Jeugdauteur Gaston van Camp wordt morgen tachtig jaar! Ik zou zeggen: angstwekkend! Maar zijn “partner in crime” Mireille Cottenjé is zelfs al enkele jaren niet meer onder ons, dus we kunnen het dus maar beter langs de positieve kant bekijken. Aangezien ik indertijd bij De Rode Vaan veel jeugdboeken heb gerecenseerd (ik had toen opgroeiende kinderen), heb ik wel meerdere malen over Gaston geschreven. En als ik het niet was, dan deed Johan de Belie het wel. We beginnen in 1980 als Gaston zijn canon krijgt…

Gaston van Camp heeft de Yang-prijs 1980 in de wacht gesleept en daarmee is niet enkel hijzelf maar ook de Vlaamse jeugdliteratuur gecanoniseerd. Het 99ste nummer van Yang is hier dan ook voor het grootste gedeelte aan gewijd.
Wijzelf zijn steeds grote voorstanders geweest van “volwassen” jeugdliteratuur en van Camp doet zeker een poging (sinds hij op de weg naar Damascus door het Grote Licht in de persoon van Miep Diekmann werd getroffen) om die te brengen, felicitaties voor hem én voor de Yang-jury zijn hier dus zeker op z’n plaats.
Maar anderzijds kan men uit de formulering ook afleiden dat we toch ook zekere reserves hebben. Die bekering van van Camp b.v., die komt ons te theatraal over. En die bedenking heeft dan alles te maken met het feit dat het in de naweeén van ’68 goed stond om “probleemboeken” te gaan schrijven voor de jeugd. In die optiek
vinden wij de bijdrage van Eric HulsensProgressiviteit en trivialiteit, een analyse van Brieven voor Barbara van Gaston van Camp ») veruit de beste in dit nummer. Dat een kritische noot in wat toch als een huldenummer wordt gepresenteerd, helemaal vooraan wordt geplaatst siert de redactie die blijkbaar niet om zelfkritiek verlegen zit.
Gaston Van Camp schreef dus oorspronkelijk vrij oubollige, traditionele jeugdverhalen, maar met “Ik ben Harry van de Achterbuurt” (door de Gazet van Antwerpen “pornografie op de huid van de jeugd” genoemd) gooide hij toen hij al dertig was o.i.v. Miep Diekmann het roer resoluut om en werd de apostel van de “geëngageerde, realistische jeugdroman”. In dezelfde lijn ligt o.a. “Sikkelstraat 12”. In 1984 publiceerde hij ook een (wat recensent Jos Borré dan noemt) “volwaardige” roman: “De kracht van Marrakech”, een romantische “louteringsroman”, en dat jaar schreef hij ook “Marilyn” waarin men met het grafische talent van Michel Gruyters kan kennismaken. In vijf sober gehouden, suggestieve tekeningen in een romantische fin-de-siècle sfeer (een beetje à la Jan Vanriet) roept Gruyters het “verhaal” op. Alhoewel er geen echt “verhaal” is natuurlijk, want de omschrijving “stripverhaal” van uitgeefster Berns kan (en wil) Gruyters niet waarmaken. Maar hij weet wel uitstekend de sfeer van een werk te vatten.
Beter dan Van Camp zou ik bijna durven zeggen, want de schrijver heeft getracht een aantal “stijlvernieuwingen” in het (door de volwassen lezer wellicht wel gekende) verhaal te verwerken en de kinderen die door Leja Van Hoejmissen daarover op de persvoorstelling werden ondervraagd, reageerden daarop nogal negatief. En terecht, mijns inziens, want in de simplifiëring die dan toch wordt doorgevoerd (het is tenslotte een “jeugdboek”, nietwaar…) komt bijvoorbeeld de aanspreking van de lezer die in de “nouveau roman” soms een knap effect kan hebben, hier eerder in de nabijheid van de paternalistische aanspreekvorm die Oom Wim of andere Pater Godverdommes pleegden te hanteren.
Laten we anderzijds Van Camp niet vastpinnen op deze ene zwakheid. Alles bij elkaar blijft dit een leesbaar portret met een juiste inschatting van de erotiek (toch altijd een “teer punt” in jeugdboeken). Voor discussie vatbaar is het feit dat de “ontluistering” die Van Camp wenst te tekenen blijkbaar eerder op hemzelf slaat dan op zijn lezers (de voornaamste drijfveer om dit boek te schrijven, bekende Van Camp zelf, was dat hij zijn nogal onzinnige puberverliefdheid op Marilyn Monroe van zich af wou schrijven).
Met « Morgen vliegt de condor » (Manteau, Antwerpen, 138 blz.) kan Gaston van Camp ons eveneens bekoren. Dit verhaal over een guerillabeweging in « een » Latijns-Amerikaans land belicht werkelijk àlle aspecten die daarbij komen kijken en concentreert zich vooral op dat ene (en niet het minst belangrijke !) : geweld gebruiken of niet. Dit thema wordt heel behoedzaam uitgediept en vooral daarvoor verdient van Camp alle lof.
Inhoudelijk zou dit boek ons inziens zeker ook voor een volwassen publiek geschikt zijn (ondanks een iets te onthullende flaptekst zorgt een spannend scenario ervoor dat de ideologie niet te nadrukkelijk op het werk gaat wegen), ware het niet dat « de oude van Camp » hier en daar nog aanwezig is, meer bepaald in de stijl. Want u weet toch dat van Camp (naar eigen zeggen) een soort van Heilige Paulus is die het licht op weg naar Damascus heeft gezien ? Hij heeft m.a.w. in een ver verleden nog « traditionele » jeugdboeken geschreven en dat zindert nog na in zinnen als « Haar gezicht is een roos van doorschijnend albast. Haar lichaam is een roerloze vijver waarover de maan goudglanzende stralen legt » (blz. 104).
Datzelfde verleden speelt van Camp trouwens ook parten als hij — in omgekeerde zin dan — zich er te zeer wil tegen afzetten en wat al te nadrukkelijk de erotische toer opgaat. Niet dat wij iets tegen erotiek in jeugdboeken hebben (integendeel, zie onze bespreking van « De schaduw van de toren » in de r.v. nr. 47 van vorig jaar), maar je hoeft daarom niet zo uitdrukkelijk met een erectie rond te lopen, Gaston.
In 1986 volgden dan de “Avonturen bij baron Pepijn de Pienterste”, een fantasierijk verhaal met referenties in de tekst aan bekende sprookjesfiguren: een creatieve stimulans. Bizarre personages, herkenbare symbolen, makkelijk te begrijpen verbanden. De auteur wordt hier de sprookjesschrijver op weg naar zijn uitgever. Éen autopanne laat hem in de wondere wereld van Pepijn belanden, waar de tijd stilstaat. Hij zal, gesteund door zijn vrouw, het domein bevrijden van reële en van fictieve verschrikkingen. In dat bestrijden van de angst is Van Camp pedagogisch maar zijn wijze lessen zijn nooit belastend voor het verhaal. Ook hier worden zogenaamde zekerheden, zoals roddelpraat en dogmatische rechtspraak, in vraag gesteld en dat is de belangrijkste verdienste van dit boek, naast de vlotte en humoristische verteltoon die het verhaal schraagt. Leek Van Camp op de eerste bladzijden zijn lezerspubliek wat te onderschatten in een naïeve toon, hij komt tenslotte goed terecht.

Referenties
Ronny De Schepper, Gaston krijgt zijn canon, De Rode Vaan nr.28 van 1981
Ronny De Schepper, “Geen rekening houden met de dwang van het katholicisme”, De Rode Vaan nr.31 van 1984
Jos Borré, Gaston Van Camp: opgeslorpt door Marrakech, De Morgen, 17 november 1984
Ronny De Schepper & Johan de Belie, Jeugdboeken met lentekriebels, De Rode Vaan nr.9 van 1986
Ronny De Schepper & Johan de Belie, Lekker griezelen voor het slapengaan, De Rode Vaan nr.29 van 1986

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.