Het is al twintig jaar geleden dat de Amerikaanse zanger en gitarist Buddy Knox (foto YouTube) is overleden. In de VS heeft hij een hele carrière uitgebouwd, maar bij ons is hij enkel bekend als “one hit wonder” en we hebben het dan nog over de bescheiden hit “Party Doll”. Alhoewel hij echt Buddy heet, werd hij na de dood van Buddy Holly zo wat beschouwd als diens opvolger, maar dat heeft hij nooit kunnen waarmaken. Ondanks dat zijn voornaam dus “Buddy” is, zou ik hem eerder tot de “Bobbies” rekenen (voor een verklaring: zie het artikel dat ik aan dit “verschijnsel” heb gewijd).

Knox leerde als kind reeds gitaar te spelen. Als teenager richtte hij met enkele vrienden van de High school de band Rhythm Orchids op. In 1956 traden ze samen met Roy Orbison op in een radio-uitzending, die hun voorstelde om de muziekproducer Norman Petty op te zoeken in zijn studio in Clovis (New Mexico).
De band nam in Petty’s studio drie nummers op, onder andere “Party Doll”, wat hij samen had geschreven met zijn bassist Jimmy Bowen. Twee van de opgenomen nummers (“Party Doll” als A-kant en “I’m Sticking With You” als B-kant)) werden in 1956 uitgebracht door het kleine Texaanse label Triple-D. De single werd in het Noord-Texaanse Panhandle en rondom Lubbock (de woonplaats van Buddy Holly) een gewestelijk succes. Derhalve verwierf Roulette Records de rechten voor de opnamen en bracht aan het begin van 1957 “Party Doll” opnieuw uit, deze keer met als nieuwe B-kant “My Baby’s Gone”. De single plaatste zich in februari 1957 voor de eerste keer in de charts, zou er voor 23 weken blijven en verving in maart 1957 “Young Love” van Tab Hunter aan de kop van de hitparade.
De volgende single “Rock Your Little Baby to Sleep” was minder succesvol (23e plaats). Zijn tweede en laatste top 10-succes had hij met het nummer “Hula Love”, dat in de oorspronkelijke versie reeds in 1911 werd opgenomen door Dolly Connolly onder de naam “My Hula Hula Love”. Peter Kraus coverde het nummer voor de Duitstalige platenmarkt onder de titel “Hula Baby” en behaalde er een eerste plaats mee in 1958. Met “Somebody Touched Me” (22e plaats) had Knox dat jaar zelf nog eenmaal een respectabele hit bij Roulette Records.
Sinds januari 1959 werden op de releases de Rhythm Orchids niet meer genoemd. Nadat de platensuccessen langzaam minder werden, wisselde Knox in het midden van 1960 naar het label Liberty Records, waar hij in 1961 nog eens een top 40-hit had, een coverversie van de R&B-hit “Lovey Dovey” van The Clovers uit 1954. Ook zijn laatste notering in de charts in de vroege zomer van 1961, “Ling-Ting-Tong”, was een coverversie van een doowop-klassieker. Nadat hij na 1961 geen successen meer had op de popmuziekmarkt, ging hij verder met countrymuziek. In Groot-Brittannië haalde hij in 1962 met de single “She’s Gone” nog eens de top 50.
Knox nam tot 1964 platen voor Liberty Records op en was in 1965 en 1966 onder contract bij Reprise Records, waar slechts vier singles verschenen. Na een onderbreking verschenen van 1968 tot 1971 nog zeven singles en een album bij United Artists Records. Zelfs tot aan het begin van de jaren tachtig verschenen platen onder het label Sunny Hill Records, maar chartsuccessen had hij sinds 1961 al niet meer. (Wikipedia)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.