Vorige keer had ik het over die zomers aan zee. Maar er waren ook winters in die jaren. De winter dat was vooral de periode van kerstmis. En later, heel wat jaren later, raakte die tijd verbonden met één boek dat ik dan telkens herlas: ‘Eline Vere’ van Couperus. Die sfeer, dat dromerige, dat zoet-zwoele, dat verdovend-zwangere, ach die betoverende Eline. En Vincent, en Otto van Erlevoort, ik zie al die figuren telkens voor mij verschijnen, in het salon, of op hun uitstapjes naar zee.

Maar ik wil het over mijn vroegere kerstbelevenissen hebben. De verrukking van de opgetuigde boom met glinsterende ballen en een zilveren vogeltje dat met een clips treurig aan een tak vastgehecht zat. En de lampjes! Die toen nog niet wisten te flikkeren. En al helemaal niet van kleur veranderen: stel je voor dat we hen toen hadden zien wijzigen rood – blauw – groen, we hadden gedacht dat de duivel in de boom gevaren was! Natuurlijk stond er ook een kerststalletje. Handmade, door vader. Die absoluut geen knutselaar was. Opgetrokken uit schors en twijgjes, puur natuur. Onhandigheid plus primair materiaal: levensechter kon niet; een vervallen schaapstal kon er niet aan tippen, in miniatuur dan. Zelfs de gelikte beeldjes, vermoedelijk gekocht in de Sarma (de Lidl van die tijd), misstonden als te proper. Dat stalletje stond op de schouw, tussen watten, de sneeuw. Die schouw, een monumentaal geval dat je in een burgershuis niet echt verwachtte. In het midden een kolenkachel ingeschoven. En links en rechts ingebouwde kasten tot schouderhoogte, met glas afgesloten; ze konden op slot maar waren het nooit. De ene deed dienst als bar, de andere als bibliotheek. Daarin stonden de obligate encyclopedie, een aantal romans (vooral een reeks van het Davidsfonds, wellicht ooit op ingetekend), enkele exemplaren ‘Nobelprijswinnaars’ (idem?). In enkele romans trof ik, ouder geworden, wel enige mild-erotische passages aan, en in de encyclopedie van Winkler Prins ook behoorlijk wat suggestieve trefwoorden. Ik moest toch ergens de mosterd vandaan halen en Goedele Liekens was nog niet geboren. Maar ook dat was later. Die schouw: midden bovenop prijkte een stenen olifant met een horloge in zijn buik. Afgrijselijk. Waarschijnlijk een huwelijksgeschenk, hoop ik, zodat ik mijn ouders er niet van hoef te verdenken dat ze dat onding zelf gekocht hebben. Tenzij het gewonnen is op de kermis, al is dat geen excuus om het zo’n prominente plaats te gunnen.
En dan werd het kerstavond. Die bestond uit een feestmaal. Met de zelfbereide kroketten (door vader, koken kon hij wél) naar recept van de Boomse kokkin Ferdine over wie ik ooit nog moet schrijven. De rest van het maal varieerde, kroketten waren de constante. En daarna de pakjes. Ieder had toch wel zo’n vijftien pakjes, variërend: met grappige verrassingen, met snoep, en met echte geschenken… De middernachtmis zat er niet in, zo’n kerkgangers waren we blijkbaar niet al hing er aan de deur van mijn slaapkamer een wijwatervatje.
Na kerst was er oudejaar! Dat werd naar verhouding vrij sober gevierd. Niet wat eten betreft: er doken opnieuw kroketten op. Maar de overvloed van pakjes bleef uit, beperkt tot één of hooguit twee echte geschenken. Helaas werd er bij de RTT op oudejaar nog gewerkt zodat de laatsten daar meestal elkaar voor een afscheidsdrink (afscheid van het jaar dan) troffen in hun stamcafé. Gevolg: vader arriveerde steevast te laat thuis en licht in de wind. Moeder nerveus, slecht gezind. Enigszins gespannen sfeer die zo snel mogelijk werd weggegeten. Waarna we naar de radio luisterden, een boek lazen, een gezelschapsspel bovenhaalden, en vader met zware benen en zware oogleden zich gedeisd houdend in zijn zetel zat weggekropen. En we niet te laat naar bed gingen want: morgen naar de familie van vader in Boom!
Met de trein en de bus, een hele onderneming. Warm ingeduffeld. Wie van mijn thuisstad Sint-Niklaas herinnert zich nog dat deze ooit twee stations rijk was, wie heeft nog weet van Sint-Niklaas-West, de Weststatie? Die bevond zich zo ongeveer in onze achtertuin, nu ja… Daar stapte ik dus in de trein richting Temse, Bornem, Puurs. Stappen was het niet, die oude hoge wagons, ik moest erin getild worden, en eens we zaten sloeg de stationschef de deur met een harde knal dicht – het geluid hangt me nog in de oren. Stikkend warm, jasje uit, wegzakken in ruwzachte zitting (ja we reisden gratis eerste klas, biljetten van de RTT, een extraatje, het begrip bedrijfswagen bestond nog niet). Over de Schelde, een avontuur want die brug was toen niet bepaald betrouwbaar en dus diende de trein flink vaart te minderen en stapvoets dat onstabiele obstakel te overschrijden. Oef, het lukte toch telkens en we bereikten heelhuids Puurs. Overstappen want tot Boom reed de trein niet: jasje aan, uit de trein getild, in de wachtende bus en ‘en route’. Boom! Stad der steenbakkerijen, van de diepe kleiputten achter het huis van mijn grootouders, fascinerend. Maar eerste halte: tantes Roza en Mathilde en hun gezin. Vermits ze naast elkaar woonden in een zijstraat van de markt waar de bus stopte. De eerste baatte een café uit, met grote feest- en toneelzaal; die zaal: verzamelpunt voor alle festiviteiten van de familie, van gans Boom trouwens, en toneel werd er ook steeds gebracht op het ruime podium. In het café, ook al zo’n grote ruimte, konden we biljarten. En overal verstoppertje spelen, tot in de coulissen en achter het podium… Mathilde had een winkel van elektrische apparaten. En allebei een kroostrijk gezin, de meesten ouder dan ik behalve een tweeling. De dames verzorgden als hobby de lokale kerk, poetsen, stoelen plaatsen e.d.; enfin min of meer pilarenbijters denk ik al merkte ik daar niet veel van. Boom, vreemd stadje: daar leefde de tegenstelling katholiek – socialist nog fel. Te fel. Ze konden elkaar levend verslinden. Daarvan zou ons gezin ooit nog last ondervinden. Waarover later eens.
Tijd om naar mijn grootouders te stappen. Bij hen woonde het gezin van hun jongste dochter in. Dat betekende voor mij: twee nichtjes, één een jaar ouder, de andere even oud. Perfecte partners voor de feestjes. En zij hebben mij ook ingewijd; in de popmuziek. Vooral via plaatjes die je kon verzamelen door sterren te knippen uit de zakken van het ‘Expobrood’. Spijtig genoeg waren dat geen originele opnamen maar bevatte iedere single twee nummers uit de top, nagezongen door een illustere onbekende. Enfin, op die wijze geraakte ik toch op het goede pad, Veronica, France Inter, Europe Nr.1, Radio Caroline… Oma was mijn meter, met de giften van haar en van de tantes raakte mijn spaarpotje langzaam gevuld. Tijd om op te stappen, het middagmaal wachtte bij mijn peter die ons met de auto kwam afhalen. Nee we aten niet bij mijn grootouders, gelukkig: ooit één keer wel; na de soep weigerde ik hardnekkig aardappelen en de rest. Tot mijn vader het licht zag: ze waren daar nog gewoon, primitief, dat alles in één bord te nuttigen, bweurk. Dus werd ik van een nieuw bord voorzien, probleem opgelost, smakelijk… Ja het was een andere tijd daar, opa was zelfs analfabeet, geen school gelopen. Niet altijd eenvoudig te verzoenen die werelden van hem en van de nichtjes in de tijd dat zij de twist door het huis lieten schallen. Stel je voor dat ze Tomorrowland nog in hun achtertuin konden meebeleven!
Op naar mijn peter, de man die van mij een alcoholist maakte, en mij verwende. Over deze fascinerende figuur en de bizarre wijze waarop hij mijn peter werd een volgende keer meer.

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.