemde “school rebel”.
Hij maakte zijn eerste gitaar zelf en richtte een band op, genaamd The Detours. Toen zijn vader in 1959 een (Epiphone-)gitaar voor hem kocht, werd hij leadgitarist van de band. Snel daarna werd hij, door zijn grote interesse in de rock’n’roll (en zijn wangedrag op school), van school gestuurd. Om toch wat geld te verdienen, ging hij werken in de metaalindustrie, terwijl hij bleef oefenen op zijn gitaar en met zijn bandje optrad op trouwerijen en in pubs. In die tijd was Daltrey leadgitarist, Pete Townshend ritmegitarist, John Entwistle basgitarist, Doug Sandom drummer en Colin Dawson de leadzanger. Toen laatstgenoemde uit de band gezet werd, switchte Daltrey naar zang en Townshend naar leadgitaar. De vele snijwonden die Daltrey bij zijn fabrieksarbeid opliep maakten het vlotte soleren verder onmogelijk.
Daltrey was in die tijd de bandleider. Dit was hij vooral door de reputatie die hij had opgebouwd door het gebruiken van zijn vuisten om het een en ander te bereiken. Hij kon blijkbaar aardig vechten, ondanks zijn kleine postuur. Roger Daltrey werd zelfs bijna uit de band gezet omdat hij zijn vuisten te veel gebruikte. Hij was ook degene die de muziek selecteerde die zij zouden spelen. Ze speelden vooral songs van The Beatles, sommige Motown-artiesten, James Brown en andere rockartiesten. In 1964 hielp hij mee een nieuwe naam voor de band te verzinnen. Deze werd voorgesteld door een kamergenoot van Pete Townshend: Richard Barnes. De naam luidde: “The Who”.
Toen The Who in 1965 haar eerste platencontract in de wacht sleepte met haar single “I Can’t Explain”, begon Townshend andere muziek te schrijven en begon de dominantie van Daltrey af te nemen. (Hun tweede single, “Anyway, Anyhow, Anywhere”, was de enige song waarin Daltrey en Townshend samenwerkten.) Terwijl Townshend zich ontwikkelde tot een van de beste componisten in de rockwereld, was Daltreys zang het instrument waarmee Townshends visies werden verspreid en kreeg Daltrey zelf een reputatie als een sterke vocalist. Zijn aparte gewoonte om op het podium zijn microfoon als een lasso rond te zwaaien werd een iconisch beeld.
Daltreys expressie van jeugdige woede, frustratie en arrogantie in de single “My Generation” legde de revolutionaire sfeer van de zestig vast voor veel jongeren over de gehele wereld en werd het handelsmerk van de band. Later werd zijn schreeuw aan het eind van “Won’t Get Fooled Again” een belangrijk moment voor de band.
Toen The Who midden in hun succesperiode zat, bleek dat Daltrey vaak de andere leden moest beschermen tegen het gebruik van drugs en alcohol, omdat hij (terecht) meende dat het hen (en de band) zou vernietigen. Zo heeft hij ooit de pillen van drummer Keith Moon door de wc gespoeld en toen Moon protesteerde, hem met één vuistslag knock-out geslagen.
In oktober van het jaar 1973 ontstond er veel frictie tussen Daltrey en Pete Townshend. Dit was vooral te wijten aan het feit dat Daltrey enigermate succes boekte met zijn solocarrière en dat Townshend terneergeslagen was door de flop van “Lifehouse” en het maken van “Quadrophenia”. Omdat er zoveel spanningen waren tussen de twee, heeft Townshend tijdens een opnamesessie Daltrey met zijn gitaar op zijn hoofd geslagen na Daltreys geringschattende commentaar op de opnametechniek van “Quadrophenia”, waardoor zijn stem niet optimaal klonk. Daltrey reageerde hierop door Townshend – weer met één enkele hoek – bewusteloos te meppen, later gememoreerd in het nummer “Goodbye, Sister Disco”.
Bij alles wat The Who bereikt had (zoals de rockopera “Tommy” of het album “Who’s Next”), was Daltrey het gezicht en de stem van de band. Daarnaast heeft Daltrey in zo’n 30 films gespeeld, waaronder de grote rollen in “McVicar”, als een gewapende Britse dief die in journalist John McVicar verandert, en in “Lisztomania”, als de Hongaarse componist Franz Liszt. En natuurlijk als Tommy in de gelijknamige rock-opera.
In het theater heeft hij gespeeld in: “The Wizard of Oz” (als de tinnen man), “A Christmas Carol” (als Scrooge) en in een BBC Radio 2 productie van “Jesus Christ Superstar” (als Judas). In 1986 speelde hij in de televisieserie “Buddy”, in 1999-2000 in “Rude Awakening” en in de serie “Highlander” speelde hij de onsterfelijke Hugh Fitzcairn, een van de beste vrienden van hoofdpersoon Duncan McLeod.
Daltrey heeft als producer van een al jarenlang geplande filmbiografie van Keith Moon de komiek Mike Myers gerecruteerd voor de hoofdrol. (Wikipedia)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.