Het is vandaag precies tachtig jaar geleden dat de Luikse schrijver Georges Simenon zijn roman “Le bourgmestre de Furnes” heeft voltooid.

Een sfeervolle beschrijving van de markt van Veurne, de gebouwen, gaslantaarns, kletskoppen, het slaan van de klok van het stadhuis, vijf seconden later de klok van de beiaard… regen in een laatnamiddag november vanuit de werkkamer van de burgemeester Joris ‘de Baas’ Terlinck, de Baas want zo wordt hij overal – zelfs thuis – genoemd. Zo begint ‘De burgemeester van Veurne’ (Le Bourgmestre de Furnes; 1939). Via details ontdekken we dadelijk dat hij een arrogante, zelfgenoegzame, gevoelloze man is met minachting voor alle minderen (en hij beschouwt iedereen als minder). Een jonge werknemer, Jef Claes, zoekt hem op, smeekt om een voorschot teneinde zijn vriendin uit de nood te kunnen helpen: abortus – een huwelijk is nog niet mogelijk. Indien de burgemeester, tevens zijn werkgever als eigenaar van een tabaksfabriek, weigert dreigt hij zelfmoord te plegen. En het meisje: Lina Van Hamme, dochter van de aartsvijand van de Baas, Leonard Van Hamme, rijke brouwer, hoofd der Conservatieven, voorzitter van de Katholieke Kring. De burgemeester weigert; hij ziet hier een kans om de politieke carrière van Van Hamme te breken. Dezelfde avond voltrekt zich het drama: de jongen schiet op het meisje maar verwondt haar slechts, hij pleegt zelfmoord.
Tegenover de moeder van Jef gedraagt de Baas zich onverschillig. Maar uit allerlei, nu en later in het boek, blijkt dat de schuldvraag zich steeds meer opdringt al wil hij er niet aan toegeven, verdringt hij haar. Hij ziet steeds weer de plaats waar Jef hem om geld vroeg; en hij bezoekt op een ongewoon moment zijn eigen moeder als het ware om steun. Lina inmiddels wordt door haar familie verstoten en geplaatst in Oostende, om de carrière van haar vader en van haar broer (in het leger en aan het Hof) te vrijwaren. En dan is er een politieke koehandel: indien de Baas bij de volgende verkiezingen geen toespelingen zal maken over het gebeurde, zal hij de fel begeerde positie van dijkgraaf bekomen.
We komen ook meer te weten over de geschiedenis van de burgemeester. Hoe hij rijk geworden is: dankzij een relatie (hij was reeds gehuwd) met een rijke weduwe die hem al haar bezittingen naliet. Dat hij de meid Maria zwanger maakte, hun zoon Albert niet erkende maar ergens onderbracht als zijn peetzoon. Dat zijn wettige dochter Emilia zwakzinnig en vaak gewelddadig is, in een kamer thuis opgesloten is (*) – hij weigert haar naar een instelling te brengen en verzorgt haar persoonlijk (schuldgevoel? schaamte?).
Er volgt nu een nieuwjaarsreceptie op het stadhuis, hilarisch én pijnlijk, het dorpse met de stedelijke allures… En een confrontatie tussen burgemeester en brouwer. Thuis ontvangt de Baas naar jaarlijkse traditie zijn (peet)zoon die onkundig is van de werkelijke relatie; uiteraard zijn zowel de meid Maria als de echtgenote van de burgemeester wel op de hoogte – een bizarre situatie. Des te meer omdat de jongeman een nietsnut blijkt die nu als laatste toevlucht in het leger is. Politiek triomfeert de Baas weer: hij verkoopt de oude gasfabriek tot voordeel van alle inwoners. En weigert daarbij ostentatief steekpenningen. Ondertussen worstelt hij nog voortdurend met de schuldvraag. Dat blijkt te meer door het feit dat hij al tien maal de zwangere Lina opzocht in Oostende waar zij een kamer huurt… dit komt aan het licht in een ruzie tussen hem en zijn echtgenote waarbij zij hem een eerste keer de dood van Jef verwijt, zijn egoïsme, zijn gevoelloosheid, zijn weigering hun dochter te plaatsen. De moeder van Jef is alcoholiste geworden, zij is vaak agressief, wordt beboet – hij als hoofd van de politie laat de boetes hardvochtig doorgaan; maar anoniem stuurt hij haar cheques (niet uit ‘goedheid noch medelijden’ houdt hij zichzelf voor…). In een danszaal in Oostende heeft hij contact gezocht met Lina en haar vriendin Manola; hij koopt voortdurend geschenken tot de dag van de geboorte aanbreekt. Thuis blijkt zijn echtgenote Theresa darmkanker te hebben; de Baas laat zijn door hem gehate schoonzuster Marthe overkomen als gezelschap en verzorgster; een ongehoorde toegeving. In Veurne stijgen inmiddels de roddels over zijn uitstapjes naar Oostende en over Emilia; hij verliest steeds meer de greep op de stad én op zichzelf. Steeds meer mensen spreken hem niet meer aan als ‘Baas’ maar als ‘meneer Terlinck’. Terwijl Lina het bezoek krijgt van haar broer: haar vader wil haar naar het buitenland sturen, alleen dan kan zij nog rekenen op een maandelijkse toelage. Haar vriendin Manola weet de Baas te overtuigen om die taak van onderhoud op zich te nemen, de enige manier om Lina te bevrijden uit de tang van haar familie. Wanneer hij in het stadhuis haar vader ontmoet gooit hij hem, ten aanschouwe van iedereen, in het gelaat: “Ik heb uw dochter gekocht!”. Maar goed gaat het niet met hem… Op haar sterfbed zegt Theresa: “Je bent ongelukkig éh?”, begripvol terwijl het echtpaar jarenlang afstandelijk leefde. Het is gemeenteraad, er hangt de Baas een gerechtelijk onderzoek boven het hoofd – hij dient zijn ontslag in; zijn vijand zal waarnemend burgemeester worden. En hij… thuis jaagt hij vrijwel iedereen buiten, richt zijn studeerkamer in als rouwkapel, legt zelfs persoonlijk zijn echtgenote af. Op dat ogenblik stapt zijn zoon Albert binnen, gedeserteerd, hij geeft hem geld om naar het buitenland te vluchten… Het leven gaat verder, met bij hem twee vrouwen, Maria en zijn schoonzus Marthe.
Simenon tekent hier het leven in wat toen een klein stadje was, de sfeer, de types, het gekonkel (politiek), geroddel, kleine en grote drama’s. Heel vreemd dat hij in een ‘Voorbericht’ schrijft: “Ik ken Veurne niet. Ik ken de burgemeester noch de inwoners van Veurne. Veurne is voor mij niet meer van een muzikaal motief.” Levensecht is het wél. En verder haalt deze roman zijn kracht nog vooral uit de tekening van de burgemeester, de evolutie van zijn schuldgevoel: zonder ooit expliciet te zijn, zonder enige psychologische verwijzing schetst Simenon de aftakeling, het sluimerend en steeds sterker wordend schuldbewustzijn dat de ondergang van deze krachtige figuur betekent, en die meteen ook de zwakte van zijn hoofdpersoon laat zien – een magistrale figuur heeft hij zo opgebouwd met veel nuance.

Johan de Belie

(*) Wie herinnert zich niet de vertolking van Ingrid De Vos in de BRT-adaptatie van deze roman in 1984? De regie was van Dré Poppe en Johan Boonen en Leo Dewals stonden in voor de herwerking. Ward de Ravet was de burgemeester en Paul Cammermans Leonard Van Hamme.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.