Vandaag viert de Oost-Vlaamse acteur Jo De Meyere zijn tachtigste verjaardag…

Het was in 1976 dat ik Jo De Meyere voor het eerst op de scène heb gezien (*). Hij had toen pas het NTG verlaten, waar hij in 1965 was begonnen, en had een onderkomen gevonden (gezocht?) in het voor hem “unlikely” Arenatheater. Daar was men zich immers aan het specialiseren in musicals en dan nog wel liefst in rockmusicals! Zo zag ik hem in “Sun man”, een rockbewerking van William Shakespeares “Merchant of Venice”, opgevoerd in een regie van Jaak Vissenaken. Jo De Meyere zong en speelde toen veel te nadrukkelijk, wat overigens een beetje aan zijn rol was te wijten, omdat de bewerkers niet konden besluiten of het nu een komische of een tragische figuur moest zijn. Hoe dan ook, het was duidelijk dat Jo hier niet op zijn plaats was.
Of hij nog veel musicals heeft gespeeld bij Arena, weet ik niet, maar hij was in die tijd wel heel veel op televisie te zien en dan nog meestal in uiterst “katholieke” rollen, zodanig zelfs dat collega Lode De Pooter meende er een opmerking te moeten over maken n.a.v. een documentaire over de liberale flamingant Julius Vuylsteke: “De gedramatiseerde documentaire (of docudrama) lijkt wel een bijzonder geschikt medium voor televisie. Uit het twistgesprek tussen Vuylsteke en de meer traditionele liberaal Dubois viel nog heel wat op te steken voor het Vlaanderen en de vrijzinnigheid anno 1982. Maar wie er wellicht het meeste voordeel heeft mee gedaan dat is de acteur Jo De Meyere, die met deze heftige anti-klerikale rol eindelijk eens uit zijn stereotiepe katholieke typetjes kon treden (Pastoor “Herdershond”, de KVHV-student Coene … ) en, we moeten het toegeven, met veel brio !” (De Rode Vaan nr.15 van 1982)
Later dat jaar, meer bepaald op 26 september speelde Jo de titelrol in “Ekster”, een zogezegde thriller in de reeks “Made in Vlaanderen”, geschreven door Patrick Le Bon en geregisseerd door Peter Simons. Enkele maanden later speelde Jo opnieuw een belangrijke rol in een dergelijke film, namelijk “Lente” naar een novelle van Cyriel Buysse. Lode De Pooter was hiervan onder de indruk in De Rode Vaan, maar in zijn inleiding geeft hij wel kritiek op de hele reeks, waarvoor “Ekster” dan helaas als symbool kan staan: “Over de reeks films « Made in Vlaanderen » hebben wij in het verleden al kwaad en lof gesproken. Er waren prenten onder die echt pietluttig uitvielen en er waren er bij die degelijker gestoffeerd bleken. De ietwat korte duur van deze films (1 uur) was in vele gevallen ongetwijfeld een handicap om er goed uitgebalanceerde werken van te maken. Dikwijls hadden wij de indruk met een soort stramien te doen te hebben, met een onvoldoend aangekleed scenario.”
Maar over « Lente » van Dré Poppe was hij dus wel positief, ook al was “het gegeven ook hier eerder aan de magere kant : een tante die op sterven ligt, een nichtje uit Parijs dat haar een laatste keer komt bezoeken, een familie die op de erfenis aast en… een oude schuur die plots in brand schiet. Veel was het niet. En toch hebben wij genoten van deze greep uit het boerenleven, dit vooral door de uiterst verzorgde vormgeving (prachtige fotografie en stemmige muziek) plus de gevoelvolle vertolking (met Jo De Meyere, Blanka Heirman en Chris Thys als de besten) van het verhaal. Een typische Vlaams heimat-geschiedenis groeide door deze aanpak tot iets beters uit. Sommige taferelen (de « grote » liefdesscène) waren echt roerend. Andere sequenties (het openmaken van het testament) kenschetsend voor een mentaliteit die… nog niet afgedaan heeft in Vlaanderland. Misschien is de naturalistische Buysse sterker maar ook deze romantische Cyriel konden wij op prijs stellen. Hij bracht wat « lente in de winter » op een januari-avond anno 1983 (16-1). En in deze droeve tijden is zoiets altijd welgekomen, ook al zullen er steeds « hardvochtige zielen » klaar staan om over « zeemzoete volksverlakkerij » te spreken. Wij lusten die honing (af en toe) wel…”
Ikzelf zag Jo terug in het theater op 06/09/84 toen ik in Arca “Schein trügt” (Schijn bedriegt) van Thomas Bernhard zag in een regie van Alfons Goris. En hier had Jo wél zijn draai gevonden naast Luc Philips als Karl, een oude artiest. Jo zelf speelde Robert, zijn broer, een oude toneelspeler. Karl kan terugblikken op een carrière als bordenjongleur in het variété; Robert heeft als toneelspeler een aantal grootse rollen op zijn palmares staan. Het is een van de vele verschillen waarover gesproken maar vooral gezwegen wordt tijdens hun wekelijkse ontmoetingen, als Robert op bezoek komt bij Karl of Karl ‑ nog méér tegen zijn zin ‑ op bezoek gaat bij Robert. Of hoe de twee broers nooit echt nader tot elkaar komen en waarmee Bernhard op meesterlijke wijze aantoont dat tragiek en hilariteit dicht bij elkaar liggen.
In het Van Crombrugghegenootschap zag ik Jo op 18/9/1986 in “Biechtvaders” van Vincenzo Di Mattia in een regie van Ronnie Commissaris. Dit was zo een typisch “exportproduct” van Arca, waarin de acteurs als publiekstrekkers gelden. En dat waren dan vooral Dries Wieme en Jo De Meyere als het oudere “pastoorskoppel” dat in een generatieconflict à la “Who’s afraid of Virginia Woolf” komt te staan met hun jongere collega’s Leslie De Gruyter en Bart Van Avermaet.
In 1986 was Jo De Meyere in “Het Pleintje” alweer een andere pastoor. De TV-film “De kleine reder” volgde in 1988, net als “Pas de Deux” van Hugo Claus waaruit onderstaande foto komt. Het werd in een regie van Jean-Pierre De Decker opgevoerd door Machteld Ramoudt (Katie Lammens), Jo De Meyere (Paul Lannoy) en Jan Steen (Guy De Smaele). Paul en Katie, twee acteurs, komen op een zaterdagavond samen om te repeteren. Hoewel hun relatie spaak gelopen is en ze beiden een ander leven hebben opgebouwd, blijven ze in de ban van elkaar. De repetitietekst (“De vossejacht” van Claus zelf, naar “Volpone” van Ben Jonson) wordt voortdurend doorweven met en aangepast aan persoonlijke gevoelens en gebeurtenissen. De tekst, hun leven, verloedert door alcohol en methadon. In dit verloederingsproces groeit het besef dat ze noch mét elkaar, noch zonder mekaar kunnen leven. Een jonge toneelmeester die hen begeleidt, weet ten slotte hun losgeslagen emoties te kanaliseren in een schitterende apotheose. Jean-Pierre De Decker zei hierover: “Als ik aan zelfkritiek doe, zie ik dat ik in sommige voorstellingen de acteur een beetje verwaarloosd heb ten koste van het spektakel. Het was de jongste jaren ook niet makkelijk de acteurs echt te laten spelen. Ik vond het heel mooi dat er boven een bespreking van ‘Pas de Deux’ als titel stond: ‘Er mag weer gespeeld worden’. Ik geloof dat het in de Rode Vaan was (dat klopt, want dat artikel was van mij, RDS). Dat is het grootste compliment dat je mij kan geven.” (tegen Luc Rasquin in “De Rode Vaan” nr.3 van 1988)
In 1990 was Jo De Meyere te zien in een Arca-productie, namelijk “De Coburger” van Mark De Bie in een regie van Jos van Gorp. Dit was een gelegenheidsstuk (Leopold I werd precies 200 jaar geleden geboren) dat tevens een graantje wilde meepikken van de hoera-sfeer die er op dat moment rond onze monarchie heerste. De Bie is heel minutieus te werk gegaan, zodanig zelfs dat een aantal recensenten de “schoolse” inslag van deze voorstelling op de korrel hebben genomen. Gezien het gelegenheidskarakter van het stuk stoorde deze aanpak me niet, ik zag er integendeel juist een heel degelijke schoolvoorstelling in. De regie van Jos Van Gorp laat immers genoeg ruimte voor de persoonlijke verbeelding, terwijl het talent van Jo De Meyere het publiek in verrukking brengt.
Minder tevreden was ik over de muziek. Het was een uitstekende vondst van De Bie om Leopold te laten praten tegen een pianist die “achter een scherm verborgen zit” en zijn lievelingsmelodieën speelt (dat was overigens ook in werkelijkheid zo). Het is eveneens begrijpelijk dat men noodgedwongen heeft geopteerd voor een bandopname, aangezien het niet voor de hand ligt dat iedere zaal in Vlaanderen en Nederland over een goede piano beschikt. Maar waarom worden de melodieën op band dan toch op een kramikkelige buffetpiano gespeeld?
Op televisie werkte hij in de politieserie “Heterdaad” samen met Oswald Versyp. Toen deze samen met Margriet Bruggeman de Gentse cabaretgroep Moereloere verliet, bracht het trio in september 1999 een programma in Arca onder de weinig geïnspireerde titel “Cabaret”. Bovendien was het nog een verkeerde titel ook: “Bonte Avond” was beter op zijn plaats geweest. In krantencommentaren was De Meyere reeds vooruitgelopen op de mogelijke kritiek door te zeggen dat ze zich gewoon eens wilden amuseren en dat serieuze critici maar moesten thuisblijven. Ondertussen is het “Cabaret”-programma al aan een vijfde editie toe! Het moet dus zijn dat het genre toch écht populair is bij de mensen…

Ronny De Schepper
Foto’s Luk Monsaert

(*) Ik had hem wel al aan het werk gezien als ’t Slijperke in de aanpassing door Jan Christiaens van Cyriel Buysses roman “Het recht van de sterkste” (april 1974), maar dat was dan wel in een televisiecaptatie, iets wat nu, jammer genoeg, nooit meer gebeurt.

Referentie
Lode De Pooter, Lente in de winter…, De Rode Vaan nr.4 van 1983

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.