« Leren wielrenner worden » is natuurlijk iets dat tot de verbeelding spreekt van iedere jonge wielerliefhebber, maar het is helaas niet voor iedereen weggelegd. Dan is er gelukkig ook nog altijd het wielertoerisme, waar men wat schakelen, in waaiers rijden en andere praktische dingen betreft een goede opleiding kan krijgen – als er tenminste een behoorlijke begeleiding is.

01

Vele wielertoeristenploegen zien zich echter eerder als ersatz-wielerploegen. Ploegen met een jeugdwerking, zoals S.N.A.-Gent, verliezen daardoor dan ook vaak « waardevolle elementen ». De vraag is dan alleen of dat wel een verlies is…

Vergis ik mij of is het inderdaad door de economische crisis dat de belangstelling voor de fiets weer toeneemt ? Alleszins sprak men vroeger gewoon over het « autosalon », maar nu neemt het « rijwiel » daar een haast even belangrijke plaats in. (Vorige keer bezochten ongeveer 400.000 mensen het fietsensalon, de helft van de bezoekers aan het totale autosalon.) En oppervlakkige zielen zullen al onmiddellijk klaar staan om mijn in vraagvorm geformuleerde vaststelling te beamen. « Ja, de belangstelling voor de fiets is toegenomen dankzij de crisis, want door de stijging van de benzineprijzen gaan vele mensen nu opnieuw met de fiets naar hun werk ».
Oh ja ? Heeft u dat dan al eens geprobeerd ? U hoeft niet eens in een grootstad te wonen, nee een zogenaamd gezellig provincienest volstaat al. Met van die brede straten zonder fietspad, maar wél met voorsorteren, weet u wel. Ga daar maar eens met uw fietsje tussenrijden, ’s morgens en op de avondspits, vooral nu in de winter, als het nog donker is. Of als er wél een fietspad aanwezig is, dan is het ook al zo prettig. Helemaal weggezakt met putten, waarin het regenwater (zolang het niet vriest) lekker opspat, en bezaaid met stenen en zelfs van de baan gekeerd glas.
Neen, ik zie het nog niet zo vlug gebeuren, met de fiets naar het werk. Naar de stempelcontrole misschien, ja. Omdat een werkloze die zich met zijn wagen durft aanbieden nog méér een stigma krijgt opgedrukt. « Maar de oliecrisis dan ? Dát is het antwoord : men schakelt over op de fiets omdat de auto milieuvijandig is ! » Kom kom, lieve vriend, ziet u dat al gebeuren, buiten die paar Ecolo’s dan die met de fiets naar het parlement komen ? En daarbij die groene jongens die rijden op oude tandems of op zelfgeschilderde wrakken die ze hebben samengesteld uit diverse stoffelijke overschotten die ze op het gemeentelijke stort hebben gevonden. Op die manier zullen zij de rijwielindustrie niet uit het slop helpen !
« Goed, maar geef toe, wie kan zich nu nog een wagen permitteren ? Misschien worden er dáárom meer fietsen verkocht, om te bezuinigen ? » Daar zit wel iets in natuurlijk, maar ook hier denk ik dat die overweging eerder het openbare vervoer ten goede komt dan de fietsenindustrie. Want al is eerstgenoemde dienst in ons neoliberale bestel ook niet je dát, de slogan « zat u nu maar in de trein, hé » heeft zeker inhoud voor wie zich in weer en wind trappend voortbeweegt.
Blijft dus over: de fiets als vrijetijdsbesteding. En dàt klopt. Als er voor een bepaalde klasse fitness-centra, sauna’s en tenniscourts bestaan, dan is er voor de gewone man nog steeds de fiets.
BMX’en, crossfietsen, trialfietsen, gadgetfietsen, mountainbikes. De fiets evolueert van een gebruiksvoorwerp naar een speel- en recreatietuig. In ons land worden per jaar 400.000 tot 450.000 fietsen gekocht. Op een totaal van 2.840.000 fietsen zitten daar 600.000 racefietsen tussen. Daarvoor zorgen de wielertoeristen. Vlaanderen is steeds een fietsend land geweest en de opbloei van het wielertoerisme ligt in het verlengde hiervan. Niet minder dan 14.000 fietsliefhebbers zijn effectief bij de N.C.T. (Nationale Commissie voor Toerisme) aangesloten, een afdeling van de meer bekende B.W.B. (Belgische Wielrijdersbond). Wij gingen met een zestal wielertoeristen praten die niet toevallig allemaal aangesloten zijn bij dezelfde club, « Sport Na Arbeid » uit Gent. Niet toevallig, want ook uw reporter ter plaatse verdedigt de rood-blauwe kleuren…
Die 14.000 leden betekenen nochtans een zekere achteruitgang tegenover het einde van de jaren zeventig toen de N.C.T. 18.000 pedaalridders telde. Door waarnemers wordt dit recordcijfer toegeschreven aan de uitstraling van de prestaties van Eddy Merckx. Aan het begin van zijn carrière immers (in 1966) waren er slechts 1.600 aangesloten wielertoeristen. Indien deze redenering klopt, dan kan de terugval dus ook worden toegeschreven aan de donkere tijden die de Belgische beroepswielersport op dit ogenblik doormaakt.
Nochtans is het wielrennen in België groot geworden, precies dankzij dat wielertoerisme. Toen in 1882 de Belgische Wielrijdersbond werd opgericht, was dit oorspronkelijk immers louter ten behoeve van de toeristen, want wielerwedstrijden zelf waren schaars, zo niet onbestaande.
Veertig jaar na de B.W.B. werd Sport Na Arbeid (S.N.A.) opgericht. Dat betekent dus dat in het jaar van het B.W.B.-eeuwfeest, ook S.N.A. wat te vieren had. Toenmalig toeristenvoorzitter en nu secretaris André Dhondt stelde bij deze gelegenheid een handig overzicht samen, waaruit we veel kunnen leren over het wielertoerisme in Vlaanderen.
Met schippersklak en spatborden
S.N.A. is gegroeid uit de wielerclub « De Louvetsvrienden » die in 1920 door een fietsenmaker werd gesticht met de bedoeling deel te nemen aan o.a. versierde optochten. Om aan te duiden dat ze tot dezelfde club behoorden, reden de leden op groene fietsen en droegen ze een schippersklak ! De erkenning door de B.W.B. bleef nog twee jaar uit omdat in de benaming publiciteit voor een rijwielmerk was verwerkt. Uiteindelijk werd de club erkend onder de oorspronkelijke benaming van « Recht en Plicht ». Toen later bleek dat er reeds een club met die naam bestond, werd de huidige benaming aangenomen.
In ’24 vroegen de eerste vrouwen een lidmaatschap aan. Zij werden echter afgewezen omdat dit een « gevaar voor de maatschappij » zou inhouden ! Twee jaar later kwam men op die beslissing echter terug. In die tijd werd trouwens nog vaak wielertoerisme in competitieverband beoefend. Zo was er b.v. een interclubtijdrit en een clubkampioenschap met geldprijzen (nu bestaat er enkel nog een competitie op basis van afgelegde afstanden). Het verschil met « gewone » koersen bestond er merkwaardig genoeg enkel in dat koerstrui en korte broek taboe waren en dat de fietsen moesten uitgerust zijn met spatborden. Een aanbeveling die tot 1974 van kracht bleef ! S.N.A. kende toen ook een belangrijke cyclobal-afdeling die ook nu nog als één van de sterkste van België mag gelden.
In het begin van de jaren dertig organiseerde men ook de zogenaamde « wintersporten », waarbij naast wielrennen ook andere proeven werden betwist zoals lopen, springen en… vogelpik. En een derde afdeling ziet het levenslicht binnen de club : het kunstrijden.
S.N.A. was de enige ploeg in het Gentse die de oorlogsjaren heeft overleefd. Dit o.a. dankzij het feit dat men alle fietsen en ander materiaal had verborgen op de zolder van de voorzitter. Toch had het wielertoerisme in Vlaanderen een sterke deuk gekregen. Alhoewel er in ons land rond die tijd zo’n drie miljoen fietsers waren, was de belangstelling voor georganiseerde uitstappen uiterst miniem. In 1957 telt S.N.A. slechts één lid. Een goede fiets had toen drie of vier versnellingen en kostte een drie á vierduizend frank.
Dankzij een (prille) belangstelling van de televisie (herinnert u zich het sportprogramma « Arena » nog?) komt er een kleine heropleving van het wielertoerisme in het begin van de jaren zestig, ook al omdat b.v. bij S.N.A. maar ongetwijfeld ook bij andere teams, er nu ook een volgwagen wordt ingezet. Op die manier voorkomt men dat bij opgave of defect de toerist genoodzaakt was het dichtstbijgelegen station te gaan opzoeken. In het fameuze jaar 1966, waarover we reeds gesproken hebben, kent S.N.A. z’n hoogtepunt : de honderd leden worden net niet gehaald (99).
Dat nadien het aantal weer is gedaald, terwijl in het algemeen belangstelling voor het wielertoerisme is toegenomen, is eigenlijk precies aan die toename te wijten. Inderdaad, waar er voor de oorlog twee of drie clubs bestonden in het Gentse, telt Oost-Vlaanderen er nu 64 !
Van directeur tot loopjongen
Maar het wordt stilaan tijd dat we onze gesprekspartners aan het woord laten. Het eerste wat we willen weten is welke sociale klassen zich vooral tot het wielertoerisme aangetrokken voelen en of daar een evolutie in te merken is. Het is André Dhondt die het vuur opent.
André : Dat is steeds hetzelfde geweest. Men kan daar geen etiket opplakken. Dat gaat van directeur tot loopjongen en omgekeerd.
— Je zou natuurlijk kunnen stellen dat zo’n fiets al snel wat geld gaat kosten…
André
: Een goede fiets kost op dit ogenblik zo’n twaalfduizend frank. Er zijn natuurlijk ook toeristen die zich een fiets van zestigduizend frank aanschaffen. Of als ze wat handig zijn steken ze hem zelf samen, wat dan ongeveer 35 duizend frank kost, terwijl dat in de winkel vijftigduizend zou zijn.
— Handig zijn, dat is iets wat men van wielertoeristen wel verwacht, niet ? Men moet een beetje op de hoogte zijn van de mechaniek ?
André (lachend)
: Als er vijf zijn in de club, moogt ge al in uw pollen wrijven ! Er zijn er integendeel soms bij die zelfs geen nieuwe band kunnen steken (hier wordt de reporter plotseling erg rood). Echt waar, neem het van mij aan, de grootste hoop kent er niets van.
— Een verband met de vorige vraag is er niet, maar ik zou wel eens willen weten hoe het zit met de vrouwelijke wielertoeristen. Tot mijn schaamte moet ik toegeven dat ik vergeten ben er hier één aan deze gesprekstafel uit te nodigen, maar er bestaan er wel, nietwaar ?
André :
Weinig. Er zijn er wel die eraan beginnen, maar er zijn er weinig die volhouden.
— En hoe komt dat dan ?
André :
Omdat de vrouwen niet sportief zijn ! Da’s al. En ze hebben er het karakter niet voor ook. Het karakter om door te bijten bedoel ik. Er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen. Maar ik vind dat je dat in alle sporten kunt vaststellen die uitsluitend uit liefhebberij worden beoefend.
— Maar zou het ook niet kunnen dat zij nogal onder druk staan, omdat het toch wel een overwegend mannelijk wereldje is, met alle gevolgen vandien ? Jullie weten allemaal wel dat als een peloton wielertoeristen een mooi meisje voorbijrijdt, dat er dan luidruchtig wordt gereageerd. Dat zou toch vervelend kunnen zijn voor hen ?
François :
Het tegendeel is waar. Als er een mooi meisje meerijdt, dan vecht men om er naast te kunnen rijden.
— Maar misschien hebben ze dat juist niet graag ?
André
: Neen, ik denk dat als een meisje drie keer meerijdt en ze moet drie keer geduwd worden, dan zal ze geen vierde keer meer komen. Dat is typisch vrouwelijk.
— Is het dan fysisch te zwaar voor hen ?
André
: Neen, maar ze kunnen niet bijten hé. Alleman is al eens geduwd geweest. Geduwd worden is immers geen schande. En opgeven ook niet. Dat vind ik toch niet, al bestaan er hier aan tafel wellicht wel meningsverschillen over. Ik ga steeds uit van het principe : iemand die opgeeft komt weer, iemand die men dwingt verder te rijden houdt ermee op.
Maurits : Maar dat is toch in tegenspraak met uw bewering dat ze moeten leren doorbijten ?
André : Als men al vanaf de eerste keer teveel eisen gaat stellen, dan houden ze het niet vol. Eén seizoen misschien ja, maar geen tweede keer. Neen, laat ze dan maar in de volgwagen stappen.
— Als er een is natuurlijk, want zoveel zijn er nu ook niet. Heeft dat wat met de sponsoring te maken ?
André
: Neen, dat is puur persoonlijk initiatief. Dat zijn mensen die dat doen uit clubliefde. Vroeger waren er wel meer volgauto’s, maar ja, de benzine slaat op en je weet hoe dat gaat. Er zijn dan b.v. volgers die een programma willen uitstippelen naar hun goesting enzovoort. Bovendien moet je er rekening mee houden dat met de wagen volgen, tenminste even lastig is dan fietsen zelf.
— Toch heeft elke club een sponsor. Wat houdt dat dan eigenlijk in ?
André
: Dat verschilt van club tot club. Bij ons betekent dat enkel dat we truitjes hebben, die de sponsor tot onze beschikking stelt tegen de prijs dat hij ze zelf heeft betaald. Eigenlijk heeft de B.W.B. daar meer aan dan wij, want om zijn merknaam op onze truitjes te mogen zetten, moet hij wel een bijdrage betalen aan de bond.
François : Soms zorgen bepaalde sponsors ook voor een volgwagen als het een rit betreft die door hun eigen ploeg wordt georganiseerd. Of ze stellen een volgwagen ter beschikking maar dan zonder chauffeur en, zoals reeds gezegd, het is eigenlijk niet zo’n gemakkelijke job, zodanig dat er niet zoveel kandidaten zijn.

Met sigaar en trappist
— Eén van de kleurrijkste personages uit het toeristenpeloton is vast en zeker Guido. Wijd en zijd gekend voor zijn legendarische sigaar (ook op de fiets) en z’n trappist tijdens de controles. Op die manier vorm je zowat de tegenhanger van dat andere beeld dat er van de wielertoerist bestaat, namelijk de verkapte wielrenner. Wat is daar nu precies van aan ? Wil de echte wielertoerist opstaan ?
Guido
: Het is zeker niet alleen pinten pakken. Wat de mensen echter niet zien, dat is dat ik zo’n vijftien á twintig minuten voor de controle heb zitten eten en dan kan ik uiteraard de rust benutten om aan de toog een flinke pint te drinken. Er is natuurlijk wel een nadeel aan. Als je immers goed en wel op de fiets zit…
— Moet je plassen ?
Guido
: Ook al. Maar ik bedoelde eigenlijk dat je dan ongeveer een tiental minuten serieus in ’t zweet zit. Maar ik recupereer wel goed. Eigenlijk zit ik trouwens voortdurend te eten. Voor een ritje van 50 km kan ik tot vijftien pistoleetjes verorberen en als ik er een hele dag op uittrek, dan eet ik als ontbijt een entrecote met spinazie.
— Als een echte prof, kom.
André
: Maar ook hier is weer niet iedereen hetzelfde. De grootste hoop eet helemaal niet voor ze vertrekken. Vandaar dat er vorig seizoen wat herrie geweest is omdat er bepaalde organisaties waren die geen rustpauze hadden voorzien tijdens hun rit. Want niet iedereen is in staat om op de fiets te eten. En dan bedoel ik nog niet eens de handigheid die daarbij te pas komt, maar op de eerste plaats het feit dat sommige mensen dat gewoon niet kunnen.
— Een heel ander type dan Guido is inderdaad Maurits die in 1976 hier in Gent wereldkampioen bij de veteranen is geworden. Hij benadert dat wielertoerisme wellicht helemaal anders. Is dat dan een soort training ? Of kan dat niet, daar er een verplichte snelheidsbeperking geldt van 22,5 km/uur ?
Maurits
: Toch wel, het is veel aangenamer met wielertoeristen te gaan rijden dan op uw eentje kilometers te malen. Het hangt natuurlijk weer af van persoon tot persoon. Ikzelf ben iemand die voor een wedstrijd liefst zo weinig mogelijk inspanningen doet. Als ik dus een hele dag in het wiel kan meerijden, dan is dat voor mij een goede voorbereiding. Als ik daarentegen op mijn eentje tegen de wind in moet rijden, dan moet ik zoveel energie opbrengen dat ik het ’s anderendaags zal bekopen. En bij de veteranen komt daar nog bij dat de goede dagen niet achter mekaar vallen, hé. Bovendien moet je er ook rekening mee houden dat ik een hele week moet werken, wat ook begint te wegen op die jaren.
« Toerisme ? »
André : Ik ben meer voorstander van kleine ritten. Het moet een ontspanning blijven. Het is vooral een kwestie van de jonge gasten van de straat te houden. Wielertoerisme is veilig, ze zitten in groep, ze staan er niet alleen voor, er zijn meer ervaren mensen die op hen letten en op die manier hebben hun ouders er ook meer vertrouwen in. Vandaar dat ik voorstander ben van kleine ritjes, als ze anders doodop of ziek thuiskomen, dan kunnen ze ’s anderendaags niet naar school.
— Toch moet je wielertoerisme ook niet verwarren met « toerisme met de fiets » als zodanig. Er bestaan namelijk ook andere organisaties « voor het gezin » die weliswaar ook soms zeer lang kunnen zijn, maar toch van een heel andere orde zijn. Er wordt niet op rennersfietsen gereden, de snelheid ligt nog lager (15 km) en de meisjes dragen kleurige jurkjes i.p.v. onesthetische rennerstruien. Persoonlijk heb ik het eens meegemaakt dat een meisje zei dat ze de mouwtjes en de hals uit haar rennerstricot zou snijden omdat het geen zicht was als ze nadien wou gaan dansen — we kennen inderdaad allemaal die foto’s van wielrenners met naakt bovenlijf die toch precies hun trui nog aan hebben…
André
: En toch kan iedereen met wielertoeristen meerijden. Het is gewoon een kwestie van wennen. Als je gewend bent alleen te rijden dan denk je bij een eerste contact : oeioeioei hier wordt rap gereden, maar dat is eigenlijk niet zo. Dat komt enkel omdat, als men alleen rijdt, men automatisch ook trager rijdt. D’r zijn er natuurlijk wel die zeggen dat ze tegen 30 km/uur rijden, maar dat is zever. Komt daarbij nog de afstand natuurlijk. Als je alleen rijdt en na tien kilometer ben je reeds moe, dan stop je, je rust en dan zet je weer aan. Maar bij ons moet je rijden tot aan de controle. Na een tweetal maanden regelmatig meerijden ben je het echter reeds gewend. Bij ons rijden zelfs kinderen van tien jaar mee.
— Ja, en dan die koerstrui; kom, het schept een band tussen de ploeg. Maar wat met die koersfiets ? Is dat nu echt doorslaggevend ?
François :
Nee, op voorwaarde dat de fiets waar je dan wel mee rijdt in orde is. Verschillende versnellingen b.v. zijn een absolute noodzaak, want het parcours is niet altijd even vlak.
André : Er zijn er wel die met een gewone fiets rijden en dat gaat, maar eens ze de smaak te pakken hebben, schakelen ze toch over op een racefiets.
— Wielertoerisme, zou men misschien kunnen samenvatten, is wel toeristisch in die zin dat men gezien het gematigde tempo ruimschoots de gelegenheid krijgt om van het landschap te genieten, maar stoppen om iets te gaan bekijken is er niet bij ?
André
: Neen, dat niet. Eventueel kan dat wel gebeuren als de club op zichzelf een uitstap plant. Maar de meerderheid van de leden is daar geen voorstander van. Anderzijds kan het wel voorvallen dat het spontaan gebeurt. Ik herinner me b.v. een tocht waarbij we aan de watervallen van Coo voorbijkwamen en toen is iedereen spontaan afgestapt om die eens rustig te bekijken, al was daar geen oponthoud voorzien.
Guido : Bij een tocht door Frankrijk zijn we ook eens gestopt om de plaatselijke wijnen te proeven…
Zo d’ouden zongen…
— Dat zal wel. Dat is trouwens een ander aspect. Er bestaat immers ook zoiets als een clubleven, inclusief de onvermijdelijke feestjes en bijeenkomsten. Ook dit is belangrijk ?
André
: Uiteraard. Zo hebben we b.v. vorig seizoen twee gouden bruiloften gevierd. We zijn de enige ploeg in Oost-Vlaanderen die dat kon doen. Niet alleen rijden dus de allerjongsten mee, maar ook de ouderen. En wat méér is : ze zijn graag gezien. Dat is niet bij ieder club het geval. Sommige stellen leeftijdsgrenzen.
— Officieel, dus vanuit de B.W.B., zijn die er ook ?
François
: Je moet tien jaar zijn om een vergunning te krijgen. Maar sommige clubs stellen zelfs zestien jaar als minimumleeftijd en ze eisen bovendien van de oudere leden dat ze fysiek nog in staat zijn om een bepaald tempo te volgen. Niet meekunnen is achterblijven. Maar in onze club is dat anders. Ik zal je eerst en vooral een geheimpje verklappen : als je je slecht voelt, moet je vooraan rijden, want achteraan speelt men « accordeon » zoals men zegt (door verkeerstoestanden wordt men dikwijls opgehouden en moet men supplementaire inspanningen leveren om weer bij te komen, red.) en dat is lastiger. En als het dan toch niet gaat, dan is men bij ons steeds bereid om te duwen of zelfs om te wachten.
— Ja, dat sociale gevoelen manifesteert zich ook als je b.v. in de kliniek ligt, nietwaar François ? Nu was dat weliswaar n.a.v. een ongeval met je moto, maar toch wil ik aan jou eens vragen of er bepaalde risico’s aan verbonden zijn aan het rijden in zo’n grote groep ?
François
: Ik ben nu zo’n elf jaar in de club en ik moet toegeven dat ik de eerste vier, vijf jaar geregeld tegen de vlakte ging. Maar zo erg was dat allemaal niet en tenslotte, ’t is met te vallen dat men leert rijden. Echte accidenten gebeuren er niet veel en als het dan toch gebeurt, dan is het door roekeloosheid van toeristen zelf of van andere weggebruikers. ’t Is al voorgevallen dat er zelfs zaten te slapen op hun fiets.
— Een auto die inrijdt op een groep wielertoeristen, het is inderdaad een bericht dat sporadisch in de krant opduikt. Soms beweert men zelfs dat het opzettelijk gebeurt. Vele automobilisten hebben aan wielertoeristen meer dan een broertje dood. Terecht ?
François :
De automobilist denkt vaak dat de baan er enkel voor hem ligt. De staat sterkt hem trouwens in die overtuiging door de fietsers helemaal over het hoofd te zien. Waar er in Nederland hele baanvakken als fietspad ter beschikking staan, dan is dat hier in Vlaanderen helemaal niet het geval. Misschien dat dit er ook toe bijgedragen heeft dat de mentaliteit van de Belgische automobilisten helemaal verschilt van die van b.v. de Nederlandse en de Franse. Die stoppen zelfs spontaan voor wielertoeristen in groep.
André: Er komt nog een ander aspect bij kijken : de voorlichting voor automobilisten is hier onbestaande. Het is nu nog maar twee jaar dat wielertoeristen in groep op de grote banen mogen rijden, maar wie kent dat nieuwe verkeersreglement ? Het wordt niet bekend gemaakt, zodat een Belgische automobilist enkel op de hoogte kan komen van wijzigingen in de wegcode door ondervinding. Als je vijf keer zo’n groep wielertoeristen tegenkomt, dan zal je ook wel weten dat je moet vertragen, maar de eerste keer vlam je er voorbij natuurlijk.
… zo piepen de jongen
— We gaan stilaan afronden en dat doen we dan uiteraard met de jeugd want aan hen behoort de toekomst. Patrick, als je eraan begint, wat is dan precies je motivatie ?
Patrick
: ’t Is beter dan op straat te lopen. En je leert er ook mensen mee kennen. Bovendien ben je verzekerd tegen ongevallen. Daar komt bij dat deze club zoals gezegd nogal wat jongeren onder de leden telt en jeugd trekt jeugd aan, dat is gekend.
— Bij ondervinding heb ik reeds vastgesteld dat de jongeren er graag eens « invliegen ». Vooral Freddy. Zie jij dat wielertoerisme dan misschien als een alternatief voor de tot nu toe verboden jongerenkoersen of als een voorbereiding op koersen ?
Freddy
: Er wordt wel aan scouting gedaan in het wielertoeristenmilieu, dat is zeker. Zo heb ikzelf reeds een aanbod gekregen om wielrenner te worden. De voorzitter van een Gentse wielerploeg heeft me zelfs aangeboden om mijn verzekering te betalen en mij een nieuwe koersfiets te bezorgen, maar het zegt mij persoonlijk niets, nee. Ik doe het echt voor de lol, om eens buiten te zijn, onder de vrienden. En als ik er dan toch al eens invlieg, da’s waar, ja dan is dat… omdat mijn benen kriebelen zeker ?
Conclusie, ieder komt aan zijn trekken bij het wielertoerisme. Met dien verstande dat men zijn ritten moet kunnen kiezen. Wie de nadruk wil leggen op de sportieve prestatie, kan terecht bij organisaties met een hogere moeilijkheidsgraad (zo worden bijna alle wielerklassiekers ook door wielertoeristen gereden b.v.). Wie het meer doet voor de ontspanning die kan op kortere afstanden terecht. Waar wacht je eigenlijk nog op ? Weldra begint het nieuwe seizoen en kom je ze weer tegen. Misschien was je er dan liever zelf bij geweest ?

Referentie
Ronny De Schepper, Waar men gaat langs Vlaamse wegen, dra komt men weer wielertoeristen tegen, De Rode Vaan nr.4 van 1984
De inleiding is eigenlijk het onderschrift bij de foto van Roddy en John die bij het artikel “Hoe word ik Eddy Merckx” stond van Luc Rasquin in De Rode Vaan nr.11 van 1987
In het maartnummer van het clubblad verscheen in 1984 de volgende tekst: “Ronny De Schepper maakte een reportage over fietstoerisme met medewerking van enkele SNA’ers, en dit ter gelegenheid van het rijwielsalon. Een geslaagde reportage mogen we wel zeggen en dit in de eerste plaats omdat dit één van de weinige is waarin geen woorden verdraaid werden en geen woorden in andermans mond gelegd werden. Dus een pluim voor de juistheid! Ook de reacties van buitenstaanders waren positief.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.