Morgen zal het 35 jaar geleden zijn dat ik naar « ’t Es zonde, zei ze… » ben gaan kijken in het Gents Amusements Theater. Dat gaf aanleiding tot een conflict met Eddy Daese dat ondertussen is bijgelegd, zodat het misschien stom is van mij om het opnieuw op te rakelen, maar ik ben nogal “autistisch” wat mijn systeem met verjaardagen betreft: verjaardag is verjaardag en daarmee basta!

Eddy Daese is een getalenteerd toneelschrijver, dat schreef ik reeds eerder en daar blijf ik bij. Daese leidt ook het Gentse Amusementstheater in goede banen, ook die bewering neem ik niet terug. Het wordt alleen een probleem wanneer hij zijn twee talenten onoordeelkundig gaat vermengen…
Met « ’t Es zonde, zei ze… » heeft Daese een bewonderenswaardige dramaturgische prestatie geleverd. Hij brengt zeven personages die elk voor één van de zeven hoofdzonden staan, samen rond het pas gedolven graf van ene zekere Jeanne en uit hun onderlinge discussies leren we langzaam voor welke zonde ze precies staan en tegelijk krijgen we een inzicht in de gecompliceerde situatie die ze ten overstaan van die Jeanne innamen. Een krachttoer waarvoor Daese alle lof verdient.
Alleen, hij heeft dit stuk geschreven met in het achterhoofd reeds de opvoering door zijn eigen theater en dus vooral zijn eigen publiek. En naar dit publiek toe doet hij dan allerlei toegevingen die het peil van het stuk naar omlaag halen. Het begint al met de namen. Op z’n plat Gents worden die allemaal met « z » uitgesproken : Zinette, Zilbert, Zerard, Zorges enzovoort (vandaar ook de titel die — buiten de referentie aan « zonde » natuurlijk — verder op niks slaat). Dat dialect, in ander gevallen een aantrekkingspool van ’t GAT, wordt nu trouwens erg hinderlijk. Daese wil meer zeggen dan hij via de sappige volkstaal gezegd kan krijgen. Gevolg : af en toe laat hij al eens een steekje vallen en glippen er stadhuiswoorden binnen. Tenslotte heeft hij er, nogmaals ten behoeve van het publiek, een aantal goedkope grappen in gestopt.
Maar ook het gezelschap zelf kan deze opdracht niet aan. Er wordt veel met flashbacks gewerkt en o.m. via de grime zijn er ook verwijzingen naar Mannen van de Dam en dergelijke toestanden. Daartegen zijn de amateurs van het GAT echter niet opgewassen (Daese zelf en vooral Frank Van Laecke misschien uitgezonderd). Bovendien is de regie de zwakste schakel in de polyvalentie van Daese. Hij heeft geen sterke hand. Dat merk je vooral in de manier waarop hij zijn echtgenote Sonia Berbiers regisseert. Is er dan echt niemand anders om haar te zeggen dat ze ook handen aan haar lijf heeft ?
Samengevat kan ik niet ontkennen dat dit een interessante opvoering is, maar voor ’t GAT is dit duidelijk te hoog gegrepen. Het amateurtoneel kan uitblinken (en ’t GAT doet dit meestal) op terreinen die de profs laten braak liggen. Op het terrein in het Astridpark lijkt het me echter erg twijfelachtig of F.C.Heirnis ooit Anderlecht kan verslaan…
Zoals gezegd was de kous daarmee niet af. Vervolg in De Rode Vaan nr.12 van 1984:
In het jongste nummer van het Informatieblad van het GAT wordt mijn recensie van « ’t Es zonde, zei ze… » integraal overgenomen, wat vroeger ook gebeurde, maar nu het voor het eerst een negatieve bespreking betreft, voelt de heer Daese, auteur en regisseur van het stuk, zich geroepen om er enkele commentaren bij te voegen die ik als communist niet over me heen kan laten gaan. Zo schrijft de heer Daese : « zeggen dat deze productie niet geschikt is voor het GAT-publiek, is op zijn minst beledigend voor arbeiders of volksmensen in het algemeen ». In werkelijkheid staat er dat het stuk niet geschikt is voor de acteurs die de moeilijke opdracht niet aankunnen. Bovendien staat er ook dat Daese ten behoeve van het publiek er goedkope grappen instopt. Hij vindt het dus blijkbaar zelf nodig om het peil van zijn eigen stuk naar beneden te halen, omdat hij denkt dat dit moet bij « arbeiders of volksmensen ». De heer Daese is dus paternalistisch. Maar de heer Daese is vooral rancuneus en van rancuneuze theaterdirecteurs heb ik de laatste tijd mijn buik meer dan vol. Daan Bauwens haalt in « De Morgen » ter gelegenheid van het recensentensymposium in Gent ook een paar straffe staaltjes aan en ik kan u verzekeren dat hij in niets overdrijft. De rv gaat dus m.a.w. op zoek naar een nieuwe recensent voor ’t GAT. Spijtig voor mezelf want het volgende stuk, « Het schroot van de Vera Cruz » van Jo Coppens, zal het GAT wellicht opnieuw veel beter liggen. Maar regisseurs die steigeren bij de minste kritiek en vooral hun privéleven verwarren met hun artistieke opdracht, verdienen geen serieuze recensie. Tenzij van een masochist. Zijn er soms liefhebbers bij Doornroosje ?

Referentie
Ronny De Schepper, Zonde van de moeite, De Rode Vaan nr.8 van 1984

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.