Vandaag is het tachtig jaar geleden dat in Miami de western van John Ford, “Stagecoach”, in première ging. De film draait vooral rond John Wayne, die bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog volgens Wikipedia door zijn leeftijd geklasseerd als derde klas-reserve. Bijgevolg was hij een van de weinige Hollywood-acteurs die niet het leger inging. Bij gebrek aan concurrentie kreeg hij nu alle kansen om aan zijn carrière op het witte doek te werken. Voor critici werd hij zo tot iemand die van anderen offers eiste die hij zelf nooit bracht. Wayne verscheen in veel “macho”-rollen in voornamelijk westerns en oorlogsfilms. Hij werkte nog vaak samen met John Ford. Toch kan deze film op weinig enthousiasme rekenen op de (overigens flink gecensureerde) site van MovieMeter. Zo schrijft ene TMP: “Een teleurstellende western van Ford. De film bezit louter bordkartonnen personages, die geen van allen enige indruk weten te maken. Ook het plot van deze western is weinig bijzonder en op hoofdlijnen vrij voorspelbaar. De uiteindelijke confrontatie met de Apachen levert enkele aardige scènes op, maar heel erg spannend wordt het nu ook weer niet. De romance tussen twee passagiers van de postkoets mist de nodige overtuiging en had beter achterwege kunnen blijven.”

Met de Tweede Wereldoorlog werd het genre van de western opnieuw populair. Men kan zich terecht afvragen of het machismo dat oorlog met zich meebrengt, vooral in landen die er niet “lijfelijk” bij betrokken zijn (zoals de Verenigde Staten), daarin geen rol heeft gespeeld. Zo kon de western in 1948 zijn positie herstellen tot 30% van de Hollywood-productie. Zelfs Oliver Hardy deed dat jaar een merkwaardig solo-optreden naast John Wayne in de western “The fighting Kentuckian” van George Waggner. Het zijn echter vooral de klassiekers van John Ford, die tot de revival hebben bijgedragen.
John Ford, in 1895 geboren als Sean Aloysius O’Feeney, begon als stuntman in D.W.Griffith’s “Birth of a Nation”. Toen liet hij zich gemakshalve Jack Ford noemen. In 1923 zou hij, toen hij werd aangezocht om “serials” te draaien voor Universal, zijn voornaam nogmaals wijzigen in John. The rest is history. Die “serials” waren immers meestal westerns en aangezien we dan nog dicht bij de negentiende eeuw zitten, kwam Ford in contact met allerlei ooggetuigen, die hem details vertelden, die hij later in zijn meesterwerken kon verwerken.
Toch verwierf Ford geen “instant fame”. Zo is hij lange tijd “accessoirist” geweest, vooral voor John Wayne. “The iron horse” uit 1924 en “Three bad men” uit 1926 waren de vermaardste van zijn zeventigtal stomme films, die hij voor Fox draaide met legendarische cowboyhelden als Harry Carey, Hoot Gibson, Tom Mix en Buck Jones.
Hij maakte later het genre opnieuw “salonfähig”, vooral met zijn “cavallerie-trilogie” (“She wore a yellow ribbon”, “Fort Apache” en “Rio Grande”).
‘Fort Apache’ (1948) is minder voorspelbaar dan verwacht. Hij schetst een genuanceerd beeld van de indianen en toont zich ongewoon hard voor de hypocrisie van de legerleiding. Kapitein John Wayne heeft een goede relatie opgebouwd met de indianenstammen in de buurt van het fort. De nieuwe commandant (Henry Fonda) is een indianenhater, die koste wat het kost carrière wil maken. Hij verbreekt niet alleen Waynes eerdere afspraken met de indianen. Hij voert ook een ondoordachte charge uit, waarbij het grootste deel van zijn manschappen omkomt. Maar op het einde loopt Ford toch weer in de pas: Wayne, die Fonda opvolgt, laat iedereen immers geloven dat zijn voorganger een roemrijke dood stierf.
In 1956 volgde “The searchers”. Alhoewel deze laatste film over het algemeen als één van zijn meesterwerken wordt beschouwd, kan ik daar hoegenaamd niet inkomen. Het is zelfs één van de meest racistische films die ik ooit heb gezien. John Wayne (wie anders?) is de hele film door op zoek naar een meisje dat door Comanches is ontvoerd (de rest van haar familie is “zo maar” door hen uitgeroeid). Als hij ze eindelijk vindt, is ze niet alleen uitgegroeid tot Natalie Wood, maar ze is ook een volbloed Comanche geworden. Daarom wil Wayne (alias Ethan Edwards) haar koelbloedig neerschieten. “The only good indian is a dead indian”, nietwaar? Haar geadopteerde broer Jeffrey Hunter, zelf één achtste Comanche en daardoor de hele film lang het voorwerp van spot van Wayne, weet dit te verhinderen en die krijgt als beloning op het einde de hand van Vera Miles, die toch een wat genuanceerder portret van een vrouw uit de Far West neerzet. Dat is trouwens het enige positieve dat ik van deze film kan zeggen, dat hij geen geïdealiseerd beeld geeft van het bestaan in Twilde Westen. Of men dan anderzijds z’n hele leven kan doorbrengen gewoon door op zoek te gaan naar een meisje dat men dan ook nog wil afschieten als men ze vindt, is dan weer een kronkel die mij ontgaat.
De haat tegen blanke vrouwen met indianenbloed in de aderen komt ook duidelijk tot uiting in “Duel in the sun” van Charles Vidor uit 1946. Jennifer Jones speelt hierin (slecht overigens) Pearl Chavez, wier moeder Indiaanse en “dus” van losse zeden is (wat men eigenlijk bedoelt is dat de niet door het christendom tot hypocrieten omgedoopte “wilden” meer blijk geven van een “ongeremde” seksualiteit). Dit moet ze (de moeder dus) trouwens in het begin van de film al meteen met de dood bekopen en tegelijk wordt al in het vooruitzicht gesteld dat haar dochter dezelfde kant zal opgaan. Ze wordt nochtans liefdevol opgevangen door Laura Bell McCanles, een vroegere geliefde van haar vader (rol van Lillian Gish) en haar zoon Jesse (Joseph Cotton). Diens broer Lewt daarentegen (een zeldzame rol als oerslechterik voor Gregory Peck) verkracht haar op een brutale manier, waardoor een relatie met Jesse voortaan uitgesloten is (dit lijkt wel heel erg “islamitisch” van opvatting, maar er dient bij gezegd dat Pearl wel degelijk positief reageert op de bestiale seksualiteit van Lewt). Daardoor komt Pearl in een neerwaartse spiraal terecht die haar inderdaad tot een vroegtijdige dood zal leiden. (***)
APACHEN
Robert Aldrich draaide “Apache” in 1954. Ikzelf was in mijn jeugd gefascineerd door de Apachen. Dat was zeker niet door déze film, die ik pas als volwassene heb gezien, maar ook niet bijvoorbeeld door de boeken van Karl May, die toch wel populair waren bij de jeugd in de jaren vijftig en zestig, maar die ik toen niet en ook niet later heb gelezen. Toch sprak de figuur van Winnetou me aan, vooral omwille van zijn lange haren die met een hippe haarband op hun plaats werden gehouden. Ook sprak de kledij van de Apachen (een broek met zo’n indianenschort erover, in die tijd wist ik nog niet dat onder die schort de broek niet gesloten was, anders was ik wellicht minder enthousiast geweest) tot mijn verbeelding. Historisch gezien zouden de Apachen dan weer de eerste indianenstam geweest zijn die leerden paarden te berijden (in sommige gevallen misschien ook “bereiden”?), waardoor zij de moeilijkste tegenstanders waren voor de blanke veroveraars. Ik heb ook de indruk dat zij de eersten waren om vuurwapens te gebruiken, maar hiervoor heb ik nog geen historische bevestiging gevonden.
Burt Lancaster speelde de hoofdrol en coproduceerde deze film die een aanklacht wou zijn tegen onverdraagzaamheid (****), maar die dat in een onhandige poging om tegelijk ook “realistisch” te zijn (Apachen waren nu eenmaal ook geen lieverdjes, zeker niet tegenover vrouwen b.v., wat dan weer vooral aan bod komt in de film “Day of the evil gun” van Jerry Thorpe uit 1968, waarin Glenn Ford en Arthur Kennedy allebei achter dezelfde vrouw aangaan die door de Apachen werd ontvoerd) toch ook niet helemaal is. Het verhaal begint op 14 april 1886 toen Geronimo, het opperhoofd van de Apachen, zich overgaf, maar de jonge kemphaan Massai weigerde zich over te geven, maar werd toch gevangen. Op de trein die hem wegbracht, werd hij als een wilde behandeld, maar hij slaagde erin te ontsnappen. Op die manier kwam hij in St.Louis terecht, waar hij echter overweldigd werd door het stadsleven en vooral de vijandigheid waarmee hij te kampen had. Van de daar levende Cherokees leerde hij het land bewerken, wat uitmondt in een hilarische finale die “Hollywood” oplegde aan Aldrich. Het moest natuurlijk op een ongeloofwaardig optimistisch slot uitdraaien, met name in het omsingelde korenveld dat Massai heeft gezaaid. In de rol van de verrader Hondo herkennen we Charles Bronson, die toen nog gewoon Buchinsky heette. De mooie, maar met koffiebonen wel erg bruin gemaakte Nalinia wordt gespeeld door Jean Peters en John McIntyre is Al Sieber, de eeuwige speurhond achter Massai, die hem dan ook in dat korenveld treft, maar ze komen er samen levend uit. Dat er geen shoot-out is, is wel on-Hollywoodiaans (oorspronkelijk was trouwens wél voorzien dat Massai zou sterven). Dat het te wijten is aan de geboorte van zijn zoon (hoe wist hij eigenlijk op voorhand dat het een zoon zou zijn?), is dat dan weer wél.
Ook in “A distant trumpet”, de laatste film van Raoul Walsh uit 1964, komt het racisme tegenover de indianen aan bod. Let wel op: Walsh klaagt dit aan. Hij doet dit via het personage van 2nd Lt. Matthew ‘Matt’ Hazard, gespeeld door Troy Donahue (“As for you Troy Donahue, I know what you wanna do: You’ve got your crush, I’m no object of lust,
I’m just plain Sandra Dee”
uit “Look at me I’m Sandra Dee” uit “Grease”), die het opneemt vooral voor zijn scout en daarna ook voor het opperhoofd van de Apachen, als de Amerikaanse regering haar beloften over de toewijzing van een grondgebied niet nakomt. Het racisme werkt trouwens blijkbaar nog tot op de dag van vandaag door, want de namen van de indianen in kwestie komen niet voor op de rolverdeling van de Internet Movie Database! De titel betekent overigens totaal niets. Het laat componist Max Steiner enkel toe om trompetterend uit de bol te gaan, alhoewel strikt gesproken dat cavalerie niet op trompetten blaast, maar op bugels!
WIEDERGUTMACHUNG
Ook John Ford was één van de eersten om een eerlijker visie op de indianen te geven. In “Cheyenne Autumn” van 1964 klaagt hij het feit aan dat in Oklahoma in 1878 de Cheyennes omkwamen van honger en kou in hun reservaat. Onderwijzeres Deborah Wright (Carroll Baker) neemt ze daarom mee naar hun eigen gebied. Kapitein Thomas Archer (Richard Widmark) heeft opdracht gekregen de indianen naar het reservaat terug te drijven, maar hij wordt verliefd op Deborah en begint met de indianen te sympathiseren. Dan stuurt men er maar James Stewart, Arthur Kennedy, Karl Malden, Dolores del Rio, Ricardo Montalban en wie weet ik nog allemaal op af. John Ford (recordhouder van het aantal oscars, nl.vier) is op 31/8/1973 gestorven aan kanker in Palm Springs (Californië).
De eer van de eerste Indiaan-vriendelijke western komt echter toe aan “Broken arrow” (1950) met Jeff Chandler (1918-1961) als Cochise. Wellicht koos men opzettelijk de populaire James Stewart uit om de verontschuldigingen van de blanken te verwoorden. Vier jaar later werd met “Taza, son of Cochise”, zowaar een western van “the king of the weepies” Douglas Sirk, de puntjes weer op de i gezet. Die Taza is immers een overloper, die o.m. een aanval van Geronimo verijdelt. Taza werd overigens gespeeld door Rock Hudson, terwijl ook Jeff Chandler nog een gastrolletje als Cochise mag vertolken.
Veel verder nog ging “Run of the arrow” van Samuel Fuller uit 1957 (wellicht werd niet toevallig het woord “arrow” in de titel hernomen), waarin een verbitterde zuiderling (rol van Rod Steiger) zich aansluit bij de Sioux.
Na “Broken Arrow” zou het tot in de late jaren zestig duren vooraleer “politiek correcte” westerns (naar analogie met de situatie in Vietnam) zouden opduiken. Maar – ere wie ere toekomt – tussendoor was er in 1960 toch reeds “Flaming star” van Don Siegel met ene… Elvis Presley (!) in de hoofdrol, die duidelijk de complexiteit van het rassenthema illustreerde. En het dient gezegd: Elvis deed het helemaal niet slecht, integendeel zelfs!
CIMARRON
En natuurlijk was er dat jaar ook de blockbuster (the fictional town of Osage was built on three sound stages and comprised eleven acres of land at the M-G-M lot, the biggest western town in studio’s history) “Cimarron” van Anthony Mann (although he was fired near the end of filming and replaced by Charles Walters) naar het boek van Edna Ferber, waarbij het racisme tegenover de indianen een belangrijk issue is.
“Though remembered today, if at all, as doorstop soap operas, in their day Edna Ferner’s novels were hugely controversial, and Cimarron was no exception, dealing along the way with racism, anti-Semitism and Indian land rights, though these are treated rather less boldly here than in the 1930 version (especially in the general release and European versions that trimmed a subplot with the leads’ son marrying a Native American girl, though these scenes are restored in the BBC-version I saw in 2015, RDS). What’s left is an ambitious saga, charting the changing face of the wilderness from the Oklahoma Land Rush to the ‘civilisation’ that comes with the discovery of oil and the big money to be made by a few, taking in the winners and losers strewn along the path of progress along the way, all nominally held together by the restless figure of Yancey Cravat (Glenn Ford). A man who tries everything but can never stay the course before chasing the next dream, he’s held as the pioneer ideal, but it’s clear that his long-suffering wife (Maria Schell) is the saga’s real hero, setting roots and building a future. Structurally it’s one of those books better suited to a mini-series than a film, while the rootless nature of its hero – who vanishes from the last third of the film almost entirely – leaves it feeling very unsatisfying. It doesn’t help that the film’s most spectacular scene, the truly epic land rush sequence, happens so early in the film that everything that follows seems an anticlimax.”
THE MAGNIFICENT SEVEN
Eveneens in 1960 draaide John Sturges, de man van “Gunfight at the O.K.Corral” uit 1954, “The magnificent seven” met Steve McQueen, James Coburn, Horst Buchholz, Yul Brynner, Brad Dexter, Robert Vaughn en Charles Bronson. Although the film received only mixed reviews, John Sturges got a rave from the one source that really mattered to him. After seeing the picture, Akira Kurosawa was so impressed, he sent the American director a ceremonial sword as a gift. It had been Yul Brynner who approached producer Walter Mirisch with the idea of doing a Western adaptation of Akira Kurosawa’s classic, Shichinin no samurai (1954).

In the original script the seven gunfighters were much older and veterans of The Civil War. Spencer Tracy was suggested for the role of Chris and Clark GableStewart GrangerGlenn Ford and Anthony Franciosa were considered for roles. But the film had to be cast quickly to beat an actor’s strike. The only chance of getting the movie made was to assemble the main cast before the strike began, so there was a furious rush to get seven actors together. The cast was just barely assembled in time.

Yul Brynner had a major say in casting decisions, including the decision to cast Steve McQueen. He specifically requested that McQueen be cast as Vin Tanner. Brynner later regretted the move since he and McQueen developed a disastrous relationship on set. According to Eli Wallach’s autobiography, Yul Brynner had a major problem with what he perceived as Steve McQueen’s trying to upstage him. According to Wallach, McQueen would do things when on screen with Brynner to draw attention to his character. E.g. Steve McQueen tried to draw attention from Yul Brynner by taking off his hat to shade his eyes. Finally Brynner said to him, “If you don’t stop that I’m going to take off my hat, and then no one will look at you for the rest of the film.”  Alluding to his bald head of course.

Sterling Hayden was originally supposed to play the knife expert, Britt. Hayden dropped out for unknown reasons, so John Sturges sent out an extensive casting call. Robert Vaughn (Lee) recommended his old schoolmate and friend James Coburn for the role. Vaughn and Coburn helped each other get roles throughout the rest of Coburn’s life. James Coburn and Robert Vaughn have only 11 and 16 lines in the entire film, respectively. Although they were close friends for almost 50 years, this is their only film together. James Coburn was also a big fan of Shichinin no samurai and his favorite role in that film was the character that he ended up playing in the Americanized version. He deliberately incorporated Seiji Miyaguchi’s performance as Kyuzo into his performance.

Horst Buchholz (Chico) accidentally shot himself in the leg on set. Though his gun was loaded with blanks, the shot raised a welt. It is a misconception that Brad Dexter got his role in the film due to saving Frank Sinatra from drowning and the fact Sinatra then used his influence with John Sturgess to get the role for Dexter. The Magnificent Seven was made in 1960 – the episode involving Dexter saving Sinatra took place in 1964.

Filming took place in Mexico at a time when the country did not take kindly to Hollywood productions due to the controversy surrounding Vera Cruz (1954). It was agreed that they could shoot there as long as Mexican censors were allowed on set to dictate what could and couldn’t be shown, so as to avoid another disaster. So for those who wondered why the Mexican peasants wore such white outfits: Mexican censors required the peasants to always be wearing clean clothes, despite being farmers. This caused a huge delay since it meant that dozens of intentionally dirty costumes had to be thoroughly cleaned before filming could commence.

The film was a box-office failure in the United States, but went on to be a smash hit in Europe. E.g. Steve McQueenJames Coburn and Charles Bronson all appeared together again in John Sturges next film The Great Escape (1963). “The magnificent seven” had just been released in Germany while “The great escape” was filming, and as it was a big hit, they were all besieged on set by autograph hunters. (IMDb)

THE UNFORGIVEN

Datzelfde jaar was er ook nog “The Unforgiven” van John Huston, een film die duidelijk het racisme als thema heeft, maar dan wel op een heel perverse manier. De hoofdrol wordt vertolkt door Burt Lancaster die, nadat zijn vader door de indianen werd “vermoord”, zijn moeder (Lillian Gish) en zijn pleegzus (Audrey Hepburn) moet verdedigen, met behulp van zijn twee jongere broers, waarvan de oudste, Cash, de meest racistische, wordt vertolkt door Audie Murphy. Dan duikt iemand op die zich aandient als een “wraakengel” en de Kiowa’s vertelt dat Audrey één van de hunnen is. Dat blijkt ook nog te kloppen, maar uiteindelijk sluit de familie de rangen tegenover de racistische reflex van de andere blanken. Toch rekenen zij op het einde op de typische Hollywood-manier bloedig af met een heel leger indianen: daarmee bedoel ik dat die indianen blijkbaar superdom zijn, want zij laten zich afslachten door drie man! Er zitten overigens nog twee merkwaardige “twists” in het verhaal. Zo is er de half-incestueuze liefde van Lancaster voor zijn halfzus en op een bepaalde wijze speelt ook een piano, en meer bepaald de muziek van Mozart daarop gespeeld, een rol in het verhaal.

Ronny De Schepper

(*) André Flahaut, op dat moment Belgisch Minister van Defensie, sprak in 2004 van vijftien miljoen Noord-Amerikaanse slachtoffers en veertien miljoen Zuid-Amerikaanse. Hij deed dat in een speciaal nummer van het militaire informatieblad Direct dat aan genocide was gewijd. De Amerikanen waren alweer “not amused”…
(**) Voor wie het nog niet zou weten: de autochtone bewoners van de VS waren Aziaten die zowat 30.000 jaar geleden via Siberië en de Beringstraat daar belandden, vandaar trouwens hun typische jukbeenderen.
(***) Het verhaal wordt verteld door Orson Welles en de veel te overdadige soundtrack is van Dimitri Tiomkin, die daarvoor o.m. gebruik maakt van een oud Stephen Foster-nummer, Beautiful Dreamer, geschreven in 1862, in de 1920s opgenomen door The Silvertone String Orchestra, gecoverd van Bing Crosby tot The Beatles, van Al Jolson tot Jerry Lee Lewis en het titelnummer (door Raul Malo) van een Stephen Foster tribute cd.
(****) Dat was echter zeker niet de eerste keer. James Cagney zet in “Oklahoma Kid” uit 1939 reeds alle onrecht eens netjes op een rijtje.

(Zeer) selectieve bibliografie
Todd McCarthy, Howard Hawks: the grey fox of Hollywood, New York, Grove Press, 1997.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.