Het is vandaag dertig jaar geleden dat de Hongaarse auteur Sandor Marai in San Diego (VS) zelfmoord pleegde.
Sandor Marai werd op 11 april 1900 geboren in het Hongaarse Kassa (nu Kosice in Slovakije) in een rijk burgerlijk milieu. Hij studeerde in Leipzig, Frankfurt en Berlijn, vertaalde Trakl en Kafka in het Hongaars en was van 1923 tot 1929 correspondent van de Frankfurter Zeitung in Parijs. Vanaf 1929 publiceerde hij romans, verhalen, gedichten, essays en toneelstukken. Gedurende de nazi-tijd leidde hij in Boedapest wat men heet “een teruggetrokken leven”. Men kan het natuurlijk ook anders zien: de nazi’s kon hij blijkbaar wel uitzweten, maar de communisten niet. Na de oorlog ging hij dan ook in vrijwillige ballingschap, eerst naar Italië en dan naar de Verenigde Staten, waar hij op 22 februari 1989 in San Diego zelfmoord pleegde. Hij liet een joodse echtgenote achter, waarmee hij vermoedelijk nog niet getrouwd was in de nazi-periode.
Aangezien zijn boeken in Hongarije verboden waren, verschenen ze slechts in beperkte oplage in het buitenland en duurde het tot 1999 vooraleer hij “ontdekt” werd.
Dat gebeurde dan niet door “De erfenis van Eszter”, wat door de meesten als zijn beste werk wordt beschouwd, maar wel door “Gloed”, een werk dat voor het eerst verscheen in 1942 als “A gyertàk csonkig égnek”. De Nederlandse vertaling door Mari Alföldi dateert van 2000. Wat de originele titel betekent, weet ik uiteraard niet, maar de oorsprong van de Nederlandse titel vinden we terug op p.97 van de uitgave in de reeks Wereldbibliotheek: “De werkelijkheid was dat jij mij tweeëntwintig jaar lang had gehaat, met een passie waarvan de hittegraad slechts te vergelijken is met de gloed van grote liefdesbetrekkingen. Jij haatte mij, en als een menselijke ziel helemaal vervuld is van een gevoel, een passie, dan is ergens in dat vuur naast het enthousiasme ook de rook en de gloed van wraaklust aanwezig… want hartstocht gebruikt niet de argumenten van het verstand. (…) Jij haatte me, en haat is een even sterke band als liefde.”
De flaptekst belooft een “spannend” boek over een groot, kwaadaardig geheim dat twee voormalige jeugdvrienden bindt en dat hen 41 jaar later tot een meedogenloos “duel zonder wapens” zal drijven. Net als bij Ward Hulselmans, die hier misschien wel de inspiratie haalde voor zijn “Stille waters”, wordt deze belofte niet helemaal waargemaakt. Tamelijk vlug heeft men immers door dat het hier “the eternal triangle” betreft. Een tamelijk banaal plot dus, dat de banaliteit echter overstijgt omwille van de overpeinzingen die ermee gepaard gaan. Zo is het boek – ondanks de passage waaruit (nochtans terecht) de Nederlandse titel werd geput – één grote lofzang op de “vriendschap tussen mannen”: “Maar achter vrouwen, achter de rol en achter de wereld lichtte vaag een gevoel op dat sterker was dan dit alles. Dit gevoel kennen alleen mannen. Het heet vriendschap.” (p.47) Een seksistisch standpunt dat (uiteraard) zo niet alleen dan toch voornamelijk in een militaristische omgeving kan “bloeien”. De beide protagonisten zijn dan ook opgeleid als soldaten. Dat dit idee naar fascisme ruikt, blijkt ook uit de panische angst die het met zich brengt om te worden verward met “de ziekelijke neigingen van mensen die een tegennatuurlijke bevrediging zoeken bij hetzelfde geslacht.” (p.79)
Toch heeft de hoofdpersoon zich even daarvoor nog afgevraagd: “Is er misschien een sprankje Eros in elke menselijke relatie?” En hij antwoordt zichzelf: “De Eros van vriendschap heeft het lichaam niet nodig… het staat hem eerder in de weg dan dat het hem opwindt. Maar het is toch Eros. Aan de basis van elke vorm van liefde, van elke menselijke relatie, staat Eros.” (p.79) En nog: “Evenmin als iemand die verliefd is, verwacht de vriend een beloning voor zijn gevoelens. Hij wil geen wederdienst en ziet degene die hij tot zijn vriend heeft uitverkoren niet als een onwerkelijk wezen, hij kent diens fouten, en accepteert hem zo, inclusief alle gevolgen.” (p.80) En tot slot: “Er is geen triester en hopelozer emotioneel proces dan de verkoeling van een vriendschap tussen twee mannen. Want tussen man en vrouw heeft alles een voorwaarde, zoals bij een zakelijke transactie. Maar de betekenis van vriendschap tussen mannen is juist die onbaatzuchtigheid, dat we geen offer van de ander willen, geen tederheid, niets, behalve dat we ons houden aan de afspraken van een bondgenootschap zonder woorden.” (p.100)
Weer die misogynie dus. Wat tevens een domper zet op het enthousiasme dat ik bij andere lezers kan vermoeden, maar waaraan ikzelf geen deel kan hebben. Niet omdat dit motief in het boek voorkomt uiteraard, maar wel omdat het verhaal verteld wordt vanuit het perspectief van het (in mijn ogen) onsympathieke personage. De auteur zelf vereenzelvigt zich daar echter maar al te graag mee. Terecht of niet, maar ik zie hierin ook een parallel met zijn privé-leven, met name zijn houding ten overstaan van respectievelijk het nazisme en het communisme.
Toch is er tegelijk een verlangen naar het “anders zijn”, dat aan de basis ligt van zijn nederlaag (die hij wel als een bitter soort overwinning ervaart): “Want we houden altijd van degene die ‘anders’ is, die zoeken we in elke situatie en variatie van het leven…” (p.126)
Een andere prachtige observatie is dat dit “anders zijn” wordt gedefinieerd in functie van de muziek: “Tussen mijn moeder, Krisztina en jou was er de muziek als bindmiddel. Waarschijnlijk zei de muziek jullie iets wat niet in woorden en daden verteld kon worden, en waarschijnlijk zeiden jullie elkaar ook iets met de muziek, en dat andere verhaal, dat voor jullie perfect uitgedrukt werd door de muziek, konden mensen van de andere soort, mijn vader en ik, niet begrijpen.” (p.129) Zijn conclusie kan dan ook niet anders zijn dan: “Ik haat muziek (…) Ik haat die melodieuze en onbegrijpelijke taal, waarin mensen van een bepaalde soort met elkaar kunnen converseren, ze zeggen elkaar iets buiten de normen en de regels om, ja, soms denk ik dat ze elkaar iets onbetamelijks en immoreels zeggen met de muziek. Kijk maar naar hun gezicht, hoe vreemd het verandert wanneer ze naar muziek luisteren.” (p.130)
Pas als hij oud is geworden, kan hij min of meer gelouterd terugkijken op wat er gebeurd is en vraagt hij zich af: “Is trouw niet een vorm van egoïsme, een verschrikkelijk egoïsme, en ijdelheid, zoals het merendeel van menselijke dingen en behoeften in het leven? Willen we, als we trouw eisen, dat de ander gelukkig wordt? En als de ander in de subtiele gevangenschap van trouw niet gelukkig kan zijn, houden we dan wel van degene van wie we trouw eisen? En als onze liefde de ander niet gelukkig maakt, hebben we dan wel het recht om iets te eisen, trouw of opoffering?” (p.137)
Door deze genuanceerde stellingname is het uiteindelijk toch een boek dat je zowel aan je beste vriend als aan je grootste vijand ten geschenke kunt geven…

Ronny De Schepper

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.